Home

De olympische bubbel van de verbroedering is zo verstoord

Ik ben naar de luchtballon gaan kijken. ’s Avonds hangt hij vlammend in de Parijse lucht, overdag rust hij in zijn bad van licht in de Tuileries. In de zomerse avondhemel is het alsof je naar een planeet kijkt ver weg in ons zonnestelsel.

Zo moet een astronaut onze eigen planeet aanschouwen als hij vanuit een ruimteschip uitkijkt op de aarde, met verwondering en heimwee. Zonlicht beschijnt de bijna perfecte cirkel, waarin de contouren van continenten en oceanen te onderscheiden zijn. Het ziet er oneindig vredevol uit, schoon, alsof alles juist geschapen is en niets hoeft te beginnen. Geen mens verstoort de rust.

Over de auteur
Henk Pröpper is schrijver en woont in Parijs.

Deze ochtend is alles anders. Het regent pijpenstelen na een tropische nacht. Er wiekt een helikopter door de Parijse lucht. Met lawaaiige paardenkrachten volgt hij de triatleten in het door ontlasting verontreinigde water van de Seine.

Terwijl de olympische bubbel van de verbroedering slechts door kleine incidenten wordt verstoord – zoals de Algerijn die niet op de tatami verschijnt voor zijn gevecht tegen een Israëliër – woedt elders de oorlog voort. Het persbureau van de Iraanse regering meldt dat Haniyeh, hoogste leider van Hamas, in Teheran door een ‘luchtprojectiel’ is gedood. Hamas, Houthi’s en Hezbollah zweren wraak.

Dat sport en oorlog, bij alle goede voornemens en bedoelingen, afspraken en beloften, met elkaar verbonden zijn, daarvan werd ik doordrongen in 1972. Overigens niet door de gevleugelde uitspraak ‘Voetbal is oorlog’, waarvan de legendarische commentator Herman Kuiphof en trainer George Knobel de ware vaders zijn, maar die ten onrechte aan Rinus Michels is toegeschreven.

Toen Michels die woorden uiteindelijk uitsprak, luchtig en met een twinkeling in zijn ogen, voor de Europa Cup 1- kwartfinale van Ajax tegen Celtic in 1971, bevatten die een bijna poëtische vorm van ironie. Niet serieus te nemen en toch waar.

Hoe waar en serieus leerde ik op 5 september 1972. Die ochtend reed ik samen met mijn broer over de dijk naar school, kop over kop zoals wielrenners doen die elkaar uit de wind houden. We waren 13 en 12 jaar oud en ofschoon we later dan alle andere scholieren uit ons dorp naar Zutphen waren vertrokken, vormden we een kopgroep die nooit meer door het peloton zou worden bijgehaald.

Op een knikje moet mijn broer even hebben ingehouden. Het volgende ogenblik gleed ik met mijn handen en gezicht over het asfalt. Strepen bloed en een voortand bleven op het wegdek achter. Het overwinningsgevoel, plots verdwenen, had plaatsgemaakt voor woede. Blinde woede op mijn broer die mij wel wilde helpen, maar niet in mijn buurt durfde te komen. Abel die terugdeinst voor Kaïn. Na wat geharrewar bonjourde ik hem naar school.

Zelf fietste ik terug naar ons dorp. Achteroverliggend in de stoel van de tandarts werd ik mij plots bewust van een groot geluk. De Olympische Spelen waren sinds een week begonnen en nu kon ik ongestoord, lijdend aan mijn verwondingen, genieten van de Spelen. Ik had het rijk alleen, mijn ouders werkten, mijn broers waren op school.

Thuis zette ik dus de televisie aan. Het scherm bleef echter zwart, hoe vaak ik de knoppen ook indrukte. Via de radio vernam ik dat Zwarte September Israëlische atleten had gegijzeld, het leidde tot een bloedbad. De olympische wapenstilstand was gruwelijk geschonden en het geluk dat mij bij mijn ongeluk ten deel was gevallen, bleek een lege ballon.

Die luchtballon, zie ik, hangt daar als een roep om ruimte, om afstand, om lucht.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next