Het werk van Wouter Godijn werd zó lang niet opgemerkt dat hij gehecht raakte aan mislukken – tot dat mislukken ook mislukte. Godijn schreef immers een heel oeuvre bij elkaar, waaronder het goed besproken Meneer L en het meisje.
Op de achterflap van Wouter Godijns meest recente roman Meneer L en het meisje staat de volgende blurb van Librisprijswinnaar Rob van Essen: ‘Waarom de romans van Wouter Godijn niet het aantal lezers hebben dat ze verdienen, is een van de grootste raadsels van de Nederlandse literatuur’.
‘Ja, dat is aardig van Rob’, zegt Godijn (69), zittend op de paarse bank in zijn seniorenflatje, vlak bij de Hoornse plas in Groningen. In de woonkamer staat een grote boekenkast, op de grond liggen hier en daar boeken, kranten en andere paperassen.
U krijgt goede recensies, ook in deze krant, maar het grote publiek heeft u nog steeds niet gevonden. Wat is uw verklaring?
‘Het wordt wel beter, er zit weer een bochtje in. Van een van mijn eerste romans heb ik er ooit maar 172 verkocht. Dat is nu niet meer zo. De laatste twee lopen beter. Wat een rol zou kunnen spelen, is dat ik na mijn prozadebuut een tijdje veel poëzie heb gepubliceerd. Die poëzie kreeg aandacht, maar leverde mij ook een beetje het imago op van een moeilijke schrijver. Het is ingewikkeld om daar dan weer van af te komen.’
Over de auteur
Laura de Jong is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk, zowel fictie als non-fictie.
Toch moet ik ook een beetje denken aan Anjet Daanje, die andere Groningse schrijver die lang niet werd erkend.
‘Ik ben pas op mijn 42ste gedebuteerd. Lang heb ik gedacht: nou, ik ben dus zo iemand bij wie alles altijd mislukt. Ik raakte ook erg gehecht aan het mislukken, want dat heeft iets definitiefs en zuivers. Van alles wat lukt, kun je je afvragen of het wel iets voorstelt, mislukken is absoluter en definitiever, boven elke twijfel verheven, als het tenminste een mooie, grondige mislukking is.’
Grinnekend: ‘Maar op een gegeven moment is het mislukken toch mislukt. Want inmiddels heb ik een oeuvre geschreven! Soms heb ik een aanvalletje van grootheidswaanzin, dan denk ik: waar blijven die chique auto’s met prijzen?’
Meneer L en het meisje is een buitengewone roman, Godijn tuigt een wereld op die een kruising is tussen Tonke Dragts De brief voor de koning en Astrid Lindgrens De gebroeders Leeuwenhart met daarbovenop een vleug Rob van Essen, Tolkien en Tarantino. Over de 8-jarige Wout, die ’s nachts wakker wordt gemaakt door een meisje uit zijn klas, Katja. Ze neemt hem mee op een waanzinnige tocht om de duistere Meneer L uit te schakelen en zo het kwaad in de wereld te bestrijden. Een roman over goed en kwaad, geloof, en heldendom. ‘Als ik deze roman compact moet omschrijven, dan noem ik het een bastaardkind van de fantasy en de literatuur. Twee waarvan je denkt: gaan die het echt met elkaar doen? Dan krijg je dus dit.’
Speelt u bewust met die genres?
‘Dat gebeurt gewoon. Maar ik heb nu acht romans geschreven, je kunt wel zeggen dat ik een sterke neiging tot het fantastische heb. Dat is waarschijnlijk wat mij enigszins verwant maakt aan Rob van Essen. Die schrijft bijna nooit een gewone, realistische roman. Dit boek gaat over de vraag: Wat betekent volwassenheid? In hoeverre zijn volwassenen volwassen? Ik heb een sterke herinnering aan hoe leuk het als kind was om bepaalde boeken te lezen. Dat heb ik willen overbrengen in dit boek.’
Hoe begint u met schrijven?
‘Dat is geen rationeel proces. Op het moment dat er nog helemaal geen boek is, richt ik mij tot een soort, ik weet niet precies wat het is, een soort ruimte, of laten we zeggen de god van de literatuur. Die zit dan nog achter dikke wolken. Maar als er iets komt, krijg je een mengsel van beeld, geluid, stukjes proza – het is half film. Je begint al stemmen te horen. En heel snel ontwikkelt zich dan een idee voor een boek.’
Maar hoe komt u in die ruimte?
‘Ik moet mezelf eerst in een toestand brengen waarin ik dat kan voelen en kan schrijven. Dat duurt soms best lang. Ik kan wel drie kwartier bezig zijn met mezelf op te draaien. Je ziet hier stapels kranten, boeken en tijdschriften op de grond liggen, waar ik dan stukjes in lees en op een gegeven moment ga ik over in mijn eigen proza. Dat doe ik nog ouderwets met een bloknoot en een pen. Soms staat er binnen 10 minuten opeens een hele lap op papier, dan zit ik zelf ook te kijken: die hand gaat wel hard heen en weer. Later ga ik alles herschrijven, invoeren en bewerken op de computer.’
Was het moeilijk om vanuit het perspectief van een 8-jarig jongetje te schrijven?
‘Voor mij niet. Ik kan kennelijk makkelijk terugkeren naar het kind-zijn, dat geldt ook voor mijn andere boeken. Mijn herinneringen aan mijn kindertijd zijn vooral paradijselijk. Ik voel me wat dat betreft verwant aan de heimwee zoals Nabokov die kan beschrijven. Dat klinkt aanmatigend, want Nabokov is zo’n grote schrijver, naast hem voel ik me een mierachtig wezentje, hoor.’
Het personage Katja is een heldin, ze durft en kan alles.
‘Als jongetje dacht ik bij helden aan mannen. Maar inmiddels heb ik daar toch wel grote twijfels over, als je kijkt naar de wereldgeschiedenis met afgrijselijke mannen als Poetin en Xi. In dit boek zit het grote heldendom dus veel meer in de vrouw. Een wereld met vrouwen aan de macht zou ons misschien ook teleurstellen, maar minder agressief zal het wel zijn.’
Wilde u als kind al schrijver worden?
‘Ja, ik wilde schrijver worden bijna vanaf het moment dat ik het alfabet had geleerd.’
O, wat geweldig.
‘Dat weet ik niet, het werd een zware last op een gegeven moment. Als ik eerlijk ben, heb ik het meeste succes gehad als kind. Toen begon ik met verhalen schrijven, dat was op kinderniveau een succes. Iedere nieuwe schooljuffrouw ontdekte weer: wat een geweldige verhalen kan die jongen schrijven.
‘Behalve dat ze me overlaadden met tienen bedachten die schooljuffrouwen altijd om die verhalen voor te lezen aan de klas. Dat vond elke klas geweldig, ik concurreerde alle beroemde kinderschrijvers van het podium af, ook Annie M.G Schmidt en Tonke Dragt. De klas begon te zeuren: Juf, mag het verhaal van Wouter weer, die is veel beter.’
Waarom bent u dan niet eerst kinderboeken gaan schrijven?
‘Ik denk dat ik bang ben geweest dat ik volwassen worden dan echt moeilijk zou gaan vinden. Dat ik te zeer een kind zou blijven. Daarom ging ik proberen een grote-mensenschrijver te worden, daar bracht ik heel lang niks van terecht. Ik was toch wat faalangstig geworden. Het is niet voor niets dat ik pas ben gedebuteerd nadat mijn ouders waren overleden. Er was minder druk, zij waren erg vol van mijn succes als kind.’
In Meneer L en het meisje speelt de moeder van Wout een belangrijke rol op de achtergrond. Lijkt ze op uw moeder?
‘Ja, mijn moeder vertoonde veel overeenkomsten met de moeder in dit boek. Ik wil er niet te veel over zeggen, maar mijn moeder was, net als die in het boek, een vrouw met grote psychische problemen en depressies. Al maakte ik dat allemaal vervormd mee als kind. We hadden een sterke band. Ik ben daardoor van jongs af aan bekend met de blik die de afwijkende mens op het leven werpt.
‘Ik ben het niet eens met de hedendaagse psychologie, die een soort dualiteit schept tussen de psychisch zieke en de normale mens. Ik denk dat juist degene met een afwijkende blik sommige aspecten van het bestaan scherper ziet. Als de oermens een positieve visie op het leven had gehad, renden we nu nog in berenvellen met knuppels rond. Het is degene die ‘nee’ zegt die voor vooruitgang zorgt. Dat heb ik als kind geleerd door het contact met mijn moeder.’
In de roman is zij op de achtergrond een houvast.
‘Ja, ze helpt Wout. Maar aan de andere kant is ze jaloers, wil ze niet dat haar zoon zich laat inpakken door Katja, ze wil hem voor zichzelf.’
Als lezer hol je steeds achter de hoofdpersonen aan. Holde u als schrijver ook maar door?
‘Ik kreeg energie van dit verhaal. En het schrijven zelf brengt mij meestal in een euforische toestand.’
Bent u gedisciplineerd?
‘Zeker, maar dat heeft mij vroeger ook verlamd. Toen ik jong was, hoorde ik altijd dat je hard moest werken, ploeteren. Ik had groot ontzag voor Flaubert en las zijn brieven. Daar stond dan dat hij acht uur lang had gewerkt en één woord op papier had gezet. Ik dacht dat je dus enorm op de pijnbank moest liggen om te schrijven, moest lijden. Als het schrijven niet lukte, dan ging ik maar door. Ik bleef uren en uren zitten en werd helemaal gek. Terwijl ik nu weet of het vloeit of niet. En als het niet lukt, houd ik het die dag voor gezien, want dan wordt het niets.’
U zei net dat u uw personages hoort spreken, is dat de reden dat u sommige woorden fonetisch uitschrijft?
‘Ja, het is wel mooi om het even te noemen, want mijn uitgever moppert daar weleens over. Maar juist met dat fonetische kun je laten zien hoe iemand iets bedoelt, in welke stemming hij of zij verkeert. Dat vind ik belangrijk om te laten zien, omdat het iets zegt over het personage.’
Maar het schrikt sommige mensen af.
‘Ja, maar wat heb ik daarmee te maken? Ik houd wel rekening met wat uitgevers zeggen, maar ik blijf bij een idee als ik het een goed idee vind.’
Wat is volgens u goede literatuur?
‘Ik vind het toch het allermooist als er zowel qua inhoud als qua vorm veel op het spel staat. Als ik het idee heb dat de auteur het uiterste uit de taal probeert te halen. W.F. Hermans sabelde bijvoorbeeld de katholieken in Nederland helemaal neer. Hij kreeg er een proces voor aan zijn broek, in 1952, maar een groot verschil met nu is dat hij niet voor zijn leven hoefde te vrezen.
‘Als je nu bijvoorbeeld de islam belachelijk zou maken, moet je er rekening mee houden dat je je leven niet meer zeker bent. Er is dus, behalve Lale Gül, die ik vanwege haar moed zeer bewonder, nauwelijks een auteur in Nederland die hier zijn vingers aan durft te branden.
‘Ik volg de Nederlandse literatuur helemaal niet zo goed, maar ik heb het idee dat er druk is om politiek correct links te zijn, ook in romans. Die druk komt vooral uit de minder tolerante linkse hoek. En dan is er, door de teruglopende verkoop van literatuur, de druk die uitgevers uitoefenen door van schrijvers te vragen hun werk meer mainstream en toegankelijk te maken – dat geldt vooral voor de stijl. Helder proza, dat de lezer onmiddellijk snapt, dat willen ze.
‘Ik vraag me af of er in het literaire klimaat überhaupt nog plaats zou zijn voor conservatieve auteurs zoals Hermans en Reve dat waren. In die zin vind ik de literaire wereld momenteel benauwd en voorzichtig.’
Heeft u daar een voorbeeld van?
‘Een roman als Hogere machten van Joost de Vries. Of Café Dorian van Gilles van der Loo. Het zijn allebei goed geschreven romans. Ook interessant en zo. Maar het is veilig allemaal. Hogere machten is vergelijkbaar met de betere Engelse kostuumfilm. Romantiek, mooie personages, de acteurs spelen erg goed. Een meeslepend verhaal, maar De Vries kan zich er helemaal geen buil aan vallen. Hetzelfde geldt voor Café Dorian, mooi verhaal, indrukwekkend grote kennis van de horeca, maar dat is het. Niet dat ik denk, had ik dat maar geschreven. Ik zou wel zo goed willen zijn als John Banville of Jeroen Brouwers.’
U was bevriend met de overleden schrijver Nanne Tepper. Begeeft u zich nog in schrijverskringen?
‘Ja dat was mijn beroemde vriendschap, zou je zo kunnen zeggen. Wij woonden in onze studententijd in hetzelfde pand. Ik wilde schrijver worden en heb Nanne toen ook op dat idee gebracht. We hebben elkaar in die zin geïnspireerd en dat was met nog meer dingen het geval. Maar dat is allemaal wel lang geleden.
‘Door problemen met mijn gezondheid kom ik nu niet zoveel meer in de Nederlandse schrijverskringen. En Rob van Essen is in België gaan wonen. Ik zou kunnen zeggen dat Lize Spit, zijn vrouw, hem van mij heeft afgepakt, haha! Hij gaat nu helemaal op in een nieuw leven in België. Hij is voor het eerst getrouwd. Ik had daar graag heen gewild, maar dan had ik moeten reizen en er is iets mis met mijn afweersysteem.’
Want hoe gaat het met uw gezondheid?
‘Nou ja, die is wat kwetsbaar. Ik heb dus een ziekte. Waarschijnlijk MS, maar ik heb er een tijd niks meer aan laten onderzoeken. De ziekte brengt met zich mee dat ik snel iets oppik en dan duurt het lang voor het weer is afgezakt. Dus ik ben voorzichtig.’
Is schrijven een afleiding van uw zwakke gezondheid?
‘Zeker, en ik heb genoten van het schrijven van Meneer L en het meisje. Dat gebeurde middenin de coronaperiode. Ik zat hier in een soort bunker. En tegelijkertijd is het me bijgebleven als misschien wel de mooiste reis die ik ooit heb gemaakt – ik ben niet zo’n reiziger in werkelijkheid. Terwijl het boek ook vol gruwelijkheden zit. Ja, ik vond het echt prachtig om de wereld van Wout en Katja in te trekken.’
Wouter Godijn: Meneer L en het meisje. Atlas Contact; 384 pagina’s; € 23,99.
Wouter Godijn (1955) is de schrijver van acht romans en negen dichtbundels. Hij groeide op in Den Haag maar woont sinds zijn 20ste in Groningen. Zijn poëzie werd bekroond met de Jan Campertprijs. Zijn roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013), werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant