Home

Zoeken naar economisch succes – kan de droom van Indonesië uitkomen?

Slechts weinig landen dringen door tot de exclusieve club van hoge-inkomenslanden. Indonesië hoopt er in 2045 in te slagen, maar het land kiest een eigen route; het volgt niet het driestappenplan dat de Wereldbank deze week presenteerde.

Indonesië heeft een droom. Met een eigen naam en een website: Indonesia Emas 2045 (Gouden Indonesië 2045). Want in 2045 is het honderd jaar geleden dat het land onafhankelijk werd van koloniale overheerser Nederland. Indonesië hoopt dan toe te treden tot de exclusieve club van hoge-inkomenslanden. Dat zijn landen waar inwoners minimaal 13 duizend euro per jaar verdienen en waar zowel hun levensverwachting en opleidingsniveau hoog zijn. Zoals in buurland Singapore, of – inderdaad – Nederland. Voor de zestiende economie ter wereld, met 275 miljoen inwoners verspreid over zeventienduizend eilanden, zou dat een enorme prestatie zijn.

Maar gaat dat ook lukken? Alle landen in de wereld hopen uit te groeien tot een hoge-inkomensland (voorheen Eerste Wereld), maar de meeste blijven al snel steken of glijden zelfs terug. Slechts 86 landen (van de 217) mogen zich volgens de Wereldbank hoge-inkomensland noemen. Succesverhalen zoals dat van Zuid-Korea, dat zich binnen twee generaties dankzij een uitgekiend overheidsbeleid weet op te werken van een arme landbouweconomie tot een mondiale krachtpatser, inspireert menig regeringsleider. Rusland en Bulgarije zijn net lid geworden, China mikt op 2035, India hoopt op 2047. Alleen: dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Over de auteur
Noël van Bemmel is correspondent Zuidoost-Azië voor de Volkskrant. Hij woont op Bali.

Wonderen verrichten

Daarom publiceerde de Wereldbank deze week praktische adviezen in haar jaarlijkse World Development Report 2024. De multinationale ontwikkelingsorganisatie signaleert dat de meeste landen niet verder komen dan zo’n 8.000 dollar inkomen per jaar, zeg maar eentiende van wat een gewone Amerikaan verdient. Hoofdeconoom en opsteller van het rapport Indermit Gill waarschuwde in 2007 al voor de Middle income trap (MIT), een valkuil waar menig regeringsleider slapeloze nachten van krijgt.

Wie in de MIT belandt, komt daar bijna niet meer uit. Slechts 34 landen wisten sinds 1990 door te groeien, vaak omdat ze lid mochten worden van de Europese Unie. Goed nieuws voor 250 miljoen inwoners die hun leven flink zien verbeteren, maar om moedeloos van te worden voor de zes miljard wereldburgers die nog in een middeninkomensland (1.050-12.790 euro inkomen per jaar) wonen. Daar komt bij: vergrijzing, toenemend protectionisme en de klimaatcrisis maken het volgens de Wereldbank moeilijker dan ooit om door te groeien.

‘We zijn niet naïef’, schrijft hoofdeconoom Gill in zijn voorwoord. ‘Middeninkomenslanden zullen wonderen moeten verrichten – niet alleen om zichzelf op te trekken naar het niveau van hoge-inkomenslanden, maar ook om een groeipad te vinden dat niet leidt tot ecologische destructie.’ De Wereldbank helpt landen al meer dan vijftig jaar bij het beklimmen van de inkomensladder en stelt op basis van die ervaring een driestappenplan voor. De onderzoekers delen pluimen uit aan uitblinkers als Korea, Chili en Polen en schuiven Brazilië naar voren als voorbeeld hoe het vooral niet moet. Hun boodschap: volg onze strategie, hoe pijnlijk ook voor lokale bedrijven en machthebbers, en je maakt als land nog een kans de gevreesde valkuil te vermijden en door te groeien tot de happy few.

Creatieve destructie

Het advies past op een servetje. Stap 1: bouw een industriesector op en maak gebruik van het grote aantal jonge en goedkope arbeidskrachten in je land. Stap 2: haal kennis uit het buitenland en zoek aansluiting bij de internationale markt. Stap 3: ontwikkel zelf kennis en innoveer (invest, infuse, innovate). Veel middeninkomenslanden, waarschuwen de onderzoekers, kampen met een onbalans: de conservatieve krachten die vernieuwing tegenhouden, zijn te sterk. Anders gezegd: ondernemers en bestuurders die hun belangen beschermen, houden creatieve destructie tegen.

Die term bedacht de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter in 1942 om de marktdynamiek te omschrijven: het ene bedrijf kan ontwikkelingen niet bijbenen en gaat failliet, het andere bloeit juist op. Up or out, voegt de Wereldbank daaraan toe: of je groeit, of je gaat failliet. Heel normaal op bijvoorbeeld de competitieve Amerikaanse markt, maar niet in middeninkomenslanden als India, Mexico of Peru. Daar kunnen bedrijfjes met minder dan vijf werknemers decennia overleven. Mede daarom, stelt het rapport, zitten die landen stevig vast in de MIT.

Die stagnatie doet zich ook voor in Indonesië. De grootste economie van Zuidoost-Azië groeit gestaag met 5 procent per jaar, maar fase 3 – zelf innoveren – lijkt nog mijlenver weg. De razendsnelle trein die sinds kort tussen Jakarta en Bandung zoeft, is gemaakt in China, voorgeschoten door China en wordt bestuurd door een Chinees. Pogingen om zelf een auto of een vliegtuig te bouwen die zich kan meten met de internationale concurrentie, zijn gestaakt.

De eigen industrie loopt achter en de Indonesiërs moeten genoegen nemen met rammelende auto’s, lekkend sanitair of haperende communicatiemiddelen. Fabrikanten voelen geen druk de kwaliteit te verbeteren, want de superieure spullen uit het buitenland worden geweerd met torenhoge importtarieven. Zo probeert Indonesië de eigen markt te beschermen – tot genoegen van een groep oligarchen die schatrijk wordt – maar duwt de overheid het land ook juist steeds dieper de middeninkomensval in. De archipel hangt nu ergens tussen stap 1 en stap 2, met een gemiddeld jaarinkomen van 4.500 euro per inwoner. (Ter vergelijking: de gemiddelde Nederlander verdient 57 duizend euro).

Buitenlandse kennis en kunde

‘Indonesië beweegt juist de verkeerde kant op’, zegt Bhima Yudhistira, directeur van de Indonesische economische denktank Celios. De afgelopen tien jaar koos de regering volgens hem voor meer protectionisme, niet voor minder. Mede omdat oligarchen politieke invloed kunnen kopen. ‘Buitenlandse kennis en kunde bereikt maar moeizaam ons land.’ Buitenlandse investeerders denken volgens de onderzoeker drie keer na voordat zij investeren in een land waar inefficiënte staatsbedrijven domineren, beroepsopleidingen tekortschieten en waar bureaucratie en corruptie de kosten onnodig opschroeven. ‘Dan gaan ze liever naar een ander land.’

Volgens Bhima klopt het stappenplan van de Wereldbank in grote lijnen, maar is de ontwikkeling van ieder land uniek. ‘Indonesië is juist aan het de-industrialiseren!’ Die tegendraadse trend kan volgens hem slechts worden gekeerd met een passend industriebeleid: nog meer investeren in infrastructuur, concurrentie bevorderen, export stimuleren, opleidingen verbeteren, onderzoeksbudgetten verhogen, corruptie bestrijden, milieuregels respecteren en nog veel meer. Maar zelfs als dat allemaal zou lukken, waarschuwt de macro-econoom, is 2045 onhaalbaar. ‘Volgens mijn berekeningen worden we – bij 5 procent economische groei per jaar – pas in 2090 een hoge-inkomensland.’

Papa-en-mama-winkel

Dat duurt te lang, vindt Bhima, daar kan de bevolking niet op wachten. De discussie onder Indonesische economen spitst zich volgens hem nu toe op de herverdeling van welvaart. ‘Moet dat ons ultieme doel zijn? Minder ongelijkheid tussen bijvoorbeeld Java en Papua of de Molukken? Hen daar ook toegang bieden tot elektriciteit, internet, scholing en gezondheidszorg?’ Dat kan deels worden betaald uit een vermogensbelasting voor rijke Indonesiërs, stelt de onderzoeker.

Daarmee sluit Bhima aan bij een discussie die de afgelopen jaren mondiaal speelde: economen die de zegeningen van vrijhandel en globalisme in twijfel trekken en zich liever richten op de bestrijding van economische ongelijkheid. Een papa-en-mama-winkel die al veertig jaar bestaat zonder veel winst te maken, kan tegenwoordig juist op sympathie rekenen. Sommige economen storten zich zelfs op shrinkonomics, de kunst van het krimpen.

De Wereldbank gaat daar niet in mee. ‘Het World Development Report biedt een 21ste-eeuws draaiboek voor zich ontwikkelende economieën om het leven van al hun burgers te verbeteren, op een manier die de schade aan het milieu minimaliseert’, laat coauteur Somik Lall desgevraagd per mail weten. Geen enkel land kan zich volgens hem ontwikkelen zonder openheid en concurrentie – om innovatie te stimuleren, elites te disciplineren en het gebruik van energie te beperken. ‘Ons rapport laat precies zien hoe dat moet.’

Het nieuwste plan om Indonesia Emas 2045 te bereiken: het uitdelen van gouden visa aan buitenlandse investeerders. Wie 2,5 miljoen dollar investeert, mag vijf jaar komen wonen en werken in Indonesië. Voor 5 miljoen mag je tien jaar blijven. Bij de presentatie van het plan eind juli prees de Indonesische president Joko Widodo zijn land aan voor buitenlandse investeerders: goede economische groei, politieke stabiliteit, demografische bonus (veel goedkope arbeidskrachten) en overvloedige natuurlijke hulpbronnen (steenkool, hout, nikkel). Indonesië gaat tevens proberen hoogopgeleide landgenoten die in het buitenland wonen, met een speciaal visum terug te lokken. Opdat zij kunnen innoveren en belasting betalen. Dat past prima in het stappenplan van de Wereldbank; met als enige kanttekening: andere landen doen dat al.

Rijk worden in drie stappen: investeren, infuseren, innoveren

Stap 1.
Zoek investeerders om fabrieken op te zetten en gebruik je demografische bonus (een overvloed aan jonge, goedkope arbeidskrachten). Begin eenvoudig met schoenen of kleding. Investeer in beroepsonderwijs en zorg voor een betrouwbaar energienetwerk. Let op: respecteer milieuregels en werknemersrechten, anders haken buitenlandse investeerders mogelijk af.

Stap 2.
Haal kennis en patenten uit het buitenland en verspreid die over de hele industriesector. Zoek aansluiting bij de internationale markt, bevorder binnenlandse concurrentie en voorkom dat dominante (staats)bedrijven nieuwkomers weren. Steek geld in hoger onderwijs, versterk de mededingingswet en zoek naar schaars talent in onderbenutte groepen (vrouwen, minderheden).

Stap 3.
Ga zelf innoveren, want de mogelijkheden om buitenlandse technologie over te nemen, raken langzaam uitgeput. Verleid hoogopgeleid talent (met geld, politiek vrijheid, leefbare steden) en zoek vooral onder de diaspora. Steek veel geld in onderzoek en ontwikkeling, en bevorder samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven. Versterk de wetgeving op het gebied van intellectueel eigendom.

Praktijkvoorbeelden

Zuid-Korea
Een uitgekiend beleid, waarbij overheid, bedrijven en universiteiten samenwerkten, transformeerde het Aziatische land in twee ­generaties van een arme landbouwstaat tot een hightech economie van mondiaal formaat.

Zo kon noodle-fabrikant Sam­sung uitgroeien tot een leidend elektronica­concern met 260 duizend werknemers. De Wereldbank wijst ook op de hogere onderwijsprogramma’s die Zuid-Korea in nauw overleg met de industrie ­opzette.

Polen
De Wereldbank complimenteert Polen met de snelheid waarmee het na de val van de Muur in de ­jaren negentig staatsbedrijven ­disciplineerde en handelsbeperkingen afbrak. Buitenlandse investeerders wisten het land al snel te vinden.

De Polen namen volgens de ­onderzoekers razendsnel buitenlandse technologie over, helemaal na toetreding tot de Europese Unie in 2004. Ook verdriedubbelde het aantal leerlingen die hoger onderwijs genoten. Zo werd het een ­innovatieve economie.

Brazilië
De ezelsoren zijn voor Brazilië, dat volgens de Wereldbank probeerde een ontwikkelings­stadium over te slaan. Dat land hoopte haar inwoners het pijnlijke proces van creatieve destructie te besparen door in 2001 meteen over te stappen op een innovatie­gedreven economie.

Zo belastte Brazilië het aankopen van buitenlandse licenties en subsidieerde innovatie in luchtvaart, zorg en landbouw. Dat leidde volgens de Wereldbank tot meer patenten, maar die waren van lage kwaliteit en onbruikbaar voor het bedrijfsleven. Zo zette Brazilië haar economische ontwikkeling op ­jaren achterstand.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next