Wat gaan we lezen deze zomer? We vroegen schrijver en beeldend kunstenaar Nelleke Zandwijk om boeken met humor voor in de vakantiekoffer: ‘Als je schaamteloos wilt lachen, dan grijp je naar Delphine Lecompte.’
Humor maakt de rest wranger, strooit zand in de ogen, zodat je aan het einde van een verhaal denkt: was het wel zo grappig? Waardoor je weer van voren af aan wilt beginnen.
Ik had nog nooit iets van de Noord-Ierse Anna Burns, een generatiegenoot, gelezen toen haar boek Melkboer de Man Booker Prize in 2018 won. Het verhaal speelt zich af in de jaren zeventig in Noord-Ierland in een stad zonder naam. De verteller is een meisje van 18, ‘middelstezus’ geheten, dat op een terloopse manier ontstellend wrede dingen vertelt. Het meisje zwerft tussen de personages en gebeurtenissen door en probeert onzichtbaar te zijn, omdat dat het veiligste is.
Nooit eerder las ik zo’n perfecte mix van roddel en achterklap, van associaties, dreiging, en donkere wolken die zich samenpakken met de zekerheid van een ontlading, van kleine dingen die je kunnen nekken. Je wordt een duistere sfeer ingezogen met soms buitengewoon hilarische uitweidingen. Zoals bijvoorbeeld haar vriendje, ‘soortvanverkering’, die een supercompressor heeft waar een Brits onderdeel in zit. Het is absoluut verboden om iets ‘van de overkant’ te bezitten, al was het maar een boutje. Door dit niet-Ierse onderdeel kan soortvanverkering worden beticht van gebrek aan loyaliteit, en voor een straattribunaal komen.
Het boek wemelt van mensen die je kunnen verraden, van ‘staatsverwerpers’ tot ‘staatsfanatici’. Om aan dood door een autobom te ontkomen verstopt soortvanverkering de gigantische compressor elke dag op een andere plek in zijn huis. Los van het verderf en geweld duiken er ook tere parels op; zo vindt middelstezus een dode poes die ze per se wil begraven.
Vanwege de vele associaties en benamingen doet Melkboer, hoewel veel minder obsceen, me in de verte denken aan het werk van Delphine Lecompte. Gelukkig is er zojuist weer een nieuw vuistdik boek van Lecompte verschenen: Dieren zonder kleren. Een bundeling verhalen over huisdieren, wilde dieren, asieldieren, dierentuindieren en dieren die je tegenkomt op straat, of zoals er op de achterflap staat: een ode aan alles wat gromt, briest, loeit, ratelt, kleppert of mekkert.
Maar het gaat natuurlijk vooral over het leven van Lecompte zelf, in de stijl die we van haar kennen; vulgair, brutaal, wild, overdadig, niet te evenaren. Je kunt haar proza dan ook beter ondergaan dan begrijpen. Als mensen mij vragen wat ze moeten lezen, vooral beginnende lezers, dan raad ik vaak haar werk aan.
Daar komt een beetje leedvermaak bij kijken. Dan hadden ze maar eerder met lezen moeten beginnen. Smaakontwikkeling moet je zelf doen. Maar behalve leedvermaak gun ik iedereen uit het diepst van mijn hart het werk van Delphine Lecompte. Uitleggen waarom haar werk zo goed is, kan ik niet. Als je schaamteloos wilt lachen of rillen, als je overweldigd wilt worden, murw gebeukt, opengescheurd, verlaten én omarmd, dan grijp je naar Lecompte.
Een minder bekende schrijver in Nederland is de Deense Erling Jepsen. Hij heeft een geweldige roman geschreven: De kunst om in koor te huilen. Het boek (uit 2002) is in 2008 in het Nederlands verschenen en gaat over een gemankeerd gezin. Het verhaal speelt zich af in een dorp. De verteller is een jongen van 11 jaar. Samen met zijn vader loopt hij zoveel mogelijk begrafenissen af. Vader is goed in spontane grafredes waarbij hij uitbundig huilt en waardoor nabestaanden ontroerd raken. De jongen staat daarbij naast zijn vader en trekt zijn treurigste gezicht. Hierdoor komen er meer dorpelingen naar hun kruidenierszaak.
Daarnaast speelt een incestverhaal. Vader slaapt ’s nachts, beneden op de bank, met de twee jaar oudere zus van de jongen. Als zij dat niet meer wil, en gaat protesteert en wegloopt, breekt vader. Hij is ontroostbaar. Met de zus gaat het ook bergafwaarts. Omdat de jongen maar half begrijpt wat dat bankslapen betekent, probeert hij zijn zus te bewegen ’s nachts weer naar beneden te gaan, zodat hun vader weer vrolijk wordt. Het dorp, dat op de hoogte is, kijkt weg. Ondanks het onderwerp is het door de flinke portie zwarte humor van Jepsen licht te verteren. Mooi hoe het verhaal zich ontvouwt door de ogen van een kind op de drempel naar volwassenheid. Pas tegen het einde, als je bij de jongen naast zijn nieuwe duiven zit, voel je de beklemming. Met toch weer een optimistische ondertoon.
Een van de fascinerendste boeken van Jeanette Winterson, een soort legpuzzel meer, was voor mij Frankusstein uit 2019. Het eerste deel begint in 1816 als Mary Shelley haar spookverhaal Frankenstein schrijft. Daarna krijgen we het relaas van een jonge transgender arts in het huidige Engeland te lezen. Dit tweede deel is een vertelling, een soort sprookje, over pratende (seks)robots, over mensen invriezen, eeuwig leven, over de macht van technologie. Ook over de vunzigheid ervan. Heel erg grappig zoals er in het boek gepraat wordt over stoffelijke overschotten, lichaamsdelen amputeren, grote handen en een man als pik op pootjes.
Tussendoor speelt er een subtiel liefdesverhaal. Wat mij vooral raakte, was de beschrijving van de arts over hoe het is om trans of hybride te zijn. Dat je ondanks de wetenschap dat je korter leeft, vanwege hormonen, ondanks dat je lichaam weet hoe het is geboren, toch wilt leven met tweeslachtigheid. Het leverde mij meer inzicht op over dit onderwerp.
Nelleke Zandwijk (1961) is schrijver en beeldend kunstenaar. Ze publiceerde de romans De dag van de jas (2001), Avonturen van een uitslover (2005) en het vorig jaar verschenen De zomer van de onwaarheden. Eerder schreef ze voor de Volkskrant een wekelijkse column.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant