De topsportwetten gingen in de slotmeters overboord bij de Nederlandse vrouwen vier-zonder. Met als gevolg: de eerste olympische titel voor een Nederlandse ‘zware’ vrouwenboot.
In de laatste meters van de olympische roeifinale voor de vier-zonder-stuurvrouw gooide Marloes Oldenburg de belangrijkste wet voor een toproeier - richt je op jezelf - overboord. ‘We hebben het altijd over in je eigen tunnel blijven, het plan uitvoeren, niet naar anderen kijken. Dat was 1.900 meter helemaal waar, maar in die laatste 100 dacht ik alleen maar: niet zoals gisteren. Over mijn lijk dat die Britten er langskomen.’
De dag voordat Oldenburg met Hermijntje Drenth, Tinka Offereins en Benthe Boonstra hun finale roeiden op de olympische baan in Vaires-sur-Marne, hadden ze hun collega’s in de dubbelvier zien roeien. In de slotcentimeters waren zij door de Britse boot gepasseerd, zagen goud in zilver veranderen. Dat scenario leek zich op donderdag te herhalen.
Vanaf de start had de Nederlandse boot de leiding. Maar na een kilometer, met een nog even grote afstand te gaan, begon de opmars van de Britse boot, vooraf de favoriet op dit nummer. Centimeter voor centimeter schoven Helen Glover, Esme Booth, Sam Redgrave en Rebecca Shorten naar voren. Honderden meters lang voeren ze nagenoeg naast de Nederlanders.
Over de auteur
Erik van Lakerveld is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft met name over olympische sporten als schaatsen, atletiek en roeien.
Heel even leek het bolletje op de boeg van de Britse boot zelfs daadwerkelijk voorbij te komen. Dat was het moment dat Oldenburg alles vergat wat ze als topsporter had geleerd en een andere kracht aanboorde. ‘Ik heb heel lelijk zitten roeien, maar ik dacht alleen maar: blad erin en ervoor blijven. En het was genoeg.’
0,18 seconden voorsprong was het op de finish. Een minimaal verschil in deze sport, maar genoeg voor een unieke prestatie in de Nederlandse roeigeschiedenis. In twee opzichten: met hun overwinning scoorden de vier vrouwen de tweede gouden plak van deze Olympische Spelen. Nog nooit eerder won de Nederlandse vloot meer dan één titel op het olympisch toernooi.
Daarmee heeft de equipe ook al na twee dagen aan de doelstelling voldaan die Eelco Meenhorst voor ogen had toen hij na de Spelen van Tokio als hoofdbondscoach werd aangesteld. Minstens één keer goud bij de mannen, één keer goud bij de vrouwen. En stiekem is die laatste hem wat meer waard. Omdat Nederland die titel pakt in, zoals dat wat oneerbiedig klinkt, een ‘zware boot’. Dat gebeurde nog nooit eerder.
Dit voorjaar wees hij in het bondsgebouw aan de Bosbaan naar een wandje vol actiefoto’s, de eregalerij van het Nederlandse roeien. Allemaal fraaie kampioenen en medaillewinnaars. Daartussen ook de enige twee vrouwenboten met olympisch goud: Ilse Paulis en Maaike Head in 2016, Marit van Eupen en Kirsten van der Kolk in 2012. Maar zij roeiden in de lichte dubbeltwee, een klasse voor vrouwen lichter dan 57 kilogram. Die klasse staat in Parijs nog op het olympisch programma, maar is voor de Spelen van 2028 in Los Angeles geschrapt.
In Nederland is de boot geen speerpunt in het bondsprogramma meer, een beslissing die Marieke Keijser (brons in Tokio) wel begreep. Zij vertelde in 2022 in de Volkskrant hoe het gevecht met de kilo’s de lol in de sport en de aandacht voor het roeien volkomen overvleugelde. Minder dan 57 kilo wegen was geen probleem toen ze een jaar of 17 was. Maar hoe ouder en gespierder ze werd, hoe moeizamer dat ging. ‘Ik was geobsedeerd om met zo min mogelijk zo maximaal mogelijk te presteren.’
De open categorie heeft meer prestige. In die boten zitten degenen die het snelste roeien kunnen, onafhankelijk van hun gewicht. En het is eigenlijk vreemd dat Nederland daar nog nooit goud in veroverde, want de Nederlanders zijn een lang volk. ‘Ik vond dat ook altijd wonderlijk. Er zijn veel grote Nederlandse vrouwen, we hebben die potentie als land’, zei Meenhorst een paar maanden geleden.
Wat hem betreft was het gebrek aan goud in de open gewichtsklasse ook een teken dat in het verleden de mogelijkheden van de Nederlandse roeisters onvoldoende werd benut. ‘Iedereen kan nog wel zeggen dat het zo goed was wat we altijd deden, maar dat is niet zo. Dat is niet de waarheid. We deden het eigenlijk heel middelmatig.’
Het is niet alleen de verdienste van de huidige bondscoach, haasten Drenth en Offereins zich te zeggen. Deze titel komt ook voort uit Project 2020, een initiatief van oud-olympisch kampioen Nico Rienks. Hij probeerde vanaf 2014 een vrouwenacht samen te stellen die met de wereldtop mee kon komen. ‘Daar is het voor ons begonnen. Het idee om met zware vrouwen te gaan voor goud.’
Dat lukte niet, maar het is wel waar Drenth en Offereins de basis voor hun roeicarrière legden. Met een omweg is het dan toch uitgekomen, met veel van hun oude ploeggenoten en oud-coach Rienks op de tribune. Drenth: ‘Dit goud is ook van hun. Zonder hen waren wij niet gaan roeien, hadden we hier niet gestaan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant