Frits Goldschmeding werd bekend als filantroop en een van de rijkste Nederlanders, maar zal de geschiedenis ingaan als de ‘godfather van de flexibilisering’. Maar de oprichter van uitzendbureau Randstad vond dat de mens meer is dan een ‘homo economicus’.
Vlak na zijn afscheid bij Randstad, in 1998, zei Frits Goldschmeding in het blad Elan dat Nederland zich niet zo druk moet maken over de economische schade van het fileprobleem, hoewel de lengte van de files dat jaar was opgelopen tot 68 duizend kilometer. ‘Een non-issue. Bij een filelengte van 100 kilometer op een dag komen 30 duizend forenzen te laat op hun werk. Dat is nog geen half procent van onze beroepsbevolking. Het dagelijkse kopje koffie kost dus meer tijd.
‘Hoe het dan komt dat we het er zo vaak over hebben? Omdat de beleidsmakers zelf in de rij staan. Die kunnen het zich veroorloven om in Wassenaar of Oegstgeest te gaan wonen en bijvoorbeeld hier in Amsterdam-Zuidoost te werken.’
Het werd de Wet van Goldschmeding genoemd. ‘We moeten ons goede geld niet uitgeven aan nog meer en bredere snelwegen. We moeten zorgen dat de leefgebieden dicht bij de belangrijkste werklocaties kwalitatief beter worden.’
Hij wilde de daad bij het woord voegen. Hij schreef een woningbouwvereniging die van plan was een blok galerijflats in de Bijlmer te slopen, dat hij de woningen voor 1 gulden per stuk wilde kopen om ze radicaal op te knappen. Goldschmeding zag het, zeker met de Zuidas en de Arena in de buurt, helemaal voor zich. Maar de woningbouwvereniging weigerde.
Frits Goldschmeding, die op 2 augustus 1933 werd geboren in een gereformeerd nest in Amsterdam, gooide graag een knuppel in het hoenderhok. Hij vond dat Nederlanders meer moesten werken in plaats van minder. Hij vond dat de kerken zich meer om de bedrijven moesten bekommeren.
De ondernemer, die drie keer trouwde, overleed op vrijdag 26 juli op 90-jarige leeftijd. Hij laat drie dochters achter, die via een ingenieuze, door de Belastingdienst bekritiseerde constructie al 10 procent van de aandelen van zijn houdstermaatschappij kregen.
Hij werd bekend als een van de rijkste mensen van Nederland en filantroop. Maar hij zal de geschiedenis ingaan als de ‘flexkeizer’ of de ‘godfather van de flexibilisering’.
In 1959 kreeg hij, als student economie aan de Vrije Universiteit, van hoogleraar Freek van Muiswinkel opdracht een studie te doen naar tijdelijk werk. Productiemiddelen zoals gebouwen en kapitaal waren voor korte of lange tijd te koop, te huur of te leen, observeerde de hoogleraar, ‘maar de factor arbeid blijft beperkt van half negen tot half zes, met een uurtje tussen de middag’.
Goldschmeding stuitte op een jaarverslag van autofabrikant Citroën, die daarin betoogde dat elk bedrijf met minder dan 5 procent tijdelijke krachten slecht was georganiseerd. Hij zag in dat de toenmalige theorie en praktijk van de arbeidsmarkt, met zijn starre ordening door de sociale partners, geen recht deed aan de groeiende behoefte aan nieuwe functies en werkpatronen.
De conclusie van de jonge onderzoeker: 4 tot 5 procent van de beroepsbevolking zou volgens de uitzendformule moeten werken. Daarnaast voorzag hij dat ook vrouwen massaal zouden gaan werken, terwijl Nederland op dat moment nog een eenverdiener-samenleving was. De man moest voldoende verdienen om voor zijn vrouw en kinderen te kunnen zorgen, zo vonden PvdA, CDA en de vakbonden. Wat er aan tijdelijk werk was, werd gedaan door wastobbebureaus, waar moeder even achter de wastobbe vandaan werd gehaald.
Goldschmeding besloot in 1960, samen met zijn vriend Gerard Daleboudt, tegen de tijdsgeest in een uitzendbureau op te richten dat het professioneel aanpakte: Uitzendbureau Amstelveen. Ze kochten een fiets en stopten eigenhandig folders in de bus bij bedrijven die uit de Gouden Gids waren gehaald. Niet iedereen stelde het op prijs. Hij werd zelfs een keer van de trap gegooid.
In het eerste jaar verdiende hij vrijwel helemaal niks: 9 gulden en 8 cent, omgerekend ruim 4 euro. Vier jaar later werd de naam veranderd in Randstad. Omdat een reclamecampagne te duur was, sloot hij een deal met piratenzender Veronica. Die mocht sympathisanten werven via de Randstad-filialen, en verhief in ruil de befaamde concern-jingle tot een hit: ‘Randstad uitzendburóóó!’
‘De naamsverandering was een gouden greep. Het betekende in het buitenland niks, maar het beklijfde ook daar gemakkelijk in het geheugen. Bovendien was het een anagram, je kunt er ‘standard’ van maken. Waar Randstad zich ook vestigde, binnen de kortste keren had het bedrijf een naamsbekendheid van 90 procent’, zei Goldschmeding in een interview met de Volkskrant.
Na Nederland konden ook vestigingen worden geopend in Duitsland, België en Groot-Brittannië. In de VS werd later de leus: ‘Randstad, a new standard for quality.’
In 1970, bij het tweede lustrum, had Randstad 32 kantoren in vier landen en een omzet van 47 miljoen gulden. Tien jaar later waren er meer dan 100 kantoren en was de omzet vertienvoudigd tot boven de 500 miljoen gulden.
Uitzendwerk was op dat moment maatschappelijk gezien nog steeds weinig populair. Politici en vakbonden zagen Randstad als een verstoorder van de arbeidsmarkt, weinig beter dan een koppelbaas.
Rond 1975 bereikte het imago van de uitzendbranche volgens Goldschmedingeen absoluut dieptepunt. Hij kon alleen maar wijzen op de voordelen. Hij zei dat flexwerkers door regelmatige verandering van werkkring voortdurend nieuwe kennis en ervaring opdoen, waardoor de kans op werkloosheid verminderde.
Tijdens de zware recessie van begin jaren tachtig kelderde de omzet van 540 miljoen in 1980 naar 470 miljoen in 1981 en 350 miljoen in 1982. Uit nood werd Randstad ook actief in de schoonmaak- en beveiligingsbranche. Maar al snel kon het bedrijf zich weer concentreren op tijdelijk werk dat steeds populairder werd. Randstad nam concurrenten als Tempo Team over en ging wereldwijd opereren.
Toen Goldschmeding in 1997 vertrok was Randstad een beursfonds, bedroeg de omzet al bijna 10 miljard gulden en waren er meer dan duizend vestigingen. Hij was opgeklommen van pionier, naar directeur, naar president-directeur en naar bestuursvoorzitter van de grootste uitzender ter wereld.
Als grootaandeelhouder met een belang van 30 procent in zijn eigen keten was Goldschmeding steenrijk. Jarenlang stond hij zelfs bovenaan de Quote 500-ranglijst. Hij relativeerde de gedachte dat hij een briljant manager zou zijn geweest. ‘Papier heen en weer schuiven en andere mensen opdrachten geven, is niks voor mij. Laat mij maar ondernemen.’
Hij ergerde zich herhaaldelijk aan het gebrek aan waardering voor zijn pioniersgeest. Niet alleen van politici en vakbonden, ook van de kant van de gereformeerde kerk (‘synodaal’) die hij trouw bleef. Hij nodigde herhaaldelijk dominees uit voor de opening van een vestiging. Bij de opening van een kantoor in Buitenveldert zei de dominee: ‘Ik hoor hier niet. Wat moet de kerk in een bedrijf?’
De kerk zag hem vooral als een kapitalist die uit was op winstmaximalisatie. ‘Ten onrechte’, vond Goldschmeding. In Trouw vertelde hij: ‘Echt begrijpen doe ik hun gereserveerdheid niet. Ik moet daarom wel aannemen dat zij geneigd zijn het ondernemerschap op één lijn te stellen met het slijk der aarde. Voor ondernemers telt in hun opvatting maar één ding: winst willen maken, en dat is vies. Daarmee wensen de kerken zich niet te identificeren. (...) Kerken concentreren zich alleen maar op zielige mensen. Mensen met drugsproblemen, allochtonen. Die vijver is overbevist. Alleen al in een stad als Amsterdam houden zich veertien organisaties bezig met zielige Turken.
‘Maar per saldo verkoopt de kerk zich toch slecht. De kerk focust eenzijdig op zaken als seks, drugsgebruik en zieligheid. Maar ziet niet om naar waarmee mensen echt mee bezig zijn, het verdienen van hun dagelijks brood. Die arbeid is in haar ogen verdacht. Hoe verzin je het.’
Goldschmeding wilde juist idealist zijn. In 2015 richtte hij de Goldschmeding Foundation voor Mens, Werk en Economie op, om liefde en medemenselijkheid terug te brengen in de samenleving. Mensen zijn meer dan winstmachines, zo zei hij.
De Goldschmeding Foundation ondersteundeprojecten en wetenschappelijke onderzoeken die inspelen op belangrijke maatschappelijke vraagstukken op het gebied van mens, werk en economie. Wat Bill Gates doet voor gezondheid in de wereld, moest de Nederlandse Goldschmeding Foundation gaan doen voor economie en medemenselijkheid in Nederland.
De financiering van de stichting kwam uit donaties van zijn persoonlijke houdstermaatschappij Randstad Beheer, waarin hij zijn beleggingen had ondergebracht. In 2021 verdiende Randstad Beheer 260 miljoen euro, vooral dividenden van Randstad. De waarde van zijn aandelen werd in 2023 door Quote geschat op 5,8 miljard euro, waarmee hij achter Charlene de Carvalho-Heineken en Ralph Sonnenberg de derde plek bezet.
Goldschmeding richtte zijn Foundation op om zijn levenswerk veilig te stellen voor de verre toekomst. Ook na zijn dood moet de stichting – waar aanvankelijk CDA-prominenten bij betrokken waren – op de oude voet verdergaan. Een van de eerste troeven was een nieuw lespakket economie voor middelbare scholen, gemaakt door de Tilburgse hoogleraar economie Lans Bovenberg. Daarin moet worden afgerekend met het idee dat het economisch systeem wordt bestierd door de ‘homo economicus’, die zich weinig gelegen laat liggen aan samenleving of moraal.
Andere goede doelen stichtingen die hij oprichtte zijn Stichting ’t Kromme Lant, die Goldschmeding vernoemde naar zijn eigen villa in ’t Gooi, en Virtutis Opus, onder meer bekend als sponsor van het Rijksmuseum.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant