Home

Bep Buijsers (100): ‘Een vrouw met een miljoen was dat kwijt na haar huwelijk’

Bep Buijsers-Jansen is 100 jaar. Hoe kijkt deze ooit rebelse tiener terug op de eeuw die achter haar ligt?

Bep Buijsers woont al 67 jaar in hetzelfde huis op de oostflank van de Sint-Pietersberg, in Maastricht. Ze vertelt haar levensverhaal aan de eettafel, een huwelijkscadeau uit 1949. De 100-jarige kan smakelijk vertellen over haar avonturen op de nonnenschool die ze als tiener zo vervloekte.

Twee maanden geleden zag het er niet naar uit dat u nog een interview kon geven.

‘Wat was er ook alweer gebeurd?’ (Haar zoon, aanwezig bij het interview, frist haar geheugen op.) ‘Oja, de ochtend van onze afspraak kreeg ik ineens geen lucht meer en moest ik met spoed per ambulance naar het ziekenhuis. Daar bleek dat de aansturing van mijn hart niet in orde was. Mijn klachten zijn over gegaan. Voor het eerst in mijn leven slik ik nu pilletjes – zelfs een aspirientje heb ik nooit genomen.

‘Ik vind dat ik te lang leef, bij van alles heb ik hulp nodig. Ik mis de vrijheid; mijn boeltje pakken en op pad gaan. Door het trapje voor mijn deur kan ik niet meer alleen naar buiten. Ik heb ook moeite met mijn hoge leeftijd omdat ik mijn dochter heb overleefd. Alice is op haar 66ste overleden, aan darmkanker.’

U was een rebelse tiener, vertelde uw zoon.

‘Ik ben in Amsterdam geboren, 12 jaar was ik toen we verhuisden naar Maastricht – verschrikkelijk vond ik dat. Wat moest ik daar? Weg van mijn vriendinnen en mijn opa bij wie ik vaak logeerde. Mijn vader werkte als inspecteur bij de Amsterdamse politie. Omdat hij praktiserend katholiek was, kon hij daar geen promotie maken, dus om een kans te maken commissaris te worden, moesten we naar het zuiden verhuizen.

‘In Maastricht sprak iedereen net zo lijzig als Marietje, een meisje uit mijn klas op het lyceum in Amsterdam aan wie ik zo’n hekel had. Ik ging naar de hbs bij de nonnen van Ursulinen. Eén non had duidelijk de pik op mij. Ik zat nog maar net op die school toen ze de klas vroeg wie in Luik of Verviers was geweest. Iedereen, behalve ik natuurlijk. Dat maakte mij kwaad. Ik vroeg haar of ik ook een vraag mocht stellen: ‘Wie is er weleens op de Afsluitdijk geweest?’ Niemand natuurlijk, behalve ik, haha. ‘O, zei de non snedig, ‘dáárom wilde je die vraag stellen!’’

U gedroeg zich bepaald niet onderdanig.

‘Ze noemden mij brutaal, daar was ik het niet mee eens. Ik gedroeg mij vrij, zoals ik in Amsterdam gewend was. Ik weigerde de nonnen die lesgaven aan te spreken met ‘mère’, en de andere nonnen met ‘soeur’. De nonnen van Ursulinen hadden allemaal een gelofte van armoede afgelegd, maar ondertussen maakten ze onderling wel onderscheid, dat vond ik niet kloppen. De directeur kwam langs – een man natuurlijk – en vroeg mij waarom ik de nonnen niet met ‘mère’ of ‘soeur’ wilde aanspreken. ‘Ze zijn mijn moeder en mijn zussen niet’, antwoordde ik – daar had hij niet van terug.

‘Ik voelde mij afschuwelijk op die school. Daar liet ik dat niet merken, maar ik kwam elke dag huilend thuis. Op een dag zei mijn vader: ‘Bep went hier niet, we kunnen haar beter terug naar Amsterdam laten gaan.’ Daar verzette mijn moeder zich tegen: ‘Dan ben ik mijn dochter kwijt!’

‘Mijn vader ging naar de school om te praten, met opzet in zijn politieuniform. De volgende dag zei de non met wie ik niet kon opschieten: ‘Je vader is langs geweest, het komt allemaal goed.’ Ze deed voortaan poeslief en trok mij zelfs voor.’

Welke herinneringen heeft u aan uw jeugd in Amsterdam?

‘We hadden het goed, het heeft mij nooit aan iets ontbroken. Als een van de weinigen in de straat hadden wij een auto en gingen we op vakantie. Mijn vader deed van alles naast zijn baan bij de politie, zoals lesgeven en een katholieke politiebond oprichten. We verhuisden naar een groot huis in een nieuwe wijk in Amsterdam-Zuid, met een parketvloer. Elk jaar kwam een belastinginspecteur ons interieur bekijken voor de interieurbelasting. Voor het bezit van onze Perzische tapijten moesten we betalen, voor de piano en zelfs voor het bad.’

Lukte het uw vader in het katholieke zuiden commissaris van politie te worden?

‘In Maastricht werd hij eerst plaatsvervangend commissaris. Nadat de Duitsers Nederland hadden bezet, vroeg de ondergrondse aan zijn baas of hij zich wilde aansluiten bij het verzet. Dat weigerde hij. Daarna vroegen ze mijn vader, die ‘ja’ zei. Ik hoor mijn moeder nog tegen hem zeggen: ‘Je hebt drie kinderen, waarom zou jij het wèl doen?!’ ‘Ik kan niet anders’, was zijn antwoord.

‘De commissaris meldde zich ziek en zou de hele bezettingstijd zijn ambt niet uitoefenen, mijn vader verving hem. Toen de oorlog voorbij was, kwam de commissaris weer terug naar het politiebureau. Alle agenten stonden op en liepen demonstratief naar buiten, roepend: ‘Jansen is onze commissaris!’ Als tweede man had mijn vader al zijn zaakjes kunnen opknappen. Het hele bureau wilde dat hij aanbleef in die positie. Mijn vader is toen op de motor naar Den Haag gereden en heeft daar gedaan gekregen dat hij de politiecommissaris werd.

‘Hij heeft nooit verteld wat hij voor het verzet heeft gedaan, behalve dat hij Joodse families hielp via grotten in de Sint-Pietersberg te ontkomen aan razzia’s. Ik herinner me dat er geregeld mannen bij ons op bezoek kwamen en de schuifdeuren in de huiskamer dichtgingen, omdat wij niet mochten horen wat ze bespraken. Het was linke soep om als politieman voor de ondergrondse te werken. Na de Bevrijding zei mijn vader cynisch: ‘Als het nóg eens oorlog wordt, heul ik met de vijand óf begin ik een frietkraam.’ Hij kon er niet tegen dat veel mensen die niet koosjer waren geweest, na de Bevrijding goede banen kregen.’

Heeft u kunnen doorleren na de hbs?

‘Mijn moeder is vanaf haar 11de nooit meer naar school geweest omdat ze in de huishouding moest werken. Daarom stond zij erop dat ik óók na mijn examen hbs-b zou doorleren. Ik was goed in exacte vakken. Op een dag kwamen mijn vader en ik de directeur van het rijkslaboratorium tegen, die vroeg wat ik ging studeren. ‘Scheikunde op de hts’, zei mijn vader – naar de universiteit wilde ik niet omdat je dan een loyaliteitsverklaring voor de Duitsers moest tekenen. ‘De hts is niets voor een meisje’, reageerde de man, ‘ze kan bij mij op het laboratorium komen werken.’ Mijn vader zei dat ik het kon doen en als het mij niet zou bevallen, ik alsnog naar de hts kon gaan. Ik ben op het lab gaan werken, kreeg er een interne opleiding tot chemisch analist en ben er blijven hangen. Ik onderzocht meststoffen, grond, gras en gedroogde koeienvlaaien – waarop precies, weet ik niet meer. Het was geen eenvoudig werk en ik vond het leuk. We kregen extra melk te drinken omdat we vaak in nitreuze dampen zaten te werken – heel ongezond.’

Vindt u dat u uw talenten voldoende heeft kunnen ontwikkelen?

(Met stemverheffing:) ‘Nee! Absoluut niet! Ik had veel meer gekund en vind het jammer dat ik niet ben gaan studeren. Niet dat ik spijt heb; tenslotte heb ik op het lab mijn man leren kennen. Ik ben niet iemand die gaat zitten zeuren, van: o, had ik maar dit of dat gedaan. Ik heb een prima leven gehad, maar het is niet zo dat ik, als ik het kon overdoen, dezelfde keuzen zou maken. Dan zou ik geschiedenis zijn gaan studeren, dat interesseert mij toch het meest van alles; historische boeken en romans lees ik het liefst.’

Wat is het belangrijkste besluit dat u ooit heeft genomen?

‘Trouwen, denk ik, want dan gaf je als vrouw je zelfstandigheid op, in die tijd was dat tenminste zo. Zo heb ik het niet beleefd hoor, dat is niet mijn natuur. Jan was ook geen man die van een afhankelijke vrouw hield. Maar het was wel zo dat ik op 1 augustus 1949, de dag dat we voor de wet trouwden, werd ontslagen. Alle ambtenaressen verloren hun baan zodra ze trouwden.’

Was u niet woest?

‘Het kon mij niks schelen, ik zou haast zeggen: ik was liever lui dan moe. Het eerste jaar, voordat ons eerste kind werd geboren, zat ik thuis niks te doen. Achteraf had ik in dat jaar net zo goed kunnen werken en geld verdienen. Tot 1957 waren vrouwen ook nog eens handelingsonbekwaam. Als je als vrouw een miljoen meebracht in het huwelijk, was je dat kwijt.

‘Het eerste jaar na ons trouwen woonden mijn man en ik bij mijn ouders in. Daarna konden we terecht in een huis in Oisterwijk, in Brabant. Het was het tweede huis van een dokter in Den Haag, dat de gemeente had gevorderd vanwege de woningnood. Het was een villa met zestien kamers en 2 hectare grond, midden in het bos, zonder elektra, gas was er wel. Water pompten we uit de grond. Het lag zo afgelegen dat de vuilnisman niet langskwam, afval gooiden we daarom in een kuil. Na een paar jaar zijn we naar het dorp verhuisd, ik vond het er toch te eenzaam overdag met twee kleine kinderen.’

Is het nog goed gekomen met u en Maastricht?

‘Jawel. Maastricht is prima. Ik kreeg er veel kennissen en die zeiden: dich bis eine vaan us, je bent een van ons. Maar een echte Maastrichtse voel ik mij niet, ik blijf een vrije Amsterdamse.’

Bep Buijsers-Jansen

geboren: 3 april 1924 in Amsterdam

woont: zelfstandig, in Maastricht

beroep: laborante

familie: nog twee broers (90 en 93 jaar) twee kinderen (een overleden), één kleinkind

weduwe: sinds 2015

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next