Opiniecollega Nadia Ezzeroili muntte vorige week het woord ‘klassepopulisme’ op X. Een treffende benaming voor een fenomeen dat zo Hollands is als hagelslag. Ze kwam ermee naar aanleiding van de smakelijke rel rondom het vertrek van columnist Eva Hoeke, die haar voormalige collega’s als nepotistische grachtengordelmeisjes bestempelde, terwijl zij zich zelf uit de Zaanse favela’s thuiszorgde.
Zelf moest ik bij klassepopulisme vooral denken aan een potsierlijke uitwisseling tussen Frans Timmermans en Ronald Plasterk van afgelopen februari. Plasterk, die met een aanstellerig boomerhoedje naar het Concertgebouw gaat, pochte in een ‘portiekflatje’ te zijn geboren, waar hij ‘Haags leerde praten’.
Timmermans riposteerde dat Plasterk die arbeiders alleen van een afstandje heeft gezien, maar dat hij ze zelf echt kende! Een gênante vertoning van twee hoogopgeleide en welvarende 60-plussers, die daarmee ten onrechte suggereren dat het belangrijker is wie hun ouders waren dan wie zij zelf zijn.
Klassepopulisme is zelfbedrog, een uitvergroting van een piepklein kloofje tussen rijk en nog rijker, door middel van het romantiseren en overdrijven van een gewoonheid die vrijwel iedere Nederlander bezit, anders was het immers niet gewoon. Ondertussen doet de klassepopulist er alles aan die gewoonheid achter zich te laten, en erger nog, vindt hij dikwijls dat alle ongewone rijkdom hem toekomt. Door die gewone wieg.
Gewoonheid is het hoogst haalbare in een land dat twee keer zoveel pleziervaartuigbezitters als armen telt, maar desondanks massaal volksheid veinst. Dat is soms uit rancune – there’s always a bigger boat – maar vooral omdat de klassepopulist op de klompen aanvoelt dat bij privilege verantwoordelijkheden, zelfreflectie en andere vormen van volwassenheid horen. En daar zitten we niet op te wachten.
Nederland is een land waar de meute rijk en verwend is, maar zich vastklampt aan de bloembollenverhalen van opa en de krantenwijk van ooit, om het eigen egoïsme te rechtvaardigen. Maar wanneer verjaart die eenvoud? Ik zou zeggen: zodra de ongewoonheid intreedt.
Ik verdiende mijn eerste scooter met afwassen, en bij een kippenslachterij in Goor, werkte na een ongelukkige Zuidastijd 80 uur per week als pizzabakker, en wist succesvol ondernemer en mediamaker te worden zonder enige relevante opleiding of netwerk. En als kers op de taart heb ik een column bij de Volkskrant, als jongen van het Twentse platteland nota bene!
Maar ja, hoe waar dit allemaal ook moge zijn, de meute zal altijd beginnen over mijn achternaam, zilveren lepels en een erfenis waar ik dankzij de springlevendheid van mijn ouders gelukkig nog niets van heb gezien. Doodvermoeiend, maar het heeft als voordeel dat ik het nooit in mijn hoofd zal halen om mijn privilege of geluk te bagatelliseren. Ik heb mijn ongewoonheid allang omarmd.
Joris Luyendijk nam mij ooit een van mijn zeven vinkjes af toen ik te gast was in zijn podcast. Luyendijk vond opgroeien tussen soortgenoten een voorwaarde voor het zevenvinkjesschap en dat deed ik inderdaad niet; ik was de enige kakker in een straal van 20 kilometer. Sterker nog, ik moest tijdens de lange fietstocht naar school oppassen niet van de weg te worden gereden door een boerenzoon in een Opel Manta, die de jongen ‘van ’t kasteel’ wel even een lesje wilde leren.
Hoe sympathiek deze vinkjesdegradatie ook bedoeld was, ik blijf liever een trotse zevenvinker. Er is immers weinig sneuer dan het ontkennen van je eigen mazzel. Tegen de omhoogvallende bourgeoisie zeg ik: wees welkom bij de elite, lieve mensen! Er is plek zat, en we zijn gek op eenvoud. Al zien we die liever in het heden dan in een ver verleden.
Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.