Home

‘Ik heb een lichte en een zware kant, misschien dat ik me daarom zo thuis voel in de poëzie’

Sasja Janssen won een oeuvreprijs, en een prijs voor haar bundel Virgula. Nu is er de bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica. ‘Dichten is een strohalm, een soort leven naast de werkelijkheid.’

De gedichten kwamen soms uit haar tenen, maar in mei dit jaar kreeg Sasja Janssen (1968) maar liefst twee prijzen toegekend: de prestigieuze A. Roland Holstpenning, een oeuvreprijs die maar eens in de drie jaar wordt uitgereikt, en de Johan Polak Poëzieprijs, de nieuwe jaarlijkse onderscheiding voor een dichtbundel. Aan penning en prijs zijn bedragen van respectievelijk 10 duizend en 50 duizend euro verbonden.

‘Sasja Janssen schreef poëzie die je niet uit kúnt hebben, die bij herlezing steeds opnieuw aan spanning wint’, schreef de jury van de Polakprijs over de bundel Virgula.

‘Het moet nog indalen’, zegt Janssen in haar lichte Amsterdamse bovenwoning. ‘Dat geldbedrag is heel fijn, want nu kan ik het volgend jaar iets rustiger aandoen met lesgeven en geld verdienen. Maar het is vooral een enorme erkenning. Een gevoel van vertrouwen.’ Lachend: ‘Maar niet dat ik dan nu denk: o, ik kan het!’

Nee? Na alle goede kritieken denkt u dat nog steeds niet?

‘Nee. Elk gedicht moet je toch opnieuw veroveren. Maar misschien is dat ook goed, het houdt je scherp.’

Sasja Janssen is als haar poëzie: cerebraal en gevoelig, luchthartig en serieus, ze denkt en schrijft abstract en beeldend tegelijk. ‘Ik heb een lichte maar ook een zware kant. Dat vind ik ook zo leuk van de poëzie, dat het aan de ene kant iets lichts, kinderlijks, bijna naïefs heeft en aan de andere kant die zwaarte, het is heel existentieel. Misschien dat ik me daarom zo thuis voel in de poëzie.’

Wilde u altijd al dichter worden?

‘Toen ik kind was wel. Maar ik heb eerst twee romans gepubliceerd. Terwijl ik poëzie altijd het allerhoogste vond. Toen mijn vader doodging, kwam er opeens een gedicht, toen is mijn dichtader opengesprongen. En vanaf dat moment ben ik nooit meer teruggekeerd naar proza. Dat was in 2006. Het klinkt overdreven, maar ik zie het dus toch een beetje als een geschenk van mijn vader.’

Wat maakt het schrijven van poëzie fijner dan proza?

‘Bij poëzie heb je de logistiek niet die je in een roman wel hebt. Waarom komt er iemand een kamer in? Waarom ligt er iemand op een bed? Hoe krijg je diegene van dat bed af? Dat soort problemen. Ik heb vaak wel een soort plot in mijn gedichten. Maar je hoeft daar niet helemaal naartoe te werken. Je hoeft geen personages in de verf te zetten. Die zijn er gewoon, bam.

‘Toevallig las ik vanochtend in De Gids een stuk over Chinese schrijvers. Zij schrijven naar mijn idee hetzelfde als dichters. Ze scheppen meer ruimte, zijn niet bezig met het plot. Ze zetten een boek thematisch neer. Dat vinden wij hier dus moeilijk om te lezen, omdat we zo gewend zijn aan een lijn, een ontwikkeling. Daar betrap ik mezelf ook op in een roman, maar dan denk ik: waarom eigenlijk?’

Veel van uw werk heeft als thema de tijd.

‘Het onderwerp tijd is inderdaad een stokpaardje van me, dat draag ik met me mee. Ik ben gaan schrijven, eerst dus proza, nadat mijn kind was geboren. Toen dacht ik, o jee, ik ben sterfelijk, nu moet ik opschieten, en ben ik als een razende gaan schrijven.’

Wat deed u dan voordat uw kind werd geboren?

‘Ik was vrij jong toen ik mijn zoon kreeg, 28 jaar. Ik heb Nederlands gestudeerd maar niet afgemaakt, en heb vervolgens een tweedegraads lerarenbevoegdheid gehaald. Toen kwam ik op een vmbo in Zaandam terecht. Dat was een totaal andere wereld, ik werd er uitgescholden voor hoer. Het was op zichzelf interessant en ik vond die kinderen ook leuk. Maar ik kreeg ze gewoon niet gedrild, haha. Ik was hartstikke jong, en ik zag er heel jong uit, en dan vroegen ze: waar ga je uit? En dan gaf ik antwoord, en dan zei een andere docent: ‘Dat moet je nooit vertellen!’’

Afgelopen januari verscheen Janssens recentste bundel, Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica. In deze bundel probeert ze vat te krijgen op het heden, in alle mogelijke verschijningsvormen. Ook deze bundel werd lovend ontvangen. Over haar ouders schrijft ze in het gedicht met de titel ‘Ben ik niet langer een teken begint men mij te betekenen’: ‘Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica/ mijn vader schaken mijn moeder dammen, krentenmik klöntjesmik/ daarna scheppen ze mijn duisternis leeg/ en word ik van een deling een speling.’

Is de titel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica veelzeggend voor de gezinssituatie in uw jeugd?

‘Het is fictie, maar als ik er langer over nadenk, heeft het misschien toch wel grond. Mijn moeder is vaak bezig met structuren, ze houdt van orde. Zij heeft Nederlands gestudeerd. Mijn vader, hoogleraar scheikunde, was meer van die entropie. Niet dat hij van chaos hield, maar wel als idee, als concept vanwaaruit hij naar de wereld keek. Hij gebruikte het woord ook graag. Ik dacht als kind ‘entropie’, wat een grappig woord.’

Uw vorige – bekroonde – bundel Virgula, uit 2021, gaat over de voortrazende tijd maar onderliggend over eenzaamheid, misbruik door een leraar, en ook over uw borstamputatie. Is het uw persoonlijkste bundel?

‘Ja, het is heel autobiografisch, ik vond, als ik een brief schrijf aan de komma als een soort muze om je hart uit te storten, dan moet het over wezenlijke, emotionele gebeurtenissen gaan.’

Is dichten een manier om dingen van u af te schrijven? Is het helend?

‘Ja, al zei ik altijd van niet. Maar het is een strohalm, een soort leven naast de werkelijkheid. Dat je wat greep krijgt op grote dingen als eenzaamheid of de dood of de liefde. Dan maak je het van jezelf. Ik denk dat schrijven bij mij voortkomt uit een soort frustratie, uit niet te weten hoe te leven.’

Wat bedoelt u daarmee?

‘Nou, dat je het leven moeilijk vindt en dan daar een antwoord op probeert te geven. Of je probeert te verhouden tot dat leven. En als je dat dan transformeert naar iets nieuws, dan sta je niet meer buiten het leven, maar dan word je daar onderdeel van of krijg je er inderdaad meer greep op.’

Heeft u last van somberheid?

‘Ja, heel erg, ja. Maar tijdens het schrijven ervaar ik geen tijd. Dus dat is helend, want dan heb je niet dat juk van die tijd en dat je iets moet doen. Dan bén je gewoon. Net zoals je als kind vroeger een tekening kon maken, en je helemaal in die ervaring kon zitten, zonder verder aan iets te denken.

‘Ik heb er nu nog steeds last van, maar tijdens het schrijven van Virgula was het heel ernstig. Met name de ochtenden waren drama. De overgang verergerde het nog eens heel erg. Maar ze konden niets doen want ik mocht geen hormonen nemen vanwege de borstkanker, die ik op mijn 48ste kreeg. Dus het voelt ook wel als een enorme overwinning dat ik daaruit ben gekomen. En dat ik iets constructiefs heb gedaan en dat die bundel nu wordt bekroond. Dat ik niet bij de pakken ben gaan neerzitten.’

Het gedicht over uw borstamputatie is opmerkelijk licht. U schrijft over die borst: ‘ze dobbert naast een lelie die Victoria heet, die bloeit soms wit/ en geurt naar ananas, ik vang mijn borst met een vlindernet/ zoals de lelie een klein kind met haar blad’.

‘Toen die borst eraf ging, dacht ik: maar waar gaat die dan heen? Iets heel kinderlijks eigenlijk. Ik moest denken aan dat beroemde verhaal van Gogol, waarin een man zijn neus verliest en de neus dan een wandeling door de stad maakt. Dus in mijn gedicht komt de borst niet gewoon bij het afval terecht, maar gaat een eigen leven leiden. Dan zag ik haar in zo’n vijver dobberen. Het gaf iets sprookjesachtigs aan de hele ervaring. Want ik ben wel heel ziek geweest.

‘De bundel is uit mijn tenen gekomen. Zodra ik een gedicht af had, stuurde ik het naar mijn toenmalige redacteur Annette Portegies, zij reageerde meteen. Dat was zo fijn. Maar dan werd ik daarna weer terug gekatapulteerd in die leegte. Dan dacht ik, nou moet ik weer. En dat bij elk gedicht.

‘Het is dus een enorme inspanning geweest om de virgula’s te schrijven. Eén zo’n gedicht voelde voor mij als een hele bundel, bijna als een volledige roman. Wat complexiteit betreft, en diepte. Ik heb ook veel herschreven.

‘Maar ik denk dat dat ook moet. Ik geef les aan de Schrijversvakschool Amsterdam, en merk dat veel mensen denken dat iets af is als het op papier staat. Zeker als het ook nog is geprint. Maar dan zeg ik: nee, je kunt alles weggooien. Je moet door een muur. Er staat te weinig op het spel. Wat wil je zeggen? Wat wil het gedicht? Waar drijft het naartoe? Wat wil het uitademen?

‘Daar moet je over nadenken. Hoe communiceren die beelden met elkaar? Ik ben heel intens daarin. Maar ik vind dat mensen – er zitten heel getalenteerde mensen tussen hoor – vaak te gauw denken: ja, dit is mooi. En dan blijven hangen in de mooiigheid.’

Een gedicht hoeft niet mooi te zijn?

‘Nee, dat is bijvangst, vind ik. Ik houd van mooie woorden. Maar in een gedicht moet je echt iets laten zien. Iets wezenlijks. Poëzie die alleen maar gericht is op ontroering, vind ik saai. Dan kijk ik liever naar een Netflixserie. Van poëzie verwacht ik meer, meer lagen, meer diepte.’

Hoe kan het, dat heb ik ook bij uw werk, dat poëzie zo kan raken?

‘Ik denk eigenlijk niet dat het uit te leggen is. Dat zeg ik ook vaak tegen mijn studenten. Er moet iets van een raadsel inzitten, zodat het spannend en mysterieus is en je niet precies weet wat er gaande is. Ik denk dat al die beelden gaan rondzingen in iemand. En als het goed is, zet zo’n gedicht bij jou een film aan over jouw leven.

‘Mijn studenten geef ik weleens een voorbeeld over toen ik net gescheiden was. Ik at altijd van die Biogarde-yoghurt. Toen kwam ik na de scheiding nog eens een keer in het huis van mijn ex, omdat mijn zoon examen deed en ik hem zou helpen. En toen deed ik de koelkast open. En daar stond nog zo’n heel oud potje Biogarde.

‘Ik leg mijn studenten uit dat je kunt schrijven: ‘O, ik ben gescheiden en ik huil me kapot.’ Maar je kunt het ook over die yoghurt hebben. Dat komt binnen. Dat is een sterk beeld waarin die pijn helemaal zit.’

Toch wordt ook vaak gezegd dat uw gedichten niet toegankelijk zijn.

‘Ja, dat is altijd het gesprek. In het begin ging ik dan sorry zeggen. Dat zeg ik nu niet meer.’

Bent u dan wel met een ander bezig als u dicht?

‘Jawel. Mijn doel is toch om te communiceren. Het is misschien een ingewikkelde manier van communiceren, maar ik hoop via beelden met mijn wezen jouw wezen aan te raken. En in gewone taal vind ik dat minder goed lukken.’

Te plat?

‘Ja, of het glijdt eerder van je af misschien, maakt minder indruk. Poëzie lezen betekent dat je een andere leeshouding moet aannemen. Je moet je onderdompelen.’

Maar u schrijft ook in een van uw gedichten ‘dat taal eenzaam maakt, dat ik in mijn gedichten niet kan wonen’.

‘Ja, de taal staat toch ook altijd weer tussen jou en mij in. Het maakt ook eenzaam, omdat je zo je eigen wereld hebt. En als mensen dan zeggen, dat ze moeilijk in mijn werk komen, dan maakt dat extra eenzaam. Zeker omdat ik er zo veel van mezelf inleg.

‘Vooral als iemand thuis is in de poëzie, vind ik zo’n opmerking pijnlijk. Omdat ik juist zo precies mogelijk probeer uit te drukken wat ik wil zeggen, wild en precies tegelijk. Het gaat in poëzie niet om zo helder mogelijk zijn, als in een handleiding.

‘Misschien is het iets Nederlands, ik zie dat er in andere landen anders wordt omgegaan met moeilijke poëzie. Daarnaast denk ik: doe even je best, dan krijg je er ook wat voor terug. Ik moet zelf ook moeite doen bij elke bundel die ik van een ander lees, omdat je zo in iemands wereld terechtkomt, die heb je niet meteen veroverd.’

U heeft veel bundels gelezen, want u zat zelf in drie jury’s afgelopen jaar. Hoe staat de Nederlandstalige poëzie ervoor?

‘Ik denk dat Nederland iets van twintig uitmuntende dichters heeft. Ik vind bijvoorbeeld Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Mustafa Stitou, Maria Barnas, Rozalie Hirs en debutant Dewi de Nijs Bik heel erg goed. Daarnaast wordt veel niet zo goede poëzie gepubliceerd. Er wordt veel uitgegeven, te veel. Terwijl het tegelijkertijd razend moeilijk is om bij een uitgever binnen te komen met poëzie. Want het verkoopt natuurlijk niet goed.’

U kunt niet van alleen uw poëzie leven?

‘Nou, nee, ik leef van werkbeurzen van het Letterenfonds. En ik geef veel les. En dan gaat het net.’

Hoe komt het dat poëzie zo weinig wordt verkocht?

‘Het wordt weinig gelezen, op scholen is alle poëzie er eigenlijk uit gehaald. Terwijl het juist fantastisch is als je met jonge mensen poëzie gaat schrijven. Voornamelijk in de eerste klas zijn die kinderen nog zo wild, zo vol beelden. En voor pubers is juist het lezen van poëzie heerlijk. Eigenlijk zou je als je Nederlands geeft op een middelbare school, elke dag moeten beginnen met een gedicht. Gewoon lezen en mee naar huis nemen. Daar begint het allemaal mee. Dat die taal op je afkomt en meer niet.’

Wie is Sasja Janssen?

Sasja Janssen (1968) is dichter. Ze werd geboren in Venlo, maar groeide op in de Betuwe en Brabant. Ze heeft een tweelingzus, die scheikundige is, net als hun vader. En een adoptiezus uit het tweede huwelijk van haar moeder. Janssen doceert poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam en aan cultureel studentencentrum Crea. Haar bekroonde bundel Virgula uit 2021 is vertaald in het Spaans en het Engels. Behalve de Johan Polakprijs kreeg ze ook de Awater Poëzieprijs toegekend. Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica uit 2024 is haar zesde bundel. Janssen heeft een zoon. Ze is samen met schrijver en componist Klaas ten Holt.

Sasja Janssen: Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica. Querido; 72 pagina’s; € 18,99.

Sasja Janssen: Virgula. Querido; 64 pagina’s; € 18,99.

Source: Volkskrant

Previous

Next