Home

Wanneer we klaar zijn en ik aanstalten maak om te vertrekken, komt het hoge woord eruit

‘Je raadt nooit waar ik gisteren ben geweest’, zegt mevrouw Bijker (85). Ze zit in haar nachthemd op de rand van het bed.

‘Nou?’

Ze legt een zakdoek op haar schoot en vouwt hem open. Er liggen drie schelpen in: een kleine witte schelp, een scheermes en een hoorntje. Ze houdt het hoorntje tussen duim en wijsvinger omhoog. De schelp is niet helemaal heel; je kunt in het spiraalvormige binnenste kijken. ‘Mooi, hè? Dit is toch prachtig?’

Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Tijdens het wassen en aankleden vertelt mevrouw Bijker over het strand, de bus, de vrijwilligers en dat ze met haar voeten in de zee heeft gestaan. Van de bewoners die ik daarna uit bed help, hoor ik het verhaal nog eens, en nog eens, en nog eens.

‘Ik heb gisteren zo’n leuk uitje gehad’, zegt mevrouw Courbois (93). Ze zit al klaar op de douchestoel in de badkamer terwijl ik alles verzamel wat we nodig hebben. Handdoeken, washandjes, douchegel, shampoo, conditioner, schoon ondergoed en tig crèmes.

‘O ja?’

‘Naar de Albert Heijn.’

‘De Albert Heijn?’

‘O, jongen. Ik wist niet wat ik zag! Al dat eten! Hier eet ik wat me wordt
voorgeschoteld – ik hoef geen boodschappen te doen – en op een gegeven moment vergeet je wat er allemaal te koop is. Drop, bijvoorbeeld. Ik was altijd dol op drop.’ Mevrouw Courbois heeft anderhalf uur in haar elektrische rolstoel door de Albert Heijn gereden. ‘Het was een genot. Werkelijk waar. Ik keek me de ogen uit. Al die kazen. Brie! O, brie.’

‘Heeft u ook iets gekocht?’

‘Ja, heel bijzondere perziken. Platte perziken. Op het bordje stond dat het wilde

perziken zijn, maar daar geloof ik niets van, hoor. Ze zijn wel erg lekker. En wat heb jij dit weekend gedaan?’

‘Ik ben naar Amsterdam geweest.’

‘Ik ging vroeger ook vaak naar Amsterdam. Wat heb je daar gedaan?’

‘Is de temperatuur goed?’, vraag ik. Ik heb intussen de douche aangezet. ‘Voel maar even met uw hand.’

‘Ja, ja. Prima. Waar ben je geweest in Amsterdam?’ Ze wil er alles van weten.

‘Café Thijssen? O, dat ken ik wel. Kwam je van het station? Dan ben je de Prins Hendrikkade overgestoken en een stukje over de Singel gelopen, en dan rechtsaf, de Brouwersgracht op, hè?’

Ze noemt allerlei winkeltjes en cafeetjes die ik onderweg moet zijn gepasseerd en wil weten of die er nog zijn, maar ik kan het me niet herinneren.

‘Hoe kan dat nou? Je bent er twee keer langsgelopen.’

‘Ik ging naar een café, mevrouw Courbois. De terugweg mag u niet meetellen. Doet u uw hoofd even naar achteren? Dan was ik uw haren. Anders gaat u de volgende keer maar mee naar Amsterdam.’

‘Dat kan niet met mijn rolstoel.’

‘Natuurlijk wel. Op het station pakken we de lift naar het perron en dan stappen we in de sprinter. Die heeft een lage instapvloer, op gelijke hoogte met het perron, dus kunt u zo naar binnen rijden.’

‘Wat als de lift niet werkt?’

‘Ja, dan gaat het niet door. Dan gaan we een andere keer.’

‘En wat als de lift op de heenweg wel werkt en op de terugweg niet? Dan komen we niet meer thuis.’

‘Dat lost de NS wel op. Ik denk dat ze ons dan op een ander station laten uitstappen en een rolstoeltaxi sturen om ons thuis te brengen. Ik spoel uw haren uit, oké?’

Tijdens het afdrogen en aankleden zegt mevrouw Courbois niet veel. Op haar voorhoofd staat een moeilijke frons; ze is diep in gedachten verzonken. Wanneer we klaar zijn en ik aanstalten maak om te vertrekken, komt het hoge woord eruit.

‘Ik durf niet naar Amsterdam’, zegt ze, en dan slaat ze haar hand voor de mond en komen de tranen. ‘Misschien kan mijn rolstoel het wel, maar ík kan het niet. Zulke dingen kan ik niet aan, al heel lang niet meer.’

Ze zucht diep en recht dan haar rug. ‘Maar dat is niet erg. Als jij in Amsterdam bent geweest en erover vertelt, dan zie ik de grachten voor me. Dat is genoeg voor mij.’ Ze geeft me twee platte perziken gewikkeld in een vel keukenpapier. ‘Maar dan moet je de volgende keer wel wat beter opletten, ja?’

Dat is afgesproken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next