Jonas Kooyman lanceerde het begrip en het Instagramaccount ‘havermelkelite’. In zijn boek schetst hij een mistroostig beeld van deze jonge stedelingen en protesteert hij tegen ‘de uitwassen’ van hun levensstijl. De vraag is hoe effectief zijn aanklacht is.
De vuist-in-de-luchtfoto van Donald Trump na de aanslag op zijn leven was vrijwel meteen rijp voor een bestaan als meme, en dus verscheen dat beeld negen keer met verschillende bijschriften op de Instagrampagina @havermelkelite: ‘Me nadat ik één keer zelf heb gekookt’.
Een bericht gedeeld door havermelkelite (@havermelkelite)
Op de online pleisterplaats die havermelkelite-grondlegger Jonas Kooyman in 2020 stichtte, overheerst nog altijd dit soort milde spot over de leefstijlclichés van progressieve Randstedelingen, vooral twintigers en dertigers. Kooymans 190 duizend volgers kunnen er elkaar en zichzelf uitlachen, of eerder vrijblijvend-vermanend toelachen: veel te vaak eten bestellen, en dat gênant, vervuilend en spilziek vinden, maar óók wel weer grappig, niet écht problematisch.
Over de auteur
Gidi Heesakkers is verslaggever van de Volkskrant. Ze schrijft over stand-upcomedy & cabaret en over populaire cultuur en gewoonten in het dagelijks leven.
In het boek De havermelkelite – Hoe de nieuwe yup de stad onherkenbaar verandert is de toon beduidend minder lollig. Het is dan ook deels een aanklacht, schrijft Kooyman, ‘tegen de uitwassen van de havermelkelitelifestyle’. Maar werkt het ook als aanklacht?
Hoe het zover is gekomen, vertelde hij rondom de verschijning in bijna alle kranten. Hij zegde zijn baan als journalist bij NRC op en bleek steeds lekkerder te kunnen leven van het specifieke jongemensenuniversumpje waarover hij als een soort trendwatcher bericht, sterk gericht op hun consumptie – op Instagram dus, in zijn nieuwsbrief en sinds dit voorjaar in een podcast.
In zijn boek schetst hij het ontstaan van de havermelkelite tegen de achtergrond van drie grote invloeden (de economische crisis van 2008, de woningmarktcrisis en de opkomst van sociale media), en vervolgens de invloed die de havermelkelite zelf zou hebben op het grootstedelijke leven.
Beschouwde hij het gezelschap aanvankelijk nog als creatief en geëngageerd, intussen ziet hij een op zichzelf gerichte, ‘status geobsedeerde, uitsluitende variant’. Overconsumptie, decadentie, leegte.
In acht essays hergebruikt hij voor een deel interviews en teksten die hij eerder schreef voor onder meer NRC en de Havermelkelite-nieuwsbrief. Ze gaan bijvoorbeeld over de morele ambiguïteit van de havermelkelite (‘klimaatdocu kijken in het vliegtuig naar Kaapstad’), de populariteit van zuurdesembrood en natuurwijn en gegentrificeerde volksbuurten.
Wie wel of niet tot de havermelkelite behoort, brengt Kooyman terug tot een grappig bedoelde checklist van twintig kenmerken (vijftien keer ja is raak), zoals: woon je in de Randstad, ben je academisch geschoold, stem je links-progressief, rijd je rond op een e-bike, drink je natuurwijn?
Een serieuzere poging laat verderop zien dat het nog best een lastig af te bakenen verzameling mensen is. Er ontstaat al gauw een karikatuur.
Aan generaliseren ontkom je nooit helemaal wanneer je een groep onder de loep neemt, maar het stoort bijvoorbeeld in Kooymans analyse vanuit een luxe Amsterdamse sportschool. ‘Voor de havermelkelite werd sporten niet meer iets gezelligs, in gemeenschapsverband, waar je als fijne bijkomstigheid wat geluksstofjes aanmaakt en calorieën verbrandt. Het werd een hyperindividualistische manier om je klaar te stomen voor de ratrace, het zoveelste punt op je to-dolijst, om te kunnen blijven rennen in het kapitalistische hamsterrad.’
Alsof het onbestaanbaar is om hoog te scoren op zijn havermelkelitechecklist en lid te zijn van een voetbalclub, omdat je sporten gewoon... leuk vindt?
Wat bij dit soort veronderstellingen meestal ontbreekt, zijn cijfers en onderzoek om observaties en beweringen mee te staven. Het had interessant kunnen zijn als Kooyman met diepgravende gesprekken de drijfveren en worstelingen had leren kennen van zijn volgers, die volgens hem veelal ‘hun kwetsbare socio-economische positie verbloemen met een toneelstuk van een succesvol middenklasseleven’.
Hoe is het gesteld met het politieke engagement van de beschreven groep, hun opkomst bij de verkiezingen? Maken ze andere keuzen vanwege het klimaat? Draait het leven van deze mensen écht om statusverhogende consumptie in plaats van verbondenheid of solidariteit?
Kooyman beschrijft hoe hij dankzij het succes van zijn goede Instagramvondst influencer wordt, op een gegeven moment opgebrand raakt en niet kan stoppen. ‘De hypotheek moest worden betaald. Bovendien was ik gewend geraakt aan een bepaalde levensstandaard.’
Zoiets roept vragen op over zijn boek als protest, versus Instagram als bron van vermaak én bron van inkomsten. Dat Kooymans zelfreflectie niet tot dit punt reikt, levert hem nu ook kritiek op. ‘Door de keuze van Kooyman om influencer te worden is de oproep tot zelfinzicht er een geworden van zelfverrijking’, betoogde schrijver Nienke ’s Gravemade op Instagram.
Volkskrant-columnist Emma Curvers trok een vergelijkbare conclusie, en wees erop dat Kooyman zich nergens afvraagt ‘of hij misschien een verwrongen beeld geeft van zijn zelfgeschapen club, omdat hysterische dingen nu eenmaal grappiger zijn’.
Uiteindelijk beklijft de innerlijke tegenstrijdigheid waarop zijn sociale commentaar leunt. Het beeld dat Kooyman ongerust schetst van zijn havermelkelite is behoorlijk mistroostig. Als deze mensen alleen handelen uit statuslust, kun je dan verwachten dat zij gaan veranderen? Kooyman geeft een paar adviezen die richting meer betrokkenheid en minder eenvormigheid dirigeren, maar zijn die niet bij voorbaat aan dovemansoren gericht?
Jonas Kooyman: De havermelkelite – Hoe de nieuwe yup de stad onherkenbaar verandert. Das Mag; 181 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant