Home

Haar beleid bleek een sloophamer voor het glazen plafond: ‘Nu gaat de helft van de vacatures naar vrouwen’

Aan de TU Eindhoven was het erbarmelijk gesteld met de emancipatie. Om het tij te keren waren rigoureuze maatregelen nodig, besefte hoogleraar en diversiteitscoördinator Evangelia Demerouti. Vijf jaar na de invoering blijkt haar voorkeursbeleid een groot succes.

Van ‘volkomen van de pot gerukt’, ‘walgelijk’ en ‘schandalig’ tot nazivergelijkingen als ‘mannen niet gewenscht’. De eerste reacties op het plan van Evangelia Demerouti om op de Technische Universiteit Eindhoven vacatures alleen voor vrouwen open te zetten waren, in de woorden van de hoogleraar, ‘dramatisch’. Ze lacht. ‘We werden van alle kanten bekritiseerd, zowel binnen als buiten de universiteit. Op Twitter was het overgrote deel van de reacties ronduit negatief.’ De maatregelen zouden vrouwen beledigen en mannen discrimineren.

Tot 2019 is het erbarmelijk gesteld met de emancipatie aan de TU Eindhoven. Maar liefst zeven op de acht hoogleraren is man – op geen enkele andere Nederlandse universiteit is die verhouding op dat moment zo scheef. Vrouwen zijn er wel, maar vooral in lagere wetenschappelijke functies, zoals universitair docent. Het glazen plafond lijkt wel van gewapend beton.

Om het tij echt te keren zijn rigoureuze maatregelen nodig, beseft Evangelia Demerouti, naast hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie ook diversiteitscoördinator aan de TU Eindhoven. Ze komt met een stoutmoedig voorstel: vanaf 1 juli 2019 komen vacatures voor wetenschappelijke stafleden zoals hoogleraren de eerste zes maanden alleen voor vrouwen open te staan. Pas als er zich dan nog steeds geen goede kandidaat heeft gemeld, mogen ook mannen solliciteren. Zo kan niemand klagen dat de baan naar een ongeschikte onderzoeker gaat. En elke vrouw die wordt aangenomen, krijgt een startbudget van 100 duizend euro voor onderzoek.

Nu, vijf jaar na de invoering, blijkt het voorkeursbeleid een groot succes, maakte de TU Eindhoven vorige maand bekend. De man-vrouwverhouding bij nieuwe leden van de wetenschappelijke staf is inmiddels 50-50, tegen 70-30 vijf jaar geleden. Het totale percentage vrouwen is gestegen tot 29 procent.

Een spectaculair resultaat, dat echter niet zonder slag of stoot tot stand kwam. Op het groene terras van Grand Hotel Karel V, in het hart van haar woonplaats Utrecht, vertelt de van oorsprong Griekse Evangelia Demerouti (54) over de weerstand die ze moest overwinnen. Zelf is ze bescheiden over het succes. ‘Ik weet niet of ik zo veel interessants te vertellen heb.’

Het is de eerste tropische dag van het jaar. De hoogleraar zit ontspannen achterover in een rieten stoel, gekleed in een zwarte jurk. Haar stem is zacht, met een duidelijk mediterraan accent. Soms zoekt ze naar de correcte formulering.

Aimabel en warm, zo typeerde oud-rector Frank Baaijens, met wie ze destijds de plannen vormgaf, haar in een voorgesprek. Het zijn kwaliteiten waarmee ze volgens hem mensen meekrijgt. Al lukte dat niet meteen bij dit plan: iedereen meekrijgen.

Waarom moest de sollicitatieprocedure zó streng worden?

‘Met alleen vrijblijvende afspraken kom je er niet. Mensen zijn enorm geneigd om vast te houden aan hun gewoonten en belangen. Meerderheidsgroepen, mannen in dit geval, willen hun voordelen niet kwijt, zoals makkelijker promotie kunnen maken.’

De beperkte doorstroming van vrouwen was al jaren een doorn in het oog van het Eindhovense college van bestuur. Het kwam met talloze initiatieven. Faculteiten kregen doelstellingen mee om meer vrouwen aan te nemen. Vacatures werden aangepast, zodat ze uitnodigender voor vrouwen zouden zijn – denk aan het benadrukken dat de TU Eindhoven diversiteit waardeert en nastreeft. Leden van sollicitatiecommissies kregen trainingen om zich bewust te worden van impliciete vooroordelen. Objectieve criteria moesten voortaan vooropstaan bij de kandidaatselectie, in plaats van beslissingen op basis van intuïtie – daarbij ligt kiezen voor wat je al kent namelijk op de loer.

De maatregelen sorteerden echter weinig effect. Er kwamen gemiddeld elf vrouwen per jaar bij in de hogere wetenschappelijke functies, waarmee het doel van 30 procent vrouwelijke hoogleraren in 2030 een illusie bleef. ‘We wisten ons geen raad meer’, zegt Demerouti.

Het belang van gendergelijkheid kan niet worden onderschat, weet de Griekse als organisatie-expert. Diversere teams zijn creatiever en innovatiever, en hebben meer werkplezier. ‘Vrouwen zorgen voor minder competitieve en humanere organisaties. In plaats van presteren en snelle winsten komen langetermijnsucces en betere diensten leveren meer voorop te staan.’ Dat is uiteindelijk betekenisvoller voor zowel werknemers en werkgevers als de maatschappij.

Wanneer de overheid in 2019 extra geld voor bèta en techniek beschikbaar stelt (de zogeheten sectorplannen), komt Demerouti met een radicaal plan. Wat nu als we die middelen gebruiken om vacatures speciaal voor vrouwen te creëren?, appt ze rector Frank Baaijens. En om hun onderzoek een kickstart te geven met extra onderzoeksgeld en een mentorprogramma?

Baaijens reageert enthousiast. Werk het maar uit, zegt hij.

Zo gezegd, zo gedaan. Baaijens bedenkt de naam voor dit nieuwe fellowship: Irène Curie, naar de dochter van Marie Curie, beiden Nobelprijswinnaars. Het benadrukt mooi dat het programma zich richt op de volgende generatie veelbelovende vrouwelijke wetenschappers.

Waarom werkte dit plan wél?

‘Door een combinatie van factoren. Allereerst omdat de maatregelen bindend, helder en eenduidig waren, zonder ruimte voor interpretatie. Het was ook duidelijk dat het college van bestuur dit echt ging doorzetten. Daardoor konden leidinggevenden er niet onderuit.

‘Daarnaast werd een apart scoutingteam opgesteld dat vrouwen actief benaderde om te solliciteren – het werkt niet als je afwacht totdat minderheidsgroepen zichzelf melden. Dat we een speciaal fellowship in de aanbieding hadden, met extra geld en begeleiding, hielp vrouwen ten slotte ook over de streep.’

Toch zijn ook vrouwen niet altijd onverdeeld enthousiast over dit soort initiatieven. Planeetwetenschapper Daphne Stam, die de TU Delft verliet vanwege het ‘old boys network’, vreest bijvoorbeeld dat je zo nooit afkomt van het etiket ‘excuustruus’. En sommige wetenschappers die hoogleraar werden via eerdere landelijke stimuleringsprogramma’s voor vrouwelijke wetenschappers, hangen dat liever niet aan de grote klok.

‘De schuld daarvan ligt bij de organisatie waar iemand werkt. Vrouwen weten zelf echt wel dat ze goed genoeg zijn; het zijn anderen die zo over hen praten. Mensen die negatief de toon zetten op een afdeling stimuleren stereotiepe denkbeelden. Sommige mannelijke hoogleraren aan de TU, hoorde ik, zagen vrouwelijke collega’s als niet meer gemotiveerd zodra ze zwanger werden.

‘Je moet leidinggevenden hebben die dat soort denkbeelden de kop indrukken. Dat doen de selectiecommissies voor Irène Curie-functies ook. Zij benadrukken constant dat de verwachtingen en eisen bij vacatures niet lager zijn. De vrouwen die aangenomen worden, hebben dus simpelweg de vereiste kwaliteit.’

Liep u zelf aan tegen vooroordelen, toen u in 2009 begon als hoogleraar?

‘Ik voelde me aanvankelijk een ontzettende buitenstaander. Ik was vrouw, en ook nog eens Grieks. Ik had op Kreta gestudeerd. Heb je in Zuid-Europa fatsoenlijke universiteiten dan, vroegen sommige collega’s half gekscherend, ze zijn toch lui daar?

‘Wat mij hielp, is dat ik nooit zo bezig ben met wat anderen van mij vinden. Ik haal mijn motivatie uit het oplossen van de puzzels in mijn onderzoek, ik probeer beter te worden in wat ik doe en probeer ook anderen vooruit te helpen. Sommige wetenschappers, meestal mannen, schreeuwen constant van de daken hoeveel publicaties ze hebben. Ik vind erkenning voor de inhoud van mijn academische bijdragen belangrijker.’

Haar wetenschappelijke productie is nochtans indrukwekkend. Met ruim vierhonderd artikelen is Demerouti een van de meest publicerende wetenschappers in Eindhoven. De psychologische theorie die ze ontwikkelde om burn-outs mee te verklaren is vermaard onder vakgenoten. Haar publicaties zijn meer dan honderdduizend keer aangehaald door wetenschappers wereldwijd.

Vier maanden na invoering van jullie voorkeursbeleid stapte antidiscriminatiebureau Radar naar het College voor de Rechten van de Mens (CVRM). Zij hadden 54 klachten gekregen. Wat vond u daarvan?

Er klinkt een schamper lachje. ‘Ik vond het belachelijk. Niet te geloven. Het waren ook allemaal mannen, hè? Voor het eerst moesten zij eens een stapje opzijzetten, en dan krijg je dit. Het was ook niet zo dat alle banen naar vrouwen gingen; er waren genoeg vacatures die na zes maanden nog niet ingevuld waren.’

Toch gaf het CVRM hun gelijk.

‘Ja, want ons beleid was tegen de Europese regels. Critici zeiden: zie je wel, dit gaat nooit werken. We waren enorm teleurgesteld, we dachten iets moois te hebben. Gelukkig was het College het met ons eens dat een voorkeursbeleid an sich gerechtvaardigd was. Men vond onze aanpak alleen te grof, omdat het gold voor álle vacatures, terwijl de man-vrouwverhouding niet overal op de universiteit scheef was. Het moest proportioneler.’

Moest u wéér een alternatief plan bedenken.

‘Voor ons voelde de uitspraak niet als een volledige afwijzing, maar als een uitnodiging om ons beleid aan te passen. Nu wordt het per situatie bekeken. Het voorkeursbeleid geldt alleen als het percentage vrouwen binnen een bepaalde functie, bijvoorbeeld van hoofddocent, lager is dan 30 procent op de betreffende faculteit. Daarmee ging het CVRM akkoord. Nu gaat de helft van de vacatures naar vrouwen. Daar ben ik heel trots op. De critici hebben ongelijk gekregen.’

Is de sfeer op de universiteit veranderd, nu er meer vrouwen rondlopen?

‘Dat was na twee jaar al zo, zagen we bij een onderzoek onder onze medewerkers. Zij vonden diversiteit belangrijker en hadden de indruk dat leidinggevenden inclusiever waren geworden. Oftewel, dat ze meer openstonden voor mensen met andere ideeën en wensen.

‘Ik hoor ook nooit meer dat zwangere vrouwen geen ambities hebben. En een van de TU-medewerkers die destijds een klacht had ingediend bij Radar, zei later tegen mij dat hij inmiddels vond dat de nieuwe vrouwen toch wel erg goed in hun werk waren.

‘Ik merk ook dat er nu meer diversiteitsplannen van onderop komen, zonder initiatief door mij. Zoals trainingen over hoe je colleges inclusiever maakt, door meer gebruik te maken van de perspectieven van buitenlandse studenten.’

Werken deze maatregelen ook in andere mannenbolwerken, bijvoorbeeld in de bouw?

‘Daar ben ik van overtuigd. Het onderzoeksgeld kun je dan vervangen door iets wat vrouwen in die specifieke sectoren nodig hebben om optimaal te functioneren. In de bouw kun je dan denken aan apparaten die fysiek werk verlichten.

‘Wat wel essentieel is, is dat je ook daar vrouwen actief rekruteert. Overigens zou je zulk voorkeursbeleid in vrouwenomgevingen kunnen invoeren, denk aan hr-afdelingen of de kinderopvang.’

Hebben quota ook zin bij andere ondergerepresenteerde groepen, zoals niet-westerse wetenschappers? Vijf jaar geleden was u daar geen voorstander van. Er waren al negentig nationaliteiten aan de TU, zei u.

‘Quota werken alleen als ze bindend zijn, heb ik ervaren. Maar die zijn lastig in te voeren bij heterogene kenmerken die niet simpel fiftyfifty verdeeld zijn, zoals neurodiversiteit (di­ver­si­teit in het cog­ni­tief func­ti­o­ne­ren van mensen, red.) of afkomst. Je kunt niet het ene half jaar vacatures alleen openzetten voor mensen uit Afrika, en vervolgens uit Zuid-Amerika.

‘Maar ik denk dat onze veranderde manier van selecteren, en de aandacht voor inclusiviteit, ook positief uitpakt voor andere minderheidsgroepen. Vroeger dachten bepaalde leidinggevenden bijvoorbeeld dat prikkelgevoelige mensen die op drukke dagen thuis willen werken geen zin hadden. Nu realiseren zij zich dat dat voor sommigen gewoon beter werkt.’

Is de samenleving meer klaar voor dit soort vooruitstrevende maatregelen dan vijf jaar geleden?

‘Ik weet het niet. Als ik om mij heen kijk bij hoogopgeleiden, heb ik niet het idee dat de vrouwen nou allemaal zo geëmancipeerd zijn. Je wordt bijvoorbeeld als vrouw al snel erop aangekeken wanneer je kostwinner bent, of fulltime werkt, zoals ik. Dat is duidelijk niet de bedoeling.’

Als het aan de nieuwe regering ligt, verdwijnen de sectorplangelden, waarmee het Irène Curie-programma deels wordt betaald. En ook het aantal internationale studenten moet omlaag.

‘Ik schrik van die plannen. Waarom zou je minder geld willen investeren in onderwijs? De Nederlandse economie moet het juist hebben van kennis. Dat is ons kapitaal! Ons fellowship komt voorlopig gelukkig niet in gevaar, want het college van bestuur heeft hiervoor ruim 5 miljoen euro gereserveerd.

‘En wat internationalisering betreft: buitenlandse studenten brengen iets extra’s mee, waar ook Nederlandse studenten van profiteren. Ze werken vaak hard en hebben een hoog niveau. Een veelgehoorde klacht is dat de meesten vertrekken na hun afstuderen, maar dat is helemaal niet erg! Ze zijn dan namelijk ambassadeurs van Nederland, dat is veel waard.

‘Kijk naar mijzelf. Ik kreeg subsidie van de Duitse overheid om daar te kunnen promoveren, na mijn studie in Griekenland. Ik ben Duitsland daar nog altijd heel dankbaar voor, en benoem dat ook vaak.’

Demerouti heeft geen moeite om haar plannen om te gooien. Zo had ze bijvoorbeeld nooit het voornemen om naar Nederland te gaan. Ze promoveerde in 1999 in Duitsland, toen psychologie als wetenschappelijk vakgebied in Griekenland nog in de kinderschoenen stond. ‘Mijn ooms hadden ook in Duitsland gestudeerd.’

Toen haar proefschrift bijna af was, leerde ze op een congres haar huidige echtgenoot Arnold Bakker kennen, destijds psychologie-onderzoeker in Groningen. Ze reisde hem achterna en is nooit meer uit Nederland weggegaan.

Een uitgestippeld loopbaanpad had ze evenmin. ‘Ik koos steeds de interessantste optie van de dingen die op mijn pad kwamen. Aanvankelijk wilde ik ook helemaal geen psycholoog worden, maar sportdocent. Ik deed fanatiek aan atletiek. Totdat een kapotte meniscus daar een streep doorheen zette.’

Heeft u uw emancipatoire ambities en doorzettingsvermogen van huis uit meegekregen?

‘Ik heb een enorm rechtvaardigheidsgevoel, dat heb ik denk ik deels te danken aan mijn opvoeding. Eerlijkheid vonden mijn ouders belangrijk, naast bescheidenheid en hard werken. Ze stimuleerden mij om te gaan studeren, maar vonden wel dat ik te veel sportte. Als je geen goede cijfers haalt, moet je daarmee stoppen, zei mijn moeder.

‘Zij was huisvrouw, mijn vader werkte als ingenieur in een staalfabriek. Ik weet nog goed dat er op een gegeven moment voor hem ontslag dreigde, toen ik jong was. Die onzekerheid vrat aan hem, hij werd er letterlijk ziek van.

‘Dat je ziek kon worden van je werk maakte veel indruk, ik wilde weten hoe dat precies zat. Ik denk dat toen het zaadje gepland is voor mijn interesse in burn-outs en werkstress, mijn expertisegebied.’

Kan diversiteit burn-outs reduceren?

‘Zeker, dat helpt enorm. In masculiene organisaties is de werkomgeving over het algemeen slechter, laat onderzoek zien. Vrouwen krijgen dan meer taken op hun bordje en hebben tegelijkertijd minder hulpbronnen; zoals collega’s die je helpen of feedback geven, bijvoorbeeld door te zeggen hoe je iets een volgende keer effectiever kunt aanpakken. Die combinatie is een recept voor een burn-out, is een van de belangrijkste inzichten uit mijn onderzoek.

‘Om burn-outs te voorkomen is het ook belangrijk dat je de autonomie hebt om dingen zelf te beslissen in je werk. Een inspirerende en inclusieve leidinggevende is daarbij essentieel. In een omgeving met meer vrouwen is dat allemaal vaker aanwezig.’

Mist u het leven in Griekenland weleens?

‘Ik heb al heimwee sinds 1992, toen ik naar Duitsland vertrok. Ik voel me op mijn gemak hier en helemaal geaccepteerd, maar ik zal altijd Grieks blijven. Op Koningsdag ga ik naar de vrijmarkt, maar niet in oranje kleren, dat zou gek voelen. Onze beide kinderen spreken ook goed Grieks. Ik volg het Griekse nieuws op de voet, lees Griekse kranten en boeken.

‘Het fijne van in Griekenland zijn, is dat ik niet opval en alles snap. Ik hoef niet, zoals nu, naar bepaalde woorden te zoeken. Het landschap, de steden: alles is simpelweg bekender. Mijn hele familie woont ook daar: mijn moeder, zusje en haar kinderen.

‘Afgelopen oktober voelde ik de afstand voor het eerst heel sterk, toen mijn vader overleed. Daarom draag ik nu ook zwarte kleren, als teken van rouw. Ik ben niet heel religieus, maar dat hoort bij de Grieks-orthodoxe traditie. Toen hij ziek werd, vond ik voor het eerst dat ik te ver weg was. Je hebt continu het gevoel dat je liever daar wilt zijn.

‘En nu kan ik nog steeds niet zomaar even bij mijn moeder op de koffie. Dat ervaar ik wel als een offer, ja. Het verscheurt me vanbinnen. Gelukkig ga ik deze zomer weer daarheen.’

Hoe ziet zo’n bezoek eruit?

‘Dan ga ik naast mijn moeder zitten en staren we samen naar de zee en de bergen. ’s Middags gaan we slapen, en ’s avonds weer naar buiten. Verder doen we weinig.

‘Als het zou kunnen, zou ik ook morgen met pensioen gaan, geen enkel probleem. Dat klinkt misschien tegenstrijdig, voor iemand die werkomgevingen wil veranderen. Maar ik zou meer vrije tijd willen hebben, vaker in Griekenland kunnen zijn. Een tuin en een boekenkast zijn alles wat je nodig hebt om gelukkig te zijn, zei de Romeinse schrijver Cicero al. En vrienden en geliefden, zou ik daar zelf aan willen toevoegen.’

Evangelia Demerouti

1970 geboren in Chalkida (Griekenland)

1988-1992 studie psychologie, Universiteit van Kreta

1999 proefschrift (cum laude) in de arbeids- en organisatiepsychologie, Carl von Ossietzky-universiteit Oldenburg (Duitsland)

1999-2009 vervolgonderzoek aan Erasmus Universiteit, Radboud Universiteit en Universiteit Utrecht

2009-heden hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie TU Eindhoven

2017-heden diversiteitscoördinator TU Eindhoven

2022-heden lid raad van toezicht Universiteit van Tilburg

2023-heden president van de Europese Vereniging van Arbeids- en Organisatiepsychologen

Demerouti is getrouwd met hoogleraar Arnold Bakker (Erasmus Universiteit), ze hebben twee volwassen kinderen

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next