Geen land was op de olympische roeibaan zo succesvol als Nederland. Een paar jaar geleden was dat nog compleet anders. Waar komt het succes vandaan?
Toen Eelco Meenhorst in 2013 aan de slag ging bij de roeibond, trof hij niet aan wat hij had verwacht. Hij kwam als ceo van een internationaal logistiek bedrijf. Hij koesterde hoge verwachtingen. ‘Ik dacht: topsport. Hier ga ik het meemaken. Hier ga ik wat leren. Maar het was niet heel gestructureerd en niet professioneel.’
Niet veel anders was de ervaring van Jabik-Jan Bastiaans, die in 2017 werd uitgenodigd aan de Amsterdamse Bosbaan, waar de nationale roeibond zetelt. Bastiaans had op de wielerbaan als trainer successen geboekt, met onder anderen Kirsten Wild. Misschien kon hij het Nederlandse roeien vlot trekken in een functie die de roeiers steevast aanduiden als ‘fysioloog’.
Bij de eerste kennismaking met het trio coaches van dat moment – naast Meenhorst waren dat vrouwencoach Josy Verdonkschot en hoofdcoach Mark Emke – voelde hij vijandigheid en onmin onderling, maar ook wantrouwen naar hem als buitenstaander. ‘Ik dacht: dit moet ik niet doen, want deze mensen willen me helemaal niet.’
Over de auteur
Erik van Lakerveld is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft met name over olympische sporten als schaatsen, atletiek en roeien.
Maar zaterdag staan de twee, Meenhorst en Bastiaans, beiden met tevredenheid aan de oever van het Stade Nautique in Vaires-sur-Marne. Karolien Florijn heeft net skiffgoud veroverd, de mannenacht zilver en Simon van Dorp in de skiff brons. Van dat laatste baalt Bastiaans een beetje. Er had meer in gezeten. ‘Daar is iets misgegaan’, zegt hij met een frons.
Maar met viermaal goud, drie keer zilver en eenmaal brons is Nederland beter dan Groot-Brittannië, toch de roeinatie bij uitstek. En beter dan die andere grote roeilanden Nieuw-Zeeland, Australië en Roemenië. Van een land met een bloeiende roeicultuur maar met niet eens zoveel olympisch succes is Nederland nu de grootmacht. Vraag aan Meenhorst waarom en hij prijst zijn roeiers. ‘Alle credits naar hen.’
Maar minstens zo belangrijk was de vernieuwende trainingsaanpak en een radicale verandering in cultuur. ‘We hebben al heel lang de potentie gehad, maar het te veel laten liggen.’
Meenhorst wist al lang dat zijn plan, zijn aanpak werkt. Neem de WK van vorig jaar in Belgrado, waar zes boten wereldkampioen werden. En eigenlijk was het daarvoor al duidelijk. Zijn boten deden het in Tokio al geweldig: de dubbelvier werd daar al olympisch kampioen, de dubbeltwee pakte ook toen zilver.
Toen was Meenhorst al een paar jaar met Bastiaans bezig met het verfijnen van het trainingsschema. De trainer had, net als de coach, inmiddels door dat wat de roeiers gewend waren te doen, niet rendeerde. Maar daarvoor moest hij wel eerst wat aannames uit de weg ruimen.
Bastiaans: ‘Toen ik begon, dacht ik dat roeien op hardlopen leek. Een professioneel hardloper, die loopt 10 à 12 uur in de week. Een professioneel wielrenner zit 20 uur op de fiets, soms 30.’
De roeiers trainden relatief weinig, maar wel hard. Klaagden na trainingen vaak dat ze vermoeid waren. Omdat te veel vermoeidheid contraproductief werkt, liet Bastiaans ze minder trainen. Maar ze gingen daar niet harder van roeien. Er was iets anders aan de hand. ‘In de loop van de tijd ben ik erachter gekomen dat het veel meer op fietsen lijkt.’
De korte, intensieve trainingen, vermoedt Bastiaans, waren vooral ingegeven door het leven dat de meeste roeiers naast hun sport leven. Er valt geen geld mee te verdienen, dus iedereen werkt of studeert erbij. Zeker in het verleden. En ook al zijn er de laatste jaren meer fulltimeroeiers, het trainingsschema veranderde niet werkelijk.
Bastiaans en Meenhorst kregen aanvankelijk niet de resultaten die ze verwachtten. Na het WK van 2018 in Plovdiv, waar bijna niets werd gewonnen, alleen twee bronzen medailles door de vrouwen, bekeken ze de trainingsdata eens goed. Stom dat ze dat nog niet eerder hadden gezien. ‘Toen we heel veel roeiden, waren we goed. Toen we minder roeiden, waren we minder goed. Geen rocketscience.’
Uren maken, moesten de mannen en vrouwen. Maar niet zoals wielrenners, want Bastiaans zag één groot verschil: roeien kun je verleren. Als een wielrenner bijvoorbeeld vanwege een blessure na een tijdje niet fietsen weer op het zadel kruipt, is er weinig verloren gegaan. Maar als de roeiers hun conditietraining op de fiets deden, dan ging hun roeivaardigheid achteruit. ‘Als je het niet onderhoudt, is het weg.’
En dus werd de wereld van de roeiers groter gemaakt dan alleen de Bosbaan. Meenhorst kreeg na vijf jaar frustratie eindelijk meer ruimte om zijn eigen ideeën uit te voeren, met de onderbouwing van Bastiaans. Zij stuurden in de jaren voor Tokio zijn mannen zelfs de ringvaart rond de Haarlemmermeer op voor een ronde van zo’n 60 kilometer. Uren waren ze onderweg. Het was een volkomen nieuwe ervaring voor de roeiers, die een hongerklop kregen omdat ze niet gewend waren in de boot te eten.
Bij de duizenden halen tijdens de duurtrainingen speelt een een heel specifieke karaktertrek van de roeibeweging nog een cruciale rol. Ook op een rustig tempo slijpen de roeiers dus de beweging die in de wedstrijden zo cruciaal is op de juiste manier in. Anders dan bijvoorbeeld bij schaatsers, die een heel ander gevoel op de ijzers hebben wanneer ze voluit een bocht in moeten dan wanneer ze kalmpjes aan pootje-over gaan.
Bij de scullersgroep (de roeiers met twee riemen) van Meenhorst geloofde iedereen al vroeg in de nieuwe aanpak en sloeg het ook het beste aan, al gaf Bastiaans ook vergelijkbare input bij de andere coaches. Het belangrijkste bewijs voor de visie van Meenhorst en Bastiaans werd in Tokio geleverd. Daarna ging de boel op de schop. Emke ging weg, Verdonkschot eveneens.
Meenhorst kreeg het rijk alleen. En toen volgde misschien wel de ingrijpendste stap: de hele indeling van groepen op de Bosbaan ging overboord. Geen scheiding meer tussen scullers en boordroeiers, mannen en vrouwen bij elkaar. En geen gekonkel meer tussen de oude eilandjes. Stef Broenink uit de zilveren dubbeltwee: ‘Het was voordien bijna zo dat de ploegen elkaar succes misgunden.’
De gemeenschapszin was overduidelijk aan de oevers van het Stade Nautique en al twee jaar lang is het een terugkerend thema als de roeiers over hun prestaties spreken. Hoe belangrijk het team is. Dan wordt niet alleen de boot, maar de complete selectie bedoeld.
Zonder slag of stoot ging de omschakeling niet. Vooral voor de vrouwen was het wennen. Zij stonden in de oude situatie het verst van de groep van Meenhorst af. Na jaren van veel explosievere trainingen moesten ze nu plots uren in de boot doorbrengen. En nog zo gek: allemaal met twee riemen kunnen roeien, want Meenhorst zet iedereen in de eenpersoonsboot, de skiff. Daarin kan hij tenminste duidelijk zien hoe goed ze kunnen roeien.
Dat is zeker voor diegenen die uit het studentenroeien komen schrikken. Bij de studentenclubs is boordroeien, in achten of in vieren, de norm. Veronique Meester, die na Tokio een paar maanden coschappen liep en toen aan de Bosbaan terugkeerde, wist niet wat ze meemaakte. Bijna iedereen die ze uit de begeleiding kende, was weg. Ze zat plots tijdens een trainingskamp niet in de haar zo vertrouwde twee-zonder, maar in een dubbeltwee. ‘Ik weet nog dat wij midden op dat meer lagen zonder coaches en dat ik dacht: wat zijn we hier aan het doen met z’n tweeën?’
Met de herschikking van de groepen veranderde ook de rol van Meenhorst. Hij is hoofdcoach, overziet de hele boel, maar is zelf geen coach meer van specifieke boten. Dat was voorheen wel het geval. Emke was hoofdcoach en degene die de acht onder zijn hoede had. Maar hij was ook degene die bepaalde wie er in die boot mocht.
Die dubbelrol van coach en keuzeheer had een ongewenst effect op de roeiers. Die hielden, als ze zich niet zo fit voelden of als het trainingsschema ze te zwaar viel, liever hun mond. Toen afgelopen voorjaar Karolien Florijn zich na terugkeer van de wereldbekerwedstrijden in Luzern te vermoeid voelde om direct weer door te trainen, besprak ze dat met haar coach en fysioloog. Voorheen deed ze dat niet. ‘Voor Tokio heb ik iets meer de schijn opgehouden als ik ergens pijntjes had of zo. Ik zei het dan maar niet, omdat ik uiteindelijk wel in de boot wilde komen.’
Sowieso werd de roeiers weinig gevraagd, zegt Broenink. Het was veel gebruikelijker dat de coaches één trainingsregime over een heel contingent roeiers uitsmeerden. ‘Als er dan iemand zei dat hij moe was, dan zei de coach: dat probleem ligt bij jou. Behalve als het een van de favorieten was, dan werd het schema aangepast. Voor iedereen.’
Ook Bastiaans merkte dat bepaalde roeiers meer invloed hadden dan andere. ‘Het was wel een beetje corporaal natuurlijk. Ik maakte op hoogtekampen wel mee dat de oudere roeiers allemaal privileges hadden. Dat zij de goede kamers kregen. Als ik vroeg waarom, dan was het antwoord: zo gaat het nu eenmaal.’
Niets gaat op de Bosbaan meer omdat het altijd al zo ging. Het gaat nu zoals het gaat omdat het roeiers beter maakt, omdat het prijzen oplevert. Maar ook omdat er nu met veel meer plezier wordt samengewerkt. ‘Missie volbracht’, zegt Meenhorst. ‘Ik ben een gelukkig mens.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant