Home

Vier atypische dagen op de wadtoren, waar wadwachters normaal de rust bewaren – maar nu vooral letterlijk wachten

De wadwachters van Rijkswaterstaat waken er elke zomer voor dat de vele dagjesmensen de rust op zandplaat Richel niet verstoren. Journalist Jantine Jongebloed vergezelt ze een paar dagen in hun mysterieuze zeehuis, om te schrijven over het wad en zijn bezoekers. Maar eh, waar blijven ze nou?

Hoewel ik al jaren regelmatig op Terschelling kom, viel-ie me pas op toen ik vorig jaar de veerboot vanaf Vlieland terug naar Harlingen nam: een witgrijze villa als een fata morgana op het spiegelende oppervlak van het drooggevallen natte wad. Zag ik het goed? Een paar maanden later, nu op weg naar Terschelling, was hij er opnieuw, wat meer in de verte. Ik had het niet verzonnen. Met hoogwater leek het huis te dobberen in zee, als in een hallucinante kinderdroom. Ik wist niet waar ik naar keek, maar ik wilde erheen.

Thuis googelde ik naar het mysterieuze zeehuis. Het gevaarte bleek ‘de wadtoren’ te heten. Een ‘mobiele werkplek’, eigendom van NIOZ, het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee. In de winter ligt het huis, gebouwd op een ponton, in de haven van Texel, tussen april en september wordt het versleept naar zandplaat Richel, een eilandje van zo’n 30 hectare voor de kust van Vlieland. Daar wordt hij een zomer lang bewoond door vrijwilligers van Rijkswaterstaat, die er de poëtische functie van ‘wadwachter’ vervullen. De vrijwilligers houden er in duo’s telkens een week de wacht, omdat het broedseizoen van vogels en het kraamseizoen van de gewone zeehond samenvallen met het watersportseizoen van de mens.

Over de auteur
Jantine Jongebloed is freelance journalist. Voor Volkskrant Magazine schrijft ze in interviews, essays en reportages. Om de week maakt ze de rubriek Week uit.

Richel is daarmee behalve voor lepelaars, kanoeten en zeehonden ook een populaire plek voor recreanten, die er aanmeren met hun zeekajak, of de zandplaat tijdens laagwater bereiken door droog te vallen met een schip. De wadwachters bewaren de rust en geven voorlichting over het Waddengebied, Unesco Werelderfgoed sinds 2009. In het online logboek dat de vrijwilligers bijhouden op de website van Rijkswaterstaat lees ik droge noteringen, haiku’s en zintuiglijke verslagen. ‘In de avond een vlucht regenwulpen. Ik zou mijn racefietsen inruilen om een keer mee te mogen vliegen. [...] Van de zeehond in de meest verre staat van ontbinding heb ik de kop losgesneden van luchtpijp en slokdarm. De schedel gaat mee naar huis.’

De paradox van de wadtoren

Dat wil ik ook. Ik leg contact met vrijwilligerscoördinator Annemarie Bembom, die de bemanning op de wadtoren coördineert. Ze nodigt me uit om vier dagen langs te komen voor een reportage in Volkskrant Magazine. Ik blijk niet de enige nieuwsgierige; de wachtlijst om wadwachter te worden is al jaren gesloten, Rijkswaterstaat komt om in animo van vogelaars en wadliefhebbers die zich net als ik aangetrokken voelen tot deze plek.

Bembom vertelt aan de telefoon over de paradox van de toren: hij ligt er om de rust op de plaat te bewaren, maar tegelijkertijd gaat er een enorme aantrekkingskracht van uit. Op een mooie zomerdag komen gerust zo’n tweehonderd mensen op bezoek. Het werk van de wadwachters is dan aanpoten. Enthousiast welkom heten, voorlichten, zwerfafval jutten, extra ogen voor betrokken partijen als de reddingsbrigade en de verkeerscentrale op de vuurtoren van Terschelling.

We spreken af dat ik me op een vrijdagochtend in juli meld in de nieuwe voorhaven van Harlingen, waarvandaan een inspectieboot van de Waddenunit – onderdeel van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur – me naar de zandplaat brengt. Daar zullen de ervaren wadwachters Regina en Arianne, die er dan al een paar dagen zitten, me welkom heten. Ter voorbereiding appt de vrijwilligerscoördinator me een lijstje van wat ik moet meenemen. Regenlaarzen, waterschoenen én gympen. Regenjas, dikke trui én zwemkleding. En dan nog een PS: het getij verschuift, soms is het overdag maar één keer laagwater, dan kun je een paar uur per dag van de toren af, verder ben je veroordeeld tot je gezelschap, of tot zwemmen.

Dag 1

Iets voor 8.00 uur ga ik aan boord van de ms Asterias, de neongele boot van de mannen van de Waddenunit, een soort boswachters op zee. Annemarie Bembom vaart ook mee, ze zal me zo introduceren bij de wadwachters. De lucht is grijs, net als de zee. Na een tocht van zo’n anderhalf uur ligt daar het zeehuis weer. Het water klotst tegen de muren, op het balkon ontwaar ik een zwaaiende vrouw. Bij het Fransche Gaatje, een kleine geul op een paar honderd meter voor de toren, stappen we van het schip over in een klein motorbootje, dat ons over een opeens heel wilde zee naar de ponton van de toren brengt. De horizon staat scheef. Mijn rugzak raakt doorweekt.

Op de benedenverdieping twee kleine slaapkamers met elk een stapelbed waar de wadwachters slapen. In de gang een groot bureau met uitgestalde schelpen, een wc en een douche die buiten gebruik is. Via een ijzeren trap bereiken we buitenom de bovenste verdieping, een gezellige huiskamer, zo’n 20 vierkante meter, met open keuken. Op de ijskast hangt een getijdentabel, waarop te lezen is wanneer we de toren af kunnen, en wanneer het water stijgt. Het is bevreemdend vanuit hier de zee te zien. Ik ken het uitzicht vanaf de boot, maar nu beweeg ik niet.

Regina Bruins (72), gepensioneerd directeur van een vrijwilligersorganisatie, en Arianne Lokker (66), gepensioneerd hr-manager, zijn al 34 jaar vriendinnen. Ze begroeten mij hartelijk, met een knuffel. Twaalf jaar geleden, vlak na de komst van de toren op Richel, solliciteerden ze samen naar de vrijwilligersfunctie van wadwachter, sindsdien misten ze geen seizoen op de toren. Regina kan aan het geluid van de klotsende golven tegen het staal van de toren inmiddels horen wat de stand van het water is, vertelt ze. ‘Kling klong, kling klong. Soms kan ik er niet van slapen, omdat ik het zo fascinerend vind.’

Uit het raam zie ik een zeehond, op drie meter afstand steekt zijn snuit boven het water. Regina en Arianne zijn hier al vanaf maandag. De afgelopen dagen was het druk. Grote zeilschepen en platbodems vanuit Harlingen, eentje met herstelde kankerpatiënten uit Duitsland, eentje met een schoolklas, er kwamen bodemonderzoekers langs, een groep jeugdwerkers op werkuitje, handkokkelvissers en zeekajakkers die hier aanlegden. Wie zouden er vanmiddag komen? We turen naar buiten. ‘Het is hoogwater nu, eigenlijk zouden de schepen die straks droogvallen nu al voor de deur moeten liggen’, zegt Arianne. De zee is leeg, op de veerboot naar Terschelling na. Misschien vanavond?

Na een kop thee en mijn meegebrachte zeebanketchocolaatjes vertrekt Bembom met de Waddenunit terug naar wal. Ik ben alleen met de vrouwen. Pas nu ik in hun huisje sta, begrijp ik wat het betekent dat ik met ze mee mag kijken. Op de salontafel half uitgelezen boeken, waxinelichtjes, een notitieboek. Ze werken niet alleen, ze léven hier een week. Ik rol mijn slaapzak uit op de hoekbank naast de voorraadkast, die gevuld is met pannenkoekenmeel, wijn en toastjes. De komende vier dagen is dit mijn slaapkamer en ik voel me alsof ik bij twee bonusmoeders op bezoek ben.

Regina neemt me even apart. Ze weet dat ik een reportage kom maken van mijn dagen en hun werk hier, maar wat wordt nou precíés het verhaal, wil ze weten. ‘Het wordt geen persoonlijk verhaal, toch?’ Zo dicht op elkaars lip kan het snel intiem worden, weet ze. ‘Maar wat we hier binnen bespreken hoeft voor mij niet in de krant.’ Nee hoor, verzeker ik haar. Blik naar buiten. Dit wordt een verhaal over het wad. Over die tegenstelling van beschermen en verwelkomen.

Na de lunch kunnen we voor het eerst van de toren. Als ik via de rode ladder naar de zeebodem afdaal en mijn laarzen op het glibberige wad zet, voelt het alsof ik voor het eerst op de maan land. We wandelen langs de zuidkant van de plaat, via de gele bordjes die het voor de mens verboden deel aangeven, omdat daar vogels en zeehonden rusten. Op de groene duintjes aan de linkerkant, waar gras en zandraket groeit – een hoogwatervluchtplaats voor tienduizenden vogels – droogt een rij van pikzwarte aalscholvers hun vleugels.

De wadwachters vertellen over het leven op de plaat. Ruim 80 procent van de grijzezeehondpopulatie in Nederland wordt hier op Richel geboren. Ze wijzen me op de vele gaatjes in de zeebodem. ‘Vogels eten zo diep als hun snavel reikt. Zo is er voor ieder wat wils’, vertelt Arianne. De kanoet eet nonnetjes, de wulp kan met zijn kromme snavel goed bij de wadpieren. We jutten een leeggelopen plastic wensballon en vinden een dode zeehondenpup, de oogkassen al leeggegeten.

Die avond terug op de toren maakt Regina een gin-tonic voor me, Arianne schenkt een biertje in. Ze vertellen dat er soms fonkelend zeevonk in de wc drijft, die we doorspoelen met zeewater. De regen sijpelt langs de ramen. In de verte een rood knipperende boei langs de vaargeul, daarachter het licht van de Brandaris. Morgen komen de mensen, voorspellen we. De zomervakantie in het zuiden is begonnen, goede kans dat er pleziervaarten zullen zijn. Het is het laatste staartje van een overdaggesprek, daarna blijven de gesprekken over de buitenwereld buiten. Binnen praten we over moederschap, ademnood en scheidingen.

Dag 2

Ik word wakker van het licht dat al om 05.30 uur langs de gordijnen piept. Het water is rustig, er is hooguit een enkele vissersboot. De wadwachters slapen nog. Ik klim de ladder af en laat me in het koude water zakken. Mijn bikini ligt binnen, die is mee voor de show.

Aan het einde van de ochtend, als het water zich heeft teruggetrokken en ons eiland weer tevoorschijn komt, lopen we een grote ronde langs de andere kant. We kijken naar de vele mosselbanken, vinden een grote dode gevlekte zeehond, waar meeuwen de darmen uit rukken, en zwerven al afvalrapend over de plaat tot we om 15.00 uur een nieuwe boot naar Vlieland zien varen, die ons eraan herinnert dat het hoogtij eraan komt en ons naar binnen delegeert.

Na een half uur terug op de post begint het te hozen. ‘Een krachtige noordwester’, duidt Arianne. Het hozen is slagregen geworden. De toren schudt. Er klinkt een harde knal. We zien dat een deel van de buitentrap door de wind van de toren is gerukt, de weg naar beneden is versperd. We zijn beland in wat de NOS een ‘voorlopig naamloze storm’ noemt. Windstoten tot 100 kilometer per uur razen om ons heen en wij zitten als drie Rapunzels boven in de toren. De ponton waarop het huis is gebouwd, is verzwaard met zo’n 100 ton water dat ons stevig aan de grond houdt, dus we drijven niet, zoals ik aanvankelijk dacht, we liggen vast. Vorig jaar overleefde de wadtoren ook storm Poly, wordt me verzekerd, maar ik zie dat ik niet de enige ben die een beetje ongerust is.

Ik maak met mijn telefoon een timelapse van de wind die het zand over het wad blaast en kijk naar de kleine strandlopertjes, die steeds een stap naar rechts waaien, als stukken op een schaakbord die worden opgetild en verplaatst in paardensprong. Via de telescoop zie ik de logge veerboot van Doeksen de woelige zee trotseren. De wc op de benedenverdieping is door de weggewaaide traptrede onbereikbaar geraakt, de weersverwachting vertelt ons dat we sowieso nog minstens een uur of drie moeten binnenblijven, willen we niet worden meegesleurd richting Vlieland.

Als het begint te onweren maken we een plan voor als een van ons toch moet plassen. We spreken af de plastic prullenbak in de woonkamer te gebruiken. De rest zal de andere kant op kijken. Aan de rand van de plaat schuifelen drie foeragerende lepelaars in het halfhoge water voorbij. ‘Ze komen graag met regen en mist, zodat de visjes hun schaduw niet zien’, vertelt Arianne, dankbaar dat ze haar wondere kennis bij iemand kwijt kan nu er ook vandaag geen bezoeker naar onze mooie plaat is gekomen. ‘Het leven is als eb en vloed, en zo onvoorspelbaar als de natuur.’

Morgen. Morgen is het zondag. Dan komen de boten. Als het geen schoolklassen of familieuitjes zijn, dan op z’n minst de handkokkelvissers die Arianne en Regina voor mijn komst hebben ontmoet en hier aan de rand van de plaat een kokkelperceel pachten. We zitten in joggingbroek en dikke trui met opgetrokken benen op de bank die zo weer mijn bed wordt. We praten over ingewikkelde familiebanden, over een kinderwens en euthanasie.

Dag 3

Om niet één maar twee keer laagwater mee te maken, besloten we gisteravond de wekker vroeg te zetten, zodat we vóór 07.00 uur ook nog even naar buiten kunnen. Tijdens de knaloranje zonsopkomst wandelen we de zeebodem over. Ik word op kompaskwallen gewezen, op het witte rugschild van een zeekat, die je in een kanariekooi kunt hangen, op de roze zeesterretjes die in lege kokkels huizen.

Met hoogwater zwemt Regina een rondje om de toren. Als ik vraag of ze het goed vindt dat ik een foto maak, trekt ze een onderbroek en sportbeha aan. Buiten de camera zwemmen we bloot, natuurlijk, want er is hier niemand – nog altijd niet. We turen door de verrekijkers en de telescoop over het water. Dichtbij zwemmen zeehonden, bij de horizon drijven tjalken, als eenwielers op een balanceerkoord. Iedereen waait naar de wal van Harlingen, niemand gaat voor anker om straks naar ons toe te kunnen wandelen. In het papieren logboek op de eettafel lees ik over een dag uit een eerdere zomer. ‘Nog maar net het ontbijt achter de kiezen en we zien, pal achter elkaar, twaalf bruine vlootschepen als het ware inparkeren.’

Aan het einde van elke werkdag vullen de wadwachters op een iPad in hoeveel schepen er waren, hoeveel wandelaars, hoeveel bezoekers op de toren, hoeveel honden (aangelijnd of niet), welke verstoringen er zijn waargenomen. Het spannendste dat vandaag gebeurt: een groep van minstens vijftig meeuwen vliegt driftig rond de toren, op jacht naar een oud stuk krentenwegge dat vanmiddag van mijn bord is gewaaid. Geen handkokkelvissers, zoals beloofd, geen kajak, geen schoolklas. Maar het kan nog komen, verzekeren de vrouwen mij. Wacht maar. Wie weet. Op haar telefoon laat Arianne een foto van een muurschildering in Leiden zien, die de neef van Regina heeft gemaakt. Het is een gedicht van Vasalis.

Ik ben een oceaan van wachten, / waterdun omhuld door ’t ogenblik. / Zuigende eb van gemoed, / dat de minuten trekt en dan de vloed / diep in zijn duisternis bereidt. / Er is geen tijd. / Of er is niets dan tijd.

We bakken pannenkoeken. Iemand leest, de ander breit. We praten over kanker, kleinkinderen en ouder worden. Over ADHD, medicatie en miskramen. Morgen neemt een nieuw wadwachtersduo het van ons over. Om 10.00 uur worden we weer opgepikt, dan zit onze tijd erop. Zou er nog iemand komen?

Dag 4

Ik hoor dancemuziek en zware, opgewonden mannenstemmen. Het is 5.00 uur en hoewel ik begin te wennen aan het vroege wakker worden, zijn deze geluiden nieuw na drie dagen met mijn vrouwen. Ik open de gordijnen en zie een grote vissersboot op het droge – zo’n 200 meter van de toren. Aan dek wappert een bescheiden piratenvlag. De handkokkelvissers zijn gekomen. Er is leven op de plaat! Ik loop naar ze toe en zeg hallo. Hallo! Ik heb vier dagen op jullie gewacht!

Ik kan niet inschatten of ze zich vereerd voelen. Drie mannen in waadpakken duwen lichtgele pvc-buizen in het wad, om hun perceel uit te zetten. Handkokkelvisser Sander sleept een rubberbootje achter zich aan, waar hij zijn vangst in zal verzamelen. Dan begint een sensueel heen en weer bewegen, of ‘achteruit neuken’, zoals de handkokkelvissers het zelf noemen. Ze slepen hun netten over de bodem om de kokkels los te krijgen. Ik blijf even kijken. Als het water komt, beginnen mijn rode regenlaarzen vol te lopen. Tevreden met mijn vangst wandel ik terug.

Om 08.30 uur nemen de vissers een pauze op hun schip, daar wachten ze samen tot het water weer zakt. Als ik vanaf mijn toren door de verrekijker naar de boot kijk, zie ik op het dek een knappe jonge kokkelman, ontdaan van zijn waadpak, in enkel zijn onderbroek in de zon staan. Ik stoot de vrouwen aan. We kijken om de beurt door de kijker. Het leven op het wad is een oefening in geduld. Maar dan heb je ook wat.

Tot we worden opgehaald praten Regina, Arianne en ik op het balkon over het gemis van onze mannen thuis, over waar we naar verlangen en waar we tegen opzien deze week. We praten over de intimiteit van onze dagen hier. Maar daarover schrijf ik niet.

Op het moment van schrijven ontvangt Regina een update van een volgende wadwachter, die ze doorstuurt: ‘Vandaag liggen er meer dan twintig schepen voor Richel. Honderd mensen op de plaat, 45 op de toren.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next