‘Voel je je nu minder man?’, kreeg journalist Jesse Beentjes als vraag nu hij een bal minder heeft als gevolg van zaadbalkanker. Journalist Sander Donkers overkwam twintig jaar geleden hetzelfde. Een gesprek onder lotgenoten over hardnekkig genderdenken.
‘Kijk nou’, zegt Jesse Beentjes, en wijst op een enorme plastic bal die tegenover ons terrastafeltje aan een stalen draad bungelt. ‘Net was het nog een slappe zak.’ We zien dat er lucht in de bal wordt gepompt, hoe precies is niet duidelijk. Eenmaal gevuld blijkt het een wereldbol te zijn, met het logo van het wetenschapsmuseum aan de overkant. Niemand die er echt van opkijkt, behalve wij dan. Want als je net verwikkeld bent in een gesprek over zaadbalkanker krijgen bolvormige objecten al snel een symbolische lading. ‘De bal’, concludeert Beentjes lachend, ‘is overal.’
Jesse Beentjes (31) is zelfstandig journalist en expert op het gebied van journalistieke vernieuwing en financiering. Vier jaar geleden werd de ziekte bij hem geconstateerd, afgelopen juni verscheen zijn boek Minderman – over ballen, testosteron en hardnekkige mannelijkheidsmythes. Het is het resultaat van een zoektocht die vele kanten op ging. Beentjes schrijft over de geschiedenis van eunuchen en castraatzangers, en over het droeve lot van zedendelinquenten die in Nederland tot diep in de jaren zestig nog ‘zogenaamd vrijwillig’ konden worden gecastreerd. Hij spreekt urologen en therapeuten over de problemen die balkankerpatiënten ervaren, en behandelt de invloed van hedendaagse mannelijkheidsgoeroes als Jordan Peterson en Andrew Tate.
Het is ook een zeer persoonlijk boek, wat aanvankelijk niet zijn bedoeling was. ‘Bij de presentatie zei mijn redacteur: ‘Het is het boek geworden waarvan heel lang werd gedacht dat je het niet aan het schrijven was.’ Toen ik eraan begon heb ik er echt op gehamerd dat het niet te veel over mij mocht gaan. Want A: ik ben journalist. En B: ik vind het niet zo fraai om met mijn kanker te koketteren, want hoe erg was het nou allemaal? Ik vond dat ik daarin niet zoveel ruimte mocht innemen. Maar daarmee hield ik mezelf wel een beetje voor de gek, want uiteindelijk kon ik er toch niet omheen. Het kreeg iets willekeurigs als ik mijn eigen ervaring erbuiten liet.’
Zo werd Minderman vooral een verslag van zijn eigen verwarring over de ziekte, die hij met een open blik en een fijne pen te lijf ging. Ik las het boek met speciale interesse, want we zijn lotgenoten, Beentjes en ik. Twintig jaar geleden overkwam mij precies hetzelfde als hem. Mijn probleem zat rechts, het zijne links, maar de overeenkomsten zijn vele malen groter.
Even wat feiten: zaadbalkanker kan dodelijk zijn, maar is dat meestal niet. Het komt relatief weinig voor, jaarlijks krijgen ongeveer achthonderd mannen in Nederland de diagnose. In de afgelopen twintig jaar is het aantal gevallen wel verdubbeld. Een groot deel van de mannen die het krijgt, ruim driekwart, is jonger dan 45, 28 procent zelfs onder de 30. In het zeldzame geval dat beide ballen moeten worden verwijderd, verander je zowel lichamelijk als karakterologisch, maar als het er maar één is blijven de gevolgen beperkt.
Wel is er na de diagnose meteen gillende haast, omdat kankercellen zich in testikels razendsnel delen. Binnen twee, drie dagen lig je op de operatietafel. Kortom, een enorme snelkookpan, waarin je geen idee hebt waar je aan toe bent. ‘Ik liep al een tijdje rond met een pijnlijke bal’, vertelt Beentjes, ‘maar we zaten net in de coronalockdown, en ik dacht: daar ga ik de zorg niet mee belasten. Toen ik uiteindelijk toch ging, verwees mijn huisarts me door naar een uroloog, die al snel zei dat het kanker zou kunnen zijn. Iedereen om me heen raakte in gierende paniek, en ik schrompelde in elkaar. Logisch, je hebt toch zo je beelden bij het woord ‘kanker’. In gedachten zag ik mijn eigen begrafenis al voor me. Maar daarna ging het allemaal zo snel dat ik vanzelf in de patiëntmodus belandde. Je moet ook ineens van alles.’
Afscheid nemen van je bal bijvoorbeeld. Bij vrouwen die een borstamputatie moeten ondergaan, schrijft Beentjes, zijn rituelen vrij gebruikelijk. Soms organiseren ze voor de operatie een uitgebreide fotosessie, soms laten ze zelfs een afgietsel maken. ‘Ik wil dat niet vergelijken met het verlies van een bal, want een borstamputatie is veel ingrijpender, maar bij mannen gebeurt dat niet. Er is geen tijd voor, en ook geen vraag naar. Ik heb maar een beetje onnozel ‘dag bal’ gezegd.’
Je moet ook zaad produceren, in een kamertje in het ziekenhuis, met een potje bij de hand, omdat er een kleine kans is dat je na de operatie onvruchtbaar bent. (Beentjes is dat niet, ikzelf heb het nooit laten onderzoeken.) Allebei herinneren we het ons als een van de treurigste momenten uit die verwarrende dagen. Uit Beentjes’ boek leerde ik dat het kamertje tegenwoordig ‘masturbatorium’ heet. ‘In mijn ziekenhuis hadden ze er twee. Ik weet nog dat ik het, gezien de omstandigheden, zo bizar vond dat ik moest kiezen. Goh, welk masturbatorium zal ik eens pakken?’
Haha. Ik herinner me vooral dat er een stapeltje goedkope seksboekjes lag.
‘O ja? Waren die dan nieuw of, zeg maar, al beduimeld?’
Weet ik niet meer. Het was wel allemaal heteroporno.
‘Dan is er echt wel wat veranderd. Ik had de beschikking over bewegend beeld, en kon kiezen uit alle seksuele variaties. Maar die filmpjes hadden wel allemaal iets intens lulligs, dus wat dat betreft zaten we in hetzelfde schuitje. Ik vond het vreselijk. Je komt daar echt om te leveren.’
De operatie is niet zo gecompliceerd. Beentjes was, net als ik destijds, een dag later weer thuis, met een flink litteken in zijn lies en maar een klein beetje pijn. De moeilijkste periode komt daarna, als je een dag of tien moet wachten op de uitslag. Net als ik kwam Beentjes er genadig van af – zonder uitzaaiingen in elk geval. Ik moest destijds nog drie weken worden bestraald, bij hem werd gekozen voor een behandeling die ‘actief afwachten’ wordt genoemd. Oftewel: driemaandelijkse controles en verder niets. ‘Mijn tumor bleek wel kanker te zijn – dat weten ze pas zeker als ze de bal onderzocht hebben – maar hij was niet groot genoeg om verder te behandelen. Ik verwachtte een heel traject in te gaan, had mezelf al schrap gezet voor chemotherapie, maar in plaats daarvan kreeg ik te horen: je zit net onder de grens, dus prettige dag verder, we zien je over drie maanden.’
En toen, zegt Beentjes, werd het raar. ‘Ik had opluchting moeten voelen, maar ik voelde juist ongemak, en ook angst. Als het een paar weken later was ontdekt en de tumor een paar millimeter groter was geweest, dan was het wél helemaal mis geweest met me. De vanzelfsprekendheid dat ik een gezond lijf had, was weg. Ik heb wel gedacht dat zo’n chemokuur me duidelijkheid zou hebben gegeven, een gevoel van veiligheid – wat natuurlijk raar is, want je wordt er vreselijk ziek van. Maar misschien was dat het juist. Ik was niet ziek geweest, en er was geen reden om niet meteen weer aan het werk te gaan.’
Had jij ook zo’n moeite om jezelf ‘kankerpatiënt’ te noemen?
‘Heel erg. Ik zeg dat echt nooit. Voor mijn controles moet ik naar het Antoni van Leeuwenhoek, hét ziekenhuis waar iedereen kanker heeft. Inmiddels hoef ik er minder vaak heen. Maar als je daar om je heen kijkt, zie je alleen maar mensen die heel, heel erg ziek zijn. En dan voel ik me echt een nep-kankerpatiënt.’
Het is een vreemd soort schuldgevoel, dat ik me ook nog wel herinner. Het nodigt uit tot stoer doen. ‘In een paar weken tijd’, schrijft Beentjes, ‘was ik van niets-aan-de-hand-mens naar kankerpatiënt naar postoperatief niets-aan-de-hand-mens gegaan.’
Maar dat ging toch niet helemaal goed, zegt hij nu. ‘Ik ben jodelend weer aan het werk gegaan, maar al snel begreep ik: dit gaat niet. Ik was volledig door elkaar geschud en in de war. Vroeg me steeds af: wat is er nou eigenlijk gebeurd?’
In een poging grip op de zaak te krijgen dook hij in de wereld van de ‘kiwi’s’, de ‘kroonjuwelen’, de ‘losse medewerkers’ – de bal heeft geen gebrek aan koosnaampjes. ‘Eerst las ik alles wat ik over zaadbalkanker kon vinden. Dat was vrij beperkt, en wat ik tegenkwam vond ik nogal gekleurd. Erg gericht op sterk zijn. Zo van: je moet maar snel weer seks hebben en er niet te veel over praten. Heel, nou ja, stereotiep mannelijk. Tegelijkertijd begon het me op te vallen dat mensen in mijn omgeving zinspeelden op mijn mannelijkheid. Ik proefde de verwachting dat ik me daarin aangetast zou voelen, terwijl ik daar helemaal niet mee bezig was geweest. Ik werd ineens een ‘bikkel’ genoemd – wat, begreep ik later, ook echt het woord is dat voor balkankerpatiënten wordt gebruikt in een campagne. Het leek alsof ze me wilden geruststellen: voor ons ben je nog voldoende man. Alsof er een soort thermometer van mannelijkheid bestaat; als één testikel wegvalt, dan zakt het peil. Mijn kapper vroeg me letterlijk: ‘Voel je je nu minder man?’ Vandaar dus die titel.’
Grappig, ik kan me niet herinneren dat ik twintig jaar geleden zulke vragen kreeg. Ik was bezorgd of ik na de operatie nog gewoon seks zou kunnen hebben, maar toen dat geen probleem bleek te zijn heb ik me nooit meer afgevraagd of mijn mannelijkheid in het geding was.
‘Dat zegt wel iets over deze tijd, denk ik. Mannelijkheid is een groot thema, en het is altijd beladen.’
Beentjes is queer, en ‘goed thuis’ in het genderdebat. Daarin stond hij altijd aan de kant van degenen die vinden dat biologische verschillen tussen mannen en vrouwen er niet zoveel toe doen, en dat geijkte beelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid ons worden aangepraat door de maatschappij. ‘Er is steeds meer ruimte gekomen voor zulke ideeën. Je kunt tegenwoordig een X in je paspoort hebben, er wordt veel over transgender personen gesproken, je ziet dat queerness wordt omarmd in populaire media en in de muziekindustrie. Maar daar is ook een sterke conservatieve reactie op gekomen. We leven nu in een tijd waarin mannen als Andrew Tate, Jordan Peterson en allerhande fitness-influencers zich kunnen permitteren om mensen als jij en ik te vertellen waar we allemaal aan moeten voldoen om een echte man te zijn. Je moet gespierd zijn, afgetraind, gedisciplineerd. Daar komen allerlei aannamen bij kijken, en uiteindelijk gaat het over macht. Als je geen echte man bent, ben je ondergeschikt. En mensen die zéker geen echte man zijn, namelijk vrouwen, zijn dat al helemaal. Ik vind dat een zeer problematisch wereldbeeld. Wat doet het er eigenlijk toe?’
Tijdens zijn omzwervingen in de wereld van de bal kwam het thema telkens weer terug. ‘Van de deskundigen die ik heb gesproken hoorde ik dat met name jongere mannen die nu balkanker krijgen enorm in de knoop kunnen komen met hun gevoel van mannelijkheid. Ze krijgen psychische problemen, problemen met seks – ook als ze maar één bal kwijt zijn en er geen lichamelijke oorzaak voor is. Vaak informeren ze naar de mogelijkheden om testosteron te gaan spuiten of smeren, en gaan ze bizar veel sporten om zichzelf op te pompen. Ook al zijn het al kleerkasten, en zijn hun testosteronwaarden prima.’
Om het mindermannendom te compenseren?
‘Zoiets. Het idee lijkt: niemand mag denken dat ik nu niet meer sterk ben. Die verhalen hebben me echt geraakt, ook omdat ik het zelf heb meegemaakt natuurlijk. Je hele wereld is net door elkaar gerammeld, en het eerste waar ze aan denken is: hoe kan ik weer een goede man zijn? In plaats van: jezus, ik was bijna dood.’
Toch ontkwam je er zelf ook niet helemaal aan. Je schrijft dat je teleurgesteld was toen bij een controle je testosteronwaarden aan de lage kant waren.
‘Dat voelde als een soort verraad aan mijn verlichte genderidealen, haha. Ik wist al lang dat testosteron altijd fluctueert, dat het een momentopname is. En ik zat ook maar een heel klein beetje onder de drempelwaarde. Er was niks aan de hand, en toch voelde ik een steek. Blijkbaar wilde ik graag een schouderklopje aan mezelf kunnen uitdelen: lekker man, je hebt het nog. Het was gewoon prestatiedrang.’
Je was ook teleurgesteld in jezelf toen je heel stoer reageerde op de vraag of je nog een erectie kon krijgen.
‘Ja, ik hoorde mezelf meteen zeggen: prima, de ochtend na de operatie had ik er al een. Op een bijna pochend toontje. Best vreemd, dat je vlak nadat je nota bene in je balzak bent gesneden de behoefte voelt om te laten weten dat je nog steeds hartstikke potent bent. Het is ook helemaal niet mijn manier van praten, ik vond het achteraf echt stom. Maar ja, ik ben ook opgegroeid met al die stereotypen, heb het beeld van de ‘echte man’ ook steeds herbevestigd gekregen. Dan kun je nog zo verlicht zijn in je genderdenken, blijkbaar is de boodschap toch aangekomen.’
Maar het was toch ook een logische zorg, na zo’n operatie? En erecties zijn toch niet alleen voorbehouden aan mannelijke mannen?
‘Nee, natuurlijk niet. Mannen die dat niet zijn hebben ook erecties, zijn ook zinnelijke mensen. Misschien is dat ook wel een van de redenen dat ik dit boek heb geschreven: we kunnen het ons niet veroorloven om de norm te laten bepalen door de zelfverklaarde hypermannelijke man. Zaadbalkanker komt steeds vaker voor, de afgelopen decennia is het aantal gevallen verdubbeld. Het leek me nuttig om wat meer variatie aan te brengen in wat erover gezegd en geschreven is.’
Minderman is geen pure aanklacht tegen al te rigide mannelijkheidsnormen. Beentjes schrijft weliswaar met de nodige scepsis over de invloed van de ‘manosphere’, waarin soja de vijand is en het bruinen van je ballen onder een hoogtezon wordt aangeprezen als een natuurlijke manier om je testosteronniveau te verhogen, maar dat doet hij altijd met een open vizier. ‘Ik vind het belangrijk om nieuwsgierig te blijven. Het is nog niet bewezen dat het bruinen van je ballen níét werkt, misschien gaat er voor sommigen een placebowerking van uit. Dus denk ik: zorg dat je je zak niet verbrandt – hoewel dat bij infraroodlicht eigenlijk sowieso niet kan – maar verder lijkt me er niet zoveel mis mee. Het probleem met die hele online mannelijkheidscultuur is dat het zo’n brij is, met veel pseudowetenschap en rare complottheorieën over hoe het World Economic Forum ons allemaal meer soja wil laten eten, zodat we zwakker worden en ze ons makkelijker kunnen domineren. Maar het ongemakkelijke is, net als met clichés en stereotypen, dat er ook dingen voorbijkomen waarvan je denkt: hmm, misschien is dat wel waar.’
Zoals wat?
‘Nou, los van de associaties met mannelijkheid heeft testosteron ook te maken met een bepaalde mate van mentaal welbevinden, met energiek zijn, en niet depressief. Dat ligt allemaal heel genuanceerd, er is veel wat we nog niet begrijpen, maar toch: ik snap best dat mensen er belang aan hechten. In de manosphere maken ze zich ook erg druk om hormoonverstorende stoffen als pfas, die de vruchtbaarheid van mannen zouden aantasten. Tja, de kwaliteit van sperma loopt wereldwijd achteruit. Een verband met balkanker is nog niet aangetoond, maar er zijn wel onderzoeken die erop wijzen dat zulke stoffen van invloed zijn op de ontwikkeling van baby’s in de baarmoeder. Nou ja, dan ga ik niet zeggen: als het uit de hoek van Jordan Peterson of Tucker Carlson komt, vind ik sowieso het tegenovergestelde. Want daar heeft niemand wat aan.’
Zo werd Minderman óók een pleidooi voor nuance in het debat over mannelijkheid. Interessant is dat Beentjes ook zijn eigen overtuigingen onder de loep legt. ‘Ik geloof nog steeds dat we de vrijheid moeten hebben om ons man-zijn, vrouw-zijn of non-binair-zijn zelf te definiëren. Maar in de tussentijd heb je toch ook nog een lijf, en daar zul je iets mee moeten, ongeacht hokjes en labels. Dat was voor mij wel een eyeopener, ik ben door die ziekte veel meer geïnteresseerd geraakt in mijn lijf. Dus ja, ik was altijd heel erg van de school: biologische verschillen doen er niet toe, maar daar ben ik een beetje anders over gaan denken. Het laatste wat ik wil is die harde scheidslijn herbevestigen, maar het gaat me ook te ver om te zeggen: het maakt niks uit. Als mensen testosteron gaan inspuiten, dan gaat er van alles met ze gebeuren. Haal je bij ons beiden de overgebleven bal weg, dan veranderen we. De vraag is: hoeveel waarde ken je dat toe?
‘Als je de verschillen absoluut maakt, vallen er altijd mensen buiten de boot. Er zijn vrouwen die van nature meer testosteron aanmaken, er zijn mannen die worden geboren met niet-functionerende testikels. Wie is dan de echte man? Zeg het maar. Het is ingewikkeld, en het debat erover kan wel wat nuance gebruiken. Ik denk dat het goed zou zijn om gender en biologie verder uit elkaar te trekken, zodat we een taal kunnen ontwikkelen waarmee we over onze lijven kunnen praten zonder daar meteen allemaal associaties op te gooien. Daarmee wil ik niet zeggen dat ze geen verband met elkaar houden.
‘Zelfs Judith Butler, de non-binaire Amerikaanse filosoof die in de jaren negentig het hele genderdiscours heeft aangezwengeld met diens boek Gender Trouble, nuanceert in later werk, bijvoorbeeld in Who’s Afraid of Gender (2023), een aantal misverstanden over gendertheorie – waaronder het idee dat je biologische lichaam en je gender volledig losstaan van elkaar. Je genderidentiteit komt tot stand onder invloed van allerlei factoren, zoals je omgeving en je cultuur. Maar ook je lijf is daar onderdeel van.’
Dan laten we het debat voor wat het is en keren we terug naar de gedeelde ervaring. Allebei hebben we na onze ziekte geen balprothese genomen, ook al bestaat die mogelijkheid, en is het gratis. Het lastige is dat de operatie zo’n haast heeft dat het niet vooraf wordt besproken, zodat je een tweede keer onder het mes zou moeten. ‘Maar anders had ik het ook niet gewild’, zegt hij. ‘Ik vind het belangrijk om mijn lichaam te accepteren zoals het is. Dat geldt ook voor mijn litteken. Je leeft, en je loopt soms wat op.’
Dat is exact hoe ik er destijds in stond. Doen veel andere mensen het wel?
‘Dat verschilt per land. In Nederland niet zo vaak, maar in de VS en Israël, waar ook veel onderzoek vandaan komt, is het gangbaarder. En daar zie je ook dat het bij sommige mannen hun lichamelijk welbevinden verbetert.’
Ik werd wel erg benieuwd naar de prothesefabriek waar je over schrijft.
‘Ja, ik ook! Die ligt in Duitsland, bij Darmstadt. Ik heb nog geprobeerd om erheen te gaan, maar dat lukte niet. Het fascineert me enorm.’
Ik voel een gezamenlijk uitje in de lucht hangen.
‘Haha, ik wil nog steeds. Ze hebben me een brochure opgestuurd, waaruit ik opmaakte dat je twee maten hebt. En nou wil ik natuurlijk weten: wie heeft daarvoor model gestaan? Wie is de man met de ideale bal?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant