Hij verdiende goudgeld met een Cypriotische kunstroof, maar hielp de politie ook met het terugvinden van gestolen kunst. ‘Zijn leven was net een film, overal trok hij de aandacht, met zijn charme en humor.’
‘De Indiana Jones van Chelsea.’ Die bijnaam gaf de Britse omroep BBC ooit aan de Nederlandse kunsthandelaar Michel van Rijn, toen bleek dat hij samenwerkte met de Londense politie om gestolen kunst op te sporen. Van Rijn stond op een dodenlijst, hij zou zijn beschoten en joeg vrijwel zijn hele leven op kunstwerken, schreef een BBC-verslaggever in 2006 over de inwoner van de chique wijk Chelsea. Eerst als smokkelaar, daarna – net als het filmpersonage Indiana Jones – als onverschrokken strijder tegen kunstrovers.
Vorige week overleed Van Rijn, op 73-jarige leeftijd. ‘Michel is in zijn slaap gestorven, in een ziekenhuis in Italië’, zegt zijn vriend Arthur Brand, Nederlands bekendste ‘kunstdetective’. ‘Het verbaast me dat hij nog zo oud is geworden, want hij heeft voor tien mensen geleefd. Michel hield enorm van wijn, roken en een vol bord met eten.’
Van Rijn wordt ook ‘The Lying Dutchman’ (de liegende Nederlander) genoemd, maar volgens Brand past Indiana Jones beter bij hem. ‘Het leven van Michel was net een film. Hij heeft op tal van plekken gewoond, van Havana tot Rome, en bewoog zich met bravoure tussen mensen met privévliegtuigen, uit de boven- en onderwereld. Overal trok hij aandacht, met zijn charme en gevoel voor humor. Helaas had hij ook de gave om met iedereen ruzie te krijgen. Maar hij maakte het vrijwel altijd goed. Wie ik ook spreek, sinds zijn dood, ze denken met plezier aan hem terug.’
Over de auteur
Menno van Dongen is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
Van Rijn groeit op in Amsterdam, vlak bij Artis. Zijn vader is een rijke tandarts met een flinke collectie primitieve kunst, zijn moeder kunstenares. Bij het gezin komen grote kunstenaars over de vloer. Zo ontwikkelt hij een liefde voor kunst, en een oog voor kwaliteit.
Als jochie van 15 staat hij al op eigen benen. ‘Op school zat ik toch maar uit het raam te kijken’, zei hij in 2006 in het Vlaamse dagblad De Morgen. Met iemand anders rijdt hij naar Istanbul, waar hij zijn eerste lading schapenjassen koopt. Ze verkopen goed, maar al snel beseft Van Rijn dat hij zich in iets anders wil specialiseren: kunst. ‘Zo ben ik smokkelaar geworden.’
Even later vertelt een Armeense vriend hem over een buitenkansje: bijna iedere gelovige Rus heeft een collectie iconen (religieuze objecten, red.). Die kun je voor een schappelijke prijs overnemen, omdat ze weten dat kunst aan de staat vervalt, als hen iets overkomt.
Als twintiger raakt Van Rijn betrokken bij de grootste internationale kunstroof van na de Tweede Wereldoorlog. Die begint met de inval van Turkije op Cyprus, in 1974, en het verdrijven van Grieks-Cyprioten van het noordelijke deel van het eiland. Na de bezetting rooft een Turk systematisch orthodoxe kerken leeg.
‘Michel van Rijn opereert internationaal als de verkoper van de iconen’, meldt het tv-programma Hoge bomen in de misdaad in 2007. Uitgehakte fragmenten van muurschilderingen uit de 5de, 6de eeuw en andere religieuze schatten zouden hem miljoenen hebben opgeleverd.
Midden jaren negentig neemt de Nederlander contact op met de honorair consul van Cyprus in Den Haag, Tasoula Hadjitofi. Ze sluiten een deal: Van Rijn verkoopt een deel van de objecten terug, voor een half miljoen dollar (461 duizend euro). Hadjitofi heeft er gemengde gevoelens over, maar ze heeft voor haar gevoel geen keus.
Een groot deel van zijn leven maakt Van Rijn er een sport van om dubieuze kunsthandelaars en grote veilinghuizen te slim af te zijn. Hij ziet zichzelf als Robin Hood, die steelt van de rijken. ‘Alleen geeft hij niks aan de armen’, zegt een vriendin in die tijd tegen de BBC.
In de jaren negentig stapt hij over naar de politie. Internationale opsporingsdiensten zitten Van Rijn op de hielen, maar ze laten hem uiteindelijk met rust. Als bron in de kunstwereld is hij te waardevol om op te sluiten.
Hij genoot van het spel met dit soort tegenstanders en criminelen, zegt Arthur Brand, die jarenlang met hem heeft samengewerkt. ‘In die zin was Michel net een jongen van 12. Maar dan wel iemand die ongelooflijk slim was.’
Rond 2000, na zijn vertrek bij de politie, begint Van Rijn een website waarop hij zich profileert als de superdetective van de internationale kunstwereld. Hij bindt de strijd aan met handelaars uit zijn eigen verleden, die hij met naam en toenaam noemt. ‘Michel was voor de duivel niet bang’, zegt Brand, die zelf jarenlang betrokken was bij de website. ‘Hij wilde laten zien dat de hele kunstwereld totaal verrot is.’
Dat neemt niet weg dat Brands oud-collega zelf het nodige op zijn kerfstok had, zoals tweemaal geld verdienen aan de Cypriotische kunstroof. ‘Dat is typisch Michel. Hij zei altijd: ‘Zonder mij waren al die iconen vernietigd door de Turken. Ik heb voor miljoenen aan kunst gestolen, maar voor tientallen miljoenen aan kunst teruggebracht.’
Van Rijn heeft inderdaad belangrijk werk gedaan voor opsporingsdiensten, blijkt onder meer uit verklaringen van de Londense politie. ‘Maar je kunt die smokkel daar natuurlijk niet tegen wegstrepen’, zegt Brand. ‘Als ik dat tegen hem zei, begon hij te lachen. Zo was hij. Ik zal hem missen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant