Home

Ik snorkel rustig in de richting die de gids aangeeft. Dan, ‘verdomme, kijk in het water!’, krijg ik een enorme oplawaai van een walvis

Je moet er wel wat voor over hebben om getuige te kunnen zijn van het vreetfestijn dat sardinerun heet. Een schranspartij in de Indische Oceaan die zo omvangrijk is, dat hij vanuit het ruimtestation ISS met het blote oog is te zien. Scholen vis van 7 bij 1,5 kilometer die op de koude voedselrijke Benguelastroom langs de Afrikaanse oostkust meeliften naar warmer water voor de kust van Mozambique. Als dit fenomeen optreedt kolkt en bruist de oceaan van leven. Scholen dolfijnen wachten hun moment af en drijven de sardines bijeen tot een compacte bal. Schreeuwend en klikgeluiden makend jagen ze vervolgens de in het zonlicht schitterende discobal naar de oppervlakte. Buffet geopend.

Duikgids Matt schroeft de verwachtingen hoog op. „We nemen duiksets mee voor het geval zich een stabiele baitball vormt, die niet binnen een paar minuten wordt opgeslokt door dolfijnen. Dan kunnen we afdalen en meestal zitten er dieper, onder de baitball, haaien die ook hun kans grijpen. Intussen zie je boven je jan-van-gents die zich als kamikazepiloten in het water storten. Terwijl de gewone dolfijnen proberen de sardines bij elkaar te houden, kan het gebeuren dat tuimelaars zich niet aan de spelregels houden en dwars door de baitball schieten, waarmee ze de vissen uiteen jagen.”

Na ruim twintig uur vliegen en een busreis van zes uur langs de oostkust stappen we in Port Sint Johns, Zuid-Afrika, aan boord van een snelle rubberboot met twee 100 pk-motoren. Dit is een van de weinige plekken waar je – vanaf een rivier – met een rib (rigid inflatable boat) de zee op kunt. Het passeren van de branding, met metershoge golven, is een waagstuk. Je moet een reddingsvest aan en je met beide handen vasthouden, de voeten onder een spanband. Door die branding stelt de lokale visserij weinig voor, met een eenvoudig vissersbootje kom je er niet doorheen.

Matt neemt een stok van een meter of twee mee aan boord. „Om de haaien op afstand te houden.”

„Moeten wij geen stok dan?”

Matt lacht onze zorgen weg. „Blijf maar bij mij in de buurt. Ik heb die stok bijna nooit hoeven te gebruiken.”

De sardinerun is een ongrijpbaar fenomeen. Niemand kan voorspellen hoe en wanneer het optreedt. Harde wind kan gunstig zijn, maar ook ongunstig. Koud water is gunstig, schijnt het. Want sardines houden van koud. „Maar er zijn ook jaren met koud water en weinig actie”, weet schipper James. Hij volgt de sardinerun al zo’n dertig jaar. Voordat Chinese hektrawlers zich er in mengden was het elk jaar bal. Door de industriële visvangst werden de sardinescholen gedecimeerd, het hele ecosysteem dreigde om zeep te worden geholpen. De populaties hebben zich de afgelopen jaren wat hersteld nadat de overheid in Zuid-Afrika terughoudender werd met het verstrekken van vergunningen.

Superpod

Het zit ons aanvankelijk niet mee. We varen al een paar uur vruchteloos zoekend naar een baitball. James laat de motoren maar weer eens zwijgen. Terwijl hij over het water tuurt, zegt hij peinzend: „Er is iets aan het koken daar beneden. Alles is hier aanwezig. Maar nu moeten die dolfijnen nog aan het werk.” Een enkele jan-van-gents stort zich in het water. We besluiten te gaan snorkelen en zien de dolfijnen voorbijschieten. Als we weer aan boord klimmen blijkt dat Matts haaienstok in tweeën is gebroken. James jaagt zijn rib nog een paar kilometer over de golven en warempel: na een paar uur roept hij ‘superpod!’. Hier kolkt en bruist de oceaan van het leven. Honderden dolfijnen schieten door de golven, overal horen we hun krachtige ademstoten. „Wat we zien is maar één derde van de groep, de rest zit dieper”, weet Matt te vertellen. Zwermen jan-van-gents komen aangesneld. Nu is het wachten tot zich een baitball heeft gevormd. Even verderop beginnen jan-van-gents zich in het water te storten. Ze wisselen elkaar in hoog tempo af, als mitrailleurkogels, het is een klein wonder dat ze niet elkaar aan de snavel rijgen. Dat is het teken waarop we hebben gewacht.

We laten ons achterover in zee plonzen, met niet meer dan een duikmasker, snorkel en vinnen, Matt met zijn gebroken haaienstok achterna. Dan zien we waar we voor gekomen zijn. Een baitball die langs twee kanten wordt aangevallen: de vogels die zichzelf in zee katapulteren en tientallen dolfijnen die langs schieten en er al buitelend en met de buiken langs elkaar schuivend flink plezier in lijken te hebben. Ik raak er zo door gebiologeerd dat ik Matt en mijn buddy uit het oog verlies en even later bevind ik me in de situatie waarvoor ik nog zo gewaarschuwd ben: midden in een baitball. De sardines ketsen tegen mijn duikmasker terwijl de dolfijnen op nog geen handbreedte afstand voorbij flitsen. „Achteruit!” hoor ik Matt door zijn snorkelpijpje roepen. Hij is goed te verstaan, maar zie maar eens achteruit te zwemmen in de kolkende zee.

Het voelt alsof ik aan de dood ben ontsnapt, maar aan boord wordt er niet te zwaar aan getild. „De sardines zochten waarschijnlijk bescherming bij jou. Kan gebeuren”, speculeert James. „Gelukkig waren er geen haaien. Waarom niet, is een raadsel”, zegt Matt.

Mijn camera stond aan, die ervaring en filmbeelden pakt niemand me meer af. James laat de motoren weer brullen. „Dit is meer een expeditie dan een duiktrip. Je weet nooit wat je kunt verwachten”, zegt hij.

Horen uitademen

De dagen erop volgen we dezelfde routine, het gestuiter op de golven, het turen naar de horizon of daar jan-van-gents cirkelen, het buiswater dat in je gezicht spuit, het begint te wennen. Verveling en opwinding wisselen elkaar razendsnel af. Steeds als James roept: „Maak je klaar. Nog even. Nu!” jaagt de adrenaline door ons lijf. „Kijk in het water!” schreeuwt hij vanaf de rib. „Blijf bij Matt!”. We ploegen door de hoge golven, op zoek naar sardines en naar Matt.

De reis heeft een grote verrassing in petto. Als de sardines langs de oostkust trekken, worden ze vergezeld door bultrugwalvissen die noordwaarts migreren om hun kalveren voor de kust van Mozambique geboren te laten worden. Sardines staan niet op hun menu. Tijdens de 8.000 kilometer lange tocht – om de Kaap heen – eten ze geen hap. Regelmatig zien we in de verte fonteinen uit de zee opspuiten, als ze dichterbij zijn kunnen we de bultruggen krachtig horen uitademen: alsof een duikcilinder in één keer wordt opengedraaid. „Bultruggen zijn normaal gesproken schuw, als je ze nadert duiken ze onder en dan zie je een halfuur niet meer”, weet James. Eén zo’n reus presteert het om zichzelf – zo’n 35 ton schoon aan de haak – in zijn geheel uit het water te katapulteren.

Een bultrug zwemt nieuwsgierig om onze boot heen. Hij kijkt wie er aan boord zijn. Zou hij James herkennen? De schipper besluit om het de volgende dag nog eens te proberen. Zijn instructie: „Als we een vriendelijke bultrug zien, dan glijd je op mijn teken zo rustig mogelijk in het water en wacht je af wat gaat gebeuren.” Na een paar uur varen ontwaart hij een walvis die hij als goedgemutst kwalificeert. Op zijn teken glijden buddy Tom Verbakel en ik geruisloos van boord. We snorkelen rustig in de richting die James vanaf het schip aangeeft. Dan roept hij: „In het water kijken! Verdomme, kijk in het water!” Tot onze schrik glijdt de tientonner vlak langs ons. Ik probeer een foto te maken, maar het dier is te dichtbij. Maar dan, in een fractie van een seconde, krijg ik een enorme oplawaai en vlieg een paar meter door het water. Gedesoriënteerd kom ik weer boven, mijn snorkel is uit mijn mond gevlogen en mijn duikmasker zit scheef. „Ben je oké?”. schreeuwt James. Tom Verbakel krijgt ook een klap, de walvis slaat de camera uit zijn handen. Hij moet er achteraan duiken om te voorkomen dat hij verdwijnt.

Terug op de rib worden we onderzocht; geen breuken, niet eens een blauwe plek. Wel heeft Tom opeens enorme rugpijn. Matt en James hebben gezien wat er gebeurde: ik kwam in aanraking met de twee meter lange zijvin van de walvis. Tom Verbakel kreeg een mep van de staart.

„Een navigatiefoutje van de walvis”, vermoedt James. „Hij heeft er zelf waarschijnlijk niets van gemerkt. Maar het had slechter kunnen aflopen.” Nu weten we tenminste hoe de sardines zich moeten voelen: in de hoek gedreven en doodsbenauwd. Matt grinnikt. „Wat hebben jullie een geluk gehad. Wie kan dat vertellen? Een klap van een walvis!”

Veranderd dieet

Dat het tijdens de expeditie van vijf volle dagen op zee zoveel moeite moesten doen om een ‘baitball’ van samengedreven sardines te vinden, verbaast marien bioloog Stephanie Plön niet. „Dertig jaar geleden was het een constante stroom vis die langs de kust noordwaarts trok om daar kuit te schieten. Maar het heeft nu soms meer weg van een druppelende kraan.”

Plön is bijzonder hoogleraar bij de Stellenbosch Universiteit in Johannesburg en geldt als specialist in de sardinerun. De oorzaak voor die achteruitgang moet volgens haar gezocht worden in illegale visserij en wellicht ook klimaatverandering, al blijft het moeilijk een verantwoorde schatting te maken van de hoeveelheid sardines die langs de kust trekt. „Sardines houden van koud water, ze kunnen zo diep zitten dat je ze vanuit de lucht niet ziet. De totale biomassa is lastig te meten.”

Om te bepalen hoe de vlag erbij hangt moet je kijken naar de predatoren, vooral de gewone dolfijnen die in de maanden juni en juli van sardines leven. Met haar team onderzocht Plön daarom over een reeks jaren de maaginhoud van dolfijnen die in haaiennetten verstrikt waren geraakt. De dolfijnen bleken hun dieet te hebben aangepast. „Dolfijnen zijn opportunisten. Als ze gemakkelijker andere vissoorten kunnen vangen, kiezen ze daar voor. We vonden steeds minder sardine en meer makreel.”

Plön is voorzichtig met voorspellingen. „Je hoort mij niet zeggen dat de sardinerun ten dode is opgeschreven. Beter handhaven bij illegale visserij kan al flink positieve impact hebben. Voorlopig is het goede nieuws: de dolfijnen doen het prima op makreel. Het heeft geen invloed op hun gezondheid, voor zover we kunnen nagaan.”

Source: NRC

Previous

Next