Het wolvendebat schreeuwt om een beetje nuchterheid. De omgang met het Utrechtse probleemexemplaar wordt daarvoor een uitstekende test.
Het heeft nog lang geduurd. Toen in 2015 de allereerste wolf vanuit Nedersaksen de grens overstak, begaf die zich binnen een week doodgemoedereerd naar een woonwijk in Hoogezand. De geschrokken omwonenden riepen om maatregelen en die stelde de provincie ook onmiddellijk in het vooruitzicht: indien nodig zou het dier worden verdoofd en ‘verplaatst’.
Dat voornemen stuitte op weinig verzet ( ‘Wat moet dat moet’, vond zelfs de organisatie Wolven in Nederland), maar eerst werd de situatie naar goed gebruik nauwlettend ‘in de gaten gehouden’, waarna het probleem zichzelf oploste: de wolf liep op eigen houtje terug naar Duitsland, waar hij even later werd doodgereden.
Hij bleek wel een pionier. Inmiddels telt Nederland zeker negen wolvenroedels met gemiddeld vijf tot negen dieren, en is op de Utrechtse Heuvelrug de eerste echte probleemsituatie ontstaan. Dna-onderzoek moet nog zekerheid brengen, maar het lijkt erop dat hetzelfde dier dat eerder een klein meisje beet en een hondje meenam nu weer een kindje omver heeft gelopen. Vooralsnog geldt het dringende advies aan kinderen om de omgeving niet te betreden, maar intussen werkt het provinciebestuur aan een vergunning om het dier af te schieten.
Zo makkelijk zal dat niet gaan. Er komen uiteraard eerst rechtszaken van, zo werd meteen aangekondigd door de Faunabescherming, die helemaal geen ernstige situatie ziet: ‘Tot nu toe zijn alleen schrammen gerapporteerd.’ En dan maar hopen dat de zaak is afgewikkeld voordat de Tweede Kamer terug is van zomerreces, want die doet er steeds alles aan om de polarisatie in het nationale wolvendebat maximaal op te drijven.
Hoezeer dat uit de hand is gelopen, zette de Raad voor Dierenaangelegenheden onlangs handzaam op papier na een reeks gesprekken met direct betrokkenen: nogal wat deelnemers aan het wolvendebat zijn inmiddels bezorgder over hun eigen sociale veiligheid dan over het risico van een wolvenaanval. De raad roept bestuurders, politici en opiniemakers dan ook op hun toon te matigen: spreek niet meer over ‘wolvenhaters’ of ‘wolvenknuffelaars’ en sowieso ook liever over ‘wolven’ dan over ‘de wolf’ (‘omdat het enkelvoud niet alleen over het dier gaat, maar ook als symbool met een negatieve lading wordt gebruikt’).
Het debat schreeuwt, kortom, om de terugkeer van een beetje nuchterheid. De omgang met het Utrechtse dier wordt daarvoor een uitstekende test. Want het probleem is best overzichtelijk: al sinds 2015 betogen experts dat de terugkeer van wolven een prachtige bijdrage is aan de biodiversiteit, dat ze in delen van van Nederland probleemloos kunnen leven en dat het slechts bij heel hoge uitzondering gevaarlijk wordt. Na negen jaar blijkt dat een uitstekende analyse, maar dan is het natuurlijk wel zaak in te grijpen als zo’n situatie zich voordoet. In landen met serieuzere natuur is dat allang staande praktijk met bijvoorbeeld opdringerige beren die zich te vaak onder de mensen wagen (‘three strikes out’). Wie het draagvlak voor een Nederlandse wolvenpopulatie overeind wil houden, moet ook op tijd durven ingrijpen.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant