William Calley, een van de meest beruchte figuren uit de geschiedenis van het Amerikaanse leger, is overleden. De voormalige luitenant gaf tijdens de Vietnamoorlog leiding aan een eenheid die een bloedbad aanrichtte in My Lai.
De slachtpartij in het Vietnamese dorpje droeg eraan bij dat de stemming onder de Amerikanen over het ingrijpen in Vietnam omsloeg. Luitenant Calley had het commando over een eenheid van de Amerikaanse Charlie Company, die op 16 maart 1968 My Lai binnentrok met de opdracht om het dorp te zuiveren van Vietcong-strijders. De inval liep uit op een slachtpartij die volgens de Vietnamezen aan 504 dorpelingen het leven kostte, vooral bejaarde mannen, vrouwen en kinderen. De Amerikanen hielden het later op 347 slachtoffers.
Vier uur lang maaiden Calleys mannen dorpelingen neer en maakten zij anderen met bajonetten en handgranaten af, waarna ze het dorp met vlammenwerpers platbrandden. Tal van vrouwen en meisjes werden het slachtoffer van groepsverkrachtingen en vervolgens vermoord.
Over de auteur
Bert Lanting is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Hij was eerder correspondent in Rusland, de Verenigde Staten en Brussel.
Een tweetal Amerikaanse militairen zag vanuit een helikopter hoe de eenheid tekeerging in het dorp, dat in het gebied tussen de Vietcong en het door de Amerikanen gesteunde Zuid-Vietnamese leger lag. Zij landden zelfs bij het dorp om een aantal vluchtende burgers in veiligheid te brengen.
Maar het bloedbad werd angstvallig geheimgehouden door de Amerikaanse legerleiding. Generaal William Westmoreland, de commandant van de Amerikaanse troepen in Vietnam, prees de eenheid zelfs voor de ‘zware slag’ die zij de Vietcong zouden hebben toegebracht. Calley werd bevorderd en kreeg twee onderscheidingen voor zijn betoonde ‘moed’.
Het duurde anderhalf jaar tot de Amerikaanse onderzoeksjournalist Seymour Hersh de slachtpartij op het spoor kwam, dankzij een soldaat die gewetensnood had gekregen. Zijn publicaties leidden ertoe dat Calley samen met 24 andere militairen voor de krijgsraad werd gebracht wegens de massamoord in My Lai. Calley werd verantwoordelijk gesteld voor de moord op 22 dorpelingen.
Conservatieve Amerikanen klaagden dat Calley en zijn mannen als zondebok werden gebruikt. Volgens hen was het harde optreden van de eenheid verklaarbaar, gezien de zware verliezen die de Vietcong de Amerikanen tijdens het toen net gelanceerde Tetoffensief hadden toegebracht. Vaak verscholen zij zich daarbij onder de burgerbevolking.
Calley zelf verweerde zich tijdens het proces met het argument dat hij en zijn mannen de bevelen van hun superieuren hadden gevolgd. Volgens Calley had zijn directe baas, kapitein Ernest Medina, de eenheid het bevel gegeven keihard op te treden tegen de achtergebleven bewoners van het dorp. ‘Ze zijn allemaal Vietcong, dus neem hen te grazen’, zou hij hebben gezegd.
Uiteindelijk werd Calley na een lang proces in 1971 als enige van de 25 beklaagden veroordeeld. Ook enkele hoge officieren die ervan beschuldigd waren dat zij hadden geprobeerd de slachtpartij te verdoezelen, gingen vrijuit.
Calley kreeg levenslang opgelegd, maar daarvan heeft hij slechts drie jaar in de cel gezeten. Door ingrijpen van president Richard Nixon mocht hij zijn straf uitzitten onder huisarrest.
De afloop van het proces lokte felle protesten uit van de anti-Vietnambeweging. Volgens tegenstanders van de oorlog in Vietnam was My Lai slechts een voorbeeld van de misdragingen waaraan het Amerikaanse leger zich schuldig maakte, en was het hoog tijd de troepen terug te trekken. Dat zou nog vier jaar duren.
Na zijn vrijlating vestigde Calley zich in de staat Georgia, waar hij een juwelierszaak begon. Slechts één keer liet hij zich nog uit over My Lai. ‘Er is geen dag die voorbijgaat zonder dat ik wroeging voel over wat er die dag in My Lai is gebeurd’, zei hij in 2008 tijdens een publiek optreden. Verder leidde hij een onzichtbaar bestaan.
Zelfs zijn overlijden, op 28 april dit jaar, bleef onopgemerkt. Totdat een advocaat zijn naam onlangs tegenkwam in het overlijdensregister van de staat Florida. Calley werd 80 jaar.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant