Wim Langendoen is 100 jaar. Hoe kijkt deze tuinder, die pas recentelijk over zijn jaren als dwangarbeider is gaan praten, aan tegen de eeuw die achter hem ligt?
Wim Langendoen besluit bijna elke zin die hij uitspreekt met een schaterlach. De 100-jarige woont nog zelfstandig, in zijn geboorteplaats Rockanje. Sinds een val een jaar geleden durft hij niet meer alleen de straat op, ook al herstelde hij goed van de heupoperatie die hij als 99-jarige nog mocht ondergaan. In het jaar van de val besloot hij herinneringen aan zijn jongste jaren op papier te zetten.
Wat deed u op uw 99ste besluiten episoden uit uw leven te noteren?
‘In oktober 2023 ben ik begonnen. Ik had het gevoel: als ik nu niks opschrijf, weten mijn kinderen bijna niks over mij, dan raakt alles foetsie.’
Van en weer teruggekomen naar mijn geboortegrond, waar ik als kind veel gelukkige jaren heb doorgebracht.
Dit is de eerste zin van uw notities.
‘Het waren maar een paar gelukkige jaren. Ik ben in de bedstee in het huis van mijn opa Jan in Rockanje geboren. Mijn ouders hadden geen huis. Ze waren op 1 november getrouwd en 21 januari daarna kwam ik.’
Een moetje.
‘Zo kun je het noemen, haha. We hebben een paar jaar bij mijn opa en oma gewoond, totdat we naar Rotterdam verhuisden, waar mijn vader bakkersknecht kon worden. Met paard en wagen bracht hij brood rond.
‘Het klikte heel goed tussen mijn opa en mij, zoiets maak je maar één keer in je leven mee. Na de verhuizing was ik elk weekend bij hem, ik ging met de fiets op en neer. Ik kon beter met mijn opa opschieten dan met mijn ouders. Ze zijn niet van betekenis geweest voor mij. Ze waren zo simpel als wat. Mijn vader was nooit vriendelijk, mijn moeder altijd chagrijnig. Geknuffeld hebben ze mij nooit.
‘Dat mijn ouders zo chagrijnig waren, kwam waarschijnlijk doordat het een verschrikkelijk slechte tijd was, vooral vanaf 1935. Er was geen geld te verdienen. In de buurt van mijn school zag ik landarbeiders demonstreren met vlaggen. We hadden niet best te eten. Er was een tekort aan tarwe, brood werd steeds slechter; er zat een brede rand in het midden van ik weet niet wat voor rotzooi, lekker was het niet.
‘In mijn klompen zat een gat, ik vulde het op met krantenpapier. Een crisiscomité gaf mij een paar schoenen. Die zaten veel te krap, ik heb ze lang gedragen, dat zie je nog aan mijn tenen, die zitten dicht tegen elkaar.’
Had u als jongen in crisistijd dromen over uw eigen toekomst?
‘Ik was graag timmerman geworden. Door de oorlog is daar niks van gekomen. Na mijn pensioen wel; ik ben van alles gaan maken, zoals kastjes, tafeltjes en de lessenaar voor de kerk. Dat talent was puur natuur. Ik denk dat ik het geërfd heb van mijn opa, die was ook altijd aan het prutsen.’
Hoe zijn de jaren dwangarbeid voor u geweest?
‘Na de oproep ging ik langs bij familie voor een onderduikplek. Niemand durfde. Er zat niks anders op dan te gaan. Bij de voorbereiding kreeg ik geen ondersteuning van mijn ouders. Een koffer liet ik maken, van de buurman kreeg ik een kostuum en op zolder vond ik een paar hoge schoenen die ik gelukkig paste.
‘En zo stapte ik als 18-jarige op de trein, met onbekende bestemming. Wimpie was nooit verder geweest dan Rotterdam. In Homberg (50 kilometer onder Kassel, red.) moest ik uitstappen. Er stond een boer op mij te wachten, met een groot bedrijf in Sipperhausen. Daar heb ik twee jaar lang zeven dagen per week gewerkt, 13 à 14 uur per dag drek scheppen, koeien voeren en melken. In die twee jaar heb ik nooit één dag vrij gehad.
‘Er waren nog meer dwangarbeiders: een Fransman, een Italiaan, een Pool, een Poolse en nog een Nederlander, Joop. We konden goed met elkaar opschieten, sliepen boven de varkensschuur. Het stonk er, maar wij stonken ook. We kregen nooit de gelegenheid ons te wassen.
‘De boer vocht aan het front. Als hij met verlof was, droeg hij een zwarte pet met een doodskop erop. Hij was een nazi. Bij zijn afwezigheid speelde zijn vader de baas over ons, die kon goed commanderen. We kregen geen schone of nieuwe kleren of iets. Op het laatst liepen we in lompen, sokken hadden we niet meer. Mijn jasje bond ik dicht met een touw.
‘Ik kon wel goed met de boerin opschieten, Alda. Als een van haar twee kleine kinderen ziek was, vroeg ze mij medicijnen te halen. Dan genoot ik van de mooie heuvelachtige fietsroute naar Homberg.
‘Een onkel van de boer kwam in huis wonen, nadat zijn woonplaats Kassel was gebombardeerd. Wij kregen de opdracht te helpen zoeken naar zijn meubels. Waar ik tussenin stond in Kassel zag er net zo uit als de beelden die je nu van Gaza ziet: puin, puin, puin – en angstige burgers. Bij elk luchtalarm vluchtten we een bunker in. Alles dreunde en schudde bij een bombardement, vooral de eerste keer dat je dat meemaakt, is verschrikkelijk. De volgende dag was ik down.
‘Die twee jaar dwangarbeid was van begin tot eind waardeloos. We werden verwaarloosd, waren alleen goed om te werken. Ik paste mij aan aan de situatie.’
Hoe was de weg terug naar huis?
‘Half mei 1945 bevrijdden de Amerikanen zonder een schot te lossen het dorp waar wij zaten. Een paar dagen later besloten de andere dwangarbeiders en ik weg te gaan. We namen afscheid van de boer en boerin, ze bedankten ons geen eens voor al het werk en gaven niks mee voor onderweg. Ik had schoenen en een broek gekocht van die Pool – het was een rotbroek, want de gulp ging iedere keer open. Toen we wegliepen, voelde ik mij als een duif die werd losgelaten.
‘De eerste nacht konden we eten en slapen bij een aardig boerenechtpaar. We namen al gauw afscheid van de Polen, die gingen naar het oosten, en van de Fransman en Italiaan, die richting het zuiden liepen. Na een paar dagen lopen ben ik met Joop en Aart – een Nederlandse jongen die vlak bij onze boerderij was tewerkgesteld – opgepikt door Amerikaanse soldaten en naar een Lager met Russische krijgsgevangenen gebracht, omdat ze het te gevaarlijk vonden op de weg. Er liepen veel gevangenen en dwangarbeiders, maar er waren ook nog Duitse en geallieerde soldaten. Gelukkig haalden de Amerikanen ons na korte tijd weg uit het Lager, met een truck brachten ze ons naar Limburg. Pffft, pffft, het geluid van de startende motor – dat was zo’n bijzonder gevoel.
‘Aangekomen in Limburg werden we eerst ontsmet met DDT, we zaten onder de luizen. De Amerikanen gaven ons daarna een stukje zeep, waarmee we ons mochten wassen onder de douche.’
Wim Langendoen schreef daarover: ‘Dat was de eerste keer in twee jaar. Een raar gevoel om weer water op je lijf te voelen.’
‘Ik kon niet meteen terug naar huis, want de weg naar Rockanje stond onder water. Twee maanden logeerde ik bij een mijnwerkersfamilie in Waubach, voordat ik naar huis kon.’
Hoe pakte u de draad weer op?
‘Thuis begon de ellende nog een keer. Ik wist mij geen raad, had het moeilijk. Ik voelde mij meer dier dan mens, ik gaf nergens meer om. Wat ik had meegemaakt, hield ik voor mij. Als het ’s nachts rommelde in mijn kop ging ik naar buiten, en keek naar de sterren. Verrek, dat hielp. Ik zag hoe mooi de sterren waren, ze maakten mij rustig.’
Zijn dochter Joke, aanwezig bij het interview, merkt op: ‘Ik heb hier lang niets van geweten. Pas sinds een jaar of vijf heb je mij veel verteld over deze tijd en de dwangarbeid.’
Haar vader vervolgt: ‘Na een paar maanden besefte ik dat ik wat moest gaan doen, maar ik had geen cent, niks. Ik dacht: ik waag het erop en ga een lening aanvragen bij de Boerenleenbank. Het werden drieduizend guldens, daar kon Wimpie mee uit de voeten. Er lag nog een stuk land van mijn opa dat ik kon kopen. Ik zette er een kas op en pootte druiven, Black Alicante en Golden Champions. Jaren later heb ik ook het huis van mijn opa kunnen kopen, inmiddels had ik mijn vrouw ontmoet. We wilden er na ons trouwen gaan wonen, maar dat mocht niet. De gemeente vorderde het huis vanwege de woningnood en zette er een gezin met vijf of zes kinderen in. Ik besloot in de tuin een klein houten huisje te bouwen voor mijn vrouw en mij. Onze eerste twee kinderen zijn er geboren. Na drie jaar kregen we ons huis terug. Nu woont mijn zoon er, die ook mijn tuinbouwbedrijf heeft overgenomen.’
U bent er dus in geslaagd na uw donkere periode een eigen bedrijf op te bouwen?
‘Door heel hard te werken, begon te slijten wat ik had meegemaakt. Van lieverlee dacht ik er niet meer aan. Tuinbouw vraagt al je aandacht. Er zijn mensen die tegen mij hebben gezegd dat ze het een prestatie vonden dat ik met mijn eigen bedrijf erin slaagde een gezin met vijf kinderen te onderhouden.
‘Later kwam er zevenhonderd vierkante meter aan kassen bij. Ik ging meloen verbouwen, kiwi’s, rode bessen, aalbessen, Ontario-pruimen, tomaten en groenten. Het is zo gegaan als mijn opa graag had gewild.’
Wim Langendoen
geboren: 21 januari 1924 in Rockanje
woont: zelfstandig, in Rockanje
beroep: tuinder
familie: vijf kinderen, drie kleinkinderen, een achterkleinkind
weduwnaar: sinds 2016
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant