Het jongste Kamerlid Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) ís Fries, wat Johan Derksen ook mag beweren. Zijn adoptie is ‘een mooi verhaal’ en brengt ook een verantwoordelijkheid met zich mee, vindt hij. ‘Ik voelde dat ik iets moest doen met dit geluk.’
Habtamu de Hoop heeft gisteravond nog net één biertje kunnen meepakken in de feesttent op de Terp. Een debat in de Tweede Kamer was uitgelopen, hij kwam later dan hij wilde aan in zijn vertrouwde, Friese Wommels. Drie dagen lang is het dorpsfeest, aan de gevels wapperen groen-geel-rode vlaggen, in vrijwel alle tuinen zijn slingers gespannen – de uniformiteit verraadt een levendige, hechte dorpscultuur.
Morgen, bij de matinee, zal iedereen verkleed zijn in boerderijthema. De vriendengroep van De Hoop gaat als boerengolf. De mannen verkleden zich als boer, met een rode boerenzakdoek en een platte pet. De vrouwen gaan als holes, een graspolletje met een ring eromheen. ‘Eh ja’, zegt de 26-jarige lachend. ‘Dat slaat natuurlijk nergens op.’
Doordeweeks overnacht het GroenLinks-PvdA-Kamerlid, net als de meeste politici, in een appartement in Den Haag. Op donderdagavond stapt hij in de auto naar Friesland, zijn thuis. De Afsluitdijk markeert de grens tussen de twee levens die hij leidt.
‘In het dorp ben ik geen politicus’, zegt hij, wandelend langs de kaatsvelden, een sport die hij al van jongs af aan beoefent. ‘Het interesseert de mensen niet zo. Ik kan hier gewoon 26 zijn. Als ik gisteravond stomdronken naar huis was gelopen, had niemand er iets van gezegd. Er zouden geen filmpjes of foto’s worden gemaakt. Het is een veilige omgeving, dat heb je wel nodig met dit werk.’
Áls hij op zijn functie wordt aangesproken, dan is het vaak door mensen van buiten. ‘Hé’, roept een man die een busje van een bouwbedrijf aan het uitladen is, ‘jij bent van de Tweede Kamer!’
Eerder die ochtend, in de boerderij waar hij opgroeide, observeerde hij rustig hoe zijn ouders het bezoek ontvingen met koffie. Hoe zijn moeder verhaal aan verhaal reeg, over de adoptie van hun zoons, het landbouwbeleid, haar werk in de zorg. Hoe vader De Hoop, melkveehouder, hier en daar een zinnetje toevoegde, de grote Friese stabij Fimme liggend aan zijn voeten.
Het viel me op dat je zo kalm naar je ouders zat te luisteren.
‘Dat is ook vaak de dynamiek. Mijn moeder, een schat van een vrouw, praat behoorlijk veel. Mijn vader vult dat aan. Ik ben ook wel iemand die graag achterover zit en aanschouwt wat er gebeurt. Doordat ik presentator ben geweest en in de politiek zit, denken mensen vaak dat ik zelf steeds aan het woord wil zijn, maar ik luister graag en kies mijn momenten zorgvuldig.’
Ruim drie jaar is hij nu Tweede Kamerlid. Een dag na zijn beëdiging in 2021 vond het beruchte 1 april-debat plaats, over de ‘functie elders’ voor Pieter Omtzigt. ‘Toen dacht ik wel: gaat het altijd zo hier?’ Daarna verhevigde de coronacrisis, trad het instabiele kabinet-Rutte IV aan en won de PVV uiteindelijk de nieuwe verkiezingen. ‘Een normale politieke periode heb ik nog niet meegemaakt.’
De Hoop is vaak de jongste. Hij was het jongste raadslid van Friesland, toen hij op zijn 19de in de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân kwam voor de PvdA. In datzelfde jaar begon hij als presentator van het jeugdprogramma Het klokhuis. Hij was 22 jaar oud toen hij werd verkozen in de Tweede Kamer. Daar is hij nu nog steeds de jongste.
Hij viel meteen op met zijn maidenspeech, die viral ging. Daarin vertelt hij dat hij als baby van een paar weken oud te vondeling is gelegd in een cafeetje in Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië. ‘Wie mij op deze wereld heeft gezet, is mij onbekend’, zegt hij. ‘Maar wie mij de liefdevolle opvoeding heeft gegeven, waardoor ik vandaag op deze plek kan staan, daar bestaat geen enkele twijfel over’, zegt hij over zijn ouders, het boerenechtpaar dat hem in 1998 adopteerde.
Zijn verhaal hield hij in een C&A-pak dat hij al droeg op het gala van de middelbare school. Hij wachtte nog op zijn eerste salaris als Kamerlid, al het spaargeld was opgegaan aan de verkiezingscampagne. ‘Ik had er geen rekening mee gehouden dat die maidenspeech iets zou doen’, zegt hij. ‘Ik heb het niet zoetsappiger of dramatischer gemaakt dan het is. Ik denk dat mensen voelen dat het echt mijn verhaal is.’
Onlangs ging hij wederom viral – nu tegen wil en dank. In het programma Vandaag Inside werd een interviewtje met hem getoond over het behoud van de Friese taal. ‘Die staat toch uit zijn nek te lullen’, zei Johan Derksen daarop. ‘Hij is toch geen Fries. Ik ben toch ook geen Surinamer?’
Normaliter komt Derksen, professionele lullepot, met veel weg. Maar nu niet. Onversneden racisme, luidde het oordeel in de publieke opinie. Premier Rutte reageerde, en vrijwel de hele Tweede Kamer, van links tot rechts. Zelfs de PVV’er Harm Beertema, tot vorig jaar Kamerlid, schreef op X dat Vandaag Inside hiermee ‘de bodem wel had geraakt’.
Eigenlijk wilde De Hoop niet reageren, maar na veel aandringen nam hij een video op. ‘Nou Johan, ik ben Fries, ik ben opgegroeid op een boerderij’, zei hij. Hij legde uit dat hij kaatste, schaatste, trekker reed en stront schepte, ‘want ook de minder leuke klusjes horen erbij’. Zijn reactie werd bijna honderdduizend keer geliket op Instagram. Die avond maakte hij indruk met een kalm optreden in de talkshow Sophie & Jeroen. ‘We gaan nog heel veel van deze jongen horen’, zei Powned-voorzitter Dominique Weesie aan diezelfde talkshowtafel.
Toch is het dubbel, zegt het Kamerlid. ‘Ik heb initiatiefwetsvoorstellen geschreven en artikel 1 van de grondwet gewijzigd, waardoor er nu niet meer mag worden gediscrimineerd op handicap en seksuele gerichtheid. Daarvoor ben ik niet één keer aan een talkshowtafel uitgenodigd. Maar toen ik viral ging met die maidenspeech, of bij de rel met Johan Derksen, gingen alle deuren open. Ik heb bewust tegen veel verzoeken nee gezegd, omdat ik eerst wilde laten zien dat ik gewoon een goed Kamerlid kan zijn. Ik besef dat ik best een uniek levensverhaal heb. Als dat een middel kan zijn om mijn inhoudelijke boodschap te vertellen – ja, dan wil ik het wel gebruiken. Maar ik wil ervoor waken dat het alleen maar over mij persoonlijk gaat. Het blijft een worsteling.’
In de Tweede Kamer doe je openbaar vervoer, verkeer en volkshuisvesting. Allemaal onderwerpen die ver van de cultuuroorlogen afstaan. Is dat bewust?
‘Nee, ik heb niet gedacht: ik wil niets met culturele thema’s doen. Mijn hart ligt echt bij sociaal-economische onderwerpen. Ik heb de Wet betaalbare huur door de Kamer gekregen en daarin ook een ‘tochtkorting’ geregeld: mensen met slecht geïsoleerde huizen krijgen komend jaar tot 368 euro korting op hun huur. Dat zijn heel concrete verschillen die je als Kamerlid kunt maken.
‘Bij openbaar vervoer kan ik een brug slaan tussen de regio en Den Haag. De afgelopen vijf jaar zijn in Nederland 1.500 bushaltes verdwenen, ook in ons dorp. Het wegvallen van publieke voorzieningen leidt tot veel frustratie, mensen hebben het idee dat ze geen fundament meer onder hun voeten hebben.
‘Het fijne aan wonen en openbaar vervoer is ook dat mensen die niets met politiek hebben, die niet zo volgen wat er in Den Haag gebeurt, deze onderwerpen wél belangrijk vinden. Simpelweg omdat ze het merken in hun eigen omgeving.’
Wat is je tegengevallen aan het werk in Den Haag?
‘Het is lastig om onderdeel te zijn van de politiek, van iets waar mensen een afkeer van hebben. De coronaperiode was daardoor heel naar. Ook ik heb ooms, tantes en neven die het allemaal onzin vonden, die richting Forum voor Democratie gingen, en dus ook aan mijn integriteit begonnen te twijfelen. Eerst in appjes, maar daarna werd ik getagd in Facebookberichten. Het werd heel persoonlijk. Nu is het gelukkig weer goed, maar ik ben dat jaar wel weggebleven van het kerstdiner.
‘Ook merk ik dat de persoonlijke verhoudingen in Den Haag de laatste tijd erg verscherpt zijn. Vroeger was de teneur: keihard op de inhoud, niet op de persoon. Dat is nu anders. Bij Dilan Yesilgöz zie je de walging als ze de naam Frans Timmermans uitspreekt, idioot vind ik dat. Mij maakt het niet echt uit van welke partij iemand is, ook met PVV’ers heb ik een goede verstandhouding. Harm Beertema, met wie ik in de commissie onderwijs zat, zei af en toe bizarre dingen, maar we dronken wel elke twee weken even een biertje.’
Linkse kiezers kunnen ook denken: waarom zou je normale verhoudingen nastreven met Kamerleden van een xenofobe partij?
‘In de politiek heb je goede verhoudingen nodig. Met GroenLinks-PvdA hebben we 25 zetels; we moeten wel samenwerken met andere partijen om iets voor elkaar te krijgen. Als ik geen biertje kan drinken met mensen met wie ik het oneens ben, heb ik ook niet het krediet om dingen voor elkaar te krijgen. Natuurlijk vind ik bepaalde uitspraken die Harm Beertema heeft gedaan verschrikkelijk. Maar hij is een oud-leraar, op het gebied van onderwijs ben ik ervan overtuigd dat hij het beste met kinderen voorhad. De meeste Kamerleden zitten er met de beste intenties. Ik wil dat blijven zien in collega’s.’
Waar ligt dan de grens?
‘Dat vind ik lastig. De afgelopen jaren heb ik die nog niet bereikt. Ik denk ook dat het goed is om wat afstand te bewaren, om niet de zwaarte te voelen van wat iemand zegt of doet. Het werk wordt dan wel erg ingewikkeld – misschien is het een copingmechanisme.
‘Nu de PVV meeregeert, wordt het wel anders. Met Beertema had ik een prima verhouding, maar ik heb geen vertrouwen in de PVV’ers die in het kabinet zitten en openlijk racistische uitspraken hebben gedaan. Daar ga ik niet mee om tafel zitten.’
Hoe zou links zich moeten opstellen naar dit nieuwe kabinet?
‘Telkens benoemen dat dit geen normale politieke situatie is, een kabinet met de PVV. We moeten ook een inhoudelijk alternatief bieden, laten zien dat migratie niet het werkelijke probleem is. De PVV heeft geen verhaal bij het onderwerp wonen: niet links, niet rechts, niet voor marktwerking of volkshuisvesting. Het enige wat die partij kan doen is naar migratie wijzen, als afleidingsmanoeuvre. Hetzelfde geldt voor BBB.
‘Migratie geeft altijd druk op sociale voorzieningen. Je kunt dat wegwimpelen, maar mensen voelen het. Alleen: het gaat niet om de migranten, maar om schaarste. Er worden gewoon veel te weinig woningen gebouwd. Aan ons de taak om wél het sociaal-economische verhaal te vertellen. Dat er weer moet worden ingezet op volkshuisvesting, dat veel grond in handen is van mensen die al fucking veel geld hebben, dat huiseigenaren huizen sparen terwijl huurders veel te veel betalen.’
Migratie is niet alleen een sociaal-economisch onderwerp. Mensen zien hun wijken veranderen. Er is dus ook een culturele kant, en juist die laat kiezers in beweging komen.
‘Als je de kwetsbaarste mensen bij elkaar in een wijk zet – ja, natuurlijk heeft dat ontwrichtende effecten. Met kleur heeft dat weinig te maken. Als je voorbijgangers op straat vraagt wat volgens hen het grootste probleem is van dit moment, dan zullen ze de woningmarkt noemen, dat zij of hun kinderen niet aan een betaalbaar huis kunnen komen. Vervolgens associëren ze dat met migratie, omdat er partijen zijn die ze dat vertellen. Ik heb mezelf deze periode de opdracht gesteld dat te ontkrachten, te laten zien dat het in de kern te maken heeft met ongelijkheid.’
Als gemeenteraadslid in Súdwest-Fryslân ging je in de zomer van 2020 naar het Black Lives Matter-protest in Leeuwarden. Daar pleitte je voor verandering van Zwarte Piet. Dat lag gevoelig.
‘Ik had echt een fantastische PvdA-fractie, maar kreeg toen wel de vraag of er geen belangrijkere zaken waren dan Zwarte Piet. Iemand zei zelfs: ik had vroeger wat meer gewicht, daar werd ik ook mee gepest.
‘Ik praat altijd met veel dankbaarheid over Wommels en ben hier nooit gediscrimineerd – in ieder geval nooit bewust en niet dat ik het heb gemerkt. Dat betekent niet dat je bepaalde dingen niet fijn kunt vinden. Toen ik zei dat Zwarte Piet discriminerend is, was de reactie: hoezo, je zegt toch altijd dat je nooit gediscrimineerd bent? Ze snappen niet dat dat los van elkaar kan staan.
‘Er waren in Friesland niet zoveel zwarte politici die dit konden aankaarten. Ik ben toen wel naar die Black Lives Matter-demonstratie gegaan en heb ook een interview gegeven aan Omroep Fryslân. Dat viel in goede aarde, ook mensen uit mijn omgeving zeiden dat ik ze aan het denken had gezet. Juist omdat het van mij kwam, benadrukten ze, en niet iemand die ‘altijd zeurt’ – hún woorden.
‘Bij veel zwarte mensen die zich uitspreken, zie je dat spanningsveld: je moet zeggen wat je niet goed vindt, zonder het emotioneel te maken. Anders wordt je bijdrage snel geridiculiseerd. Kijk hoe er over Akwasi en Sylvana Simons wordt gesproken. Ik ben ze dankbaar voor hun strijd, maar er is zoveel haat jegens hen.’
Bij de ‘blokkeerfriezen’, de mensen die in 2018 de snelweg blokkeerden om te voorkomen dat Kick Out Zwarte Piet bij de intocht in Dokkum kon demonstreren, zaten ook familieleden van je. Hoe was dat voor jou, als zwarte jongen in een witte omgeving?
‘Daar had ik wel buikpijn van. Ik heb me er toen nog niet over uitgesproken, dat vond ik te spannend. Er was veel draagvlak voor in Friesland, ook in mijn omgeving vonden mensen het een stoere actie. Ik heb het onderwerp destijds bewust ontweken.’
Wat leer jij van de rechtse bubbel?
‘Het helpt me om veel andersdenkenden om me heen te hebben. Ik denk dat veel van mijn vrienden geholpen zouden zijn met onze politiek, maar zij zullen nooit links stemmen. Ze associëren links met woke, dat is een heel krachtig frame. Terwijl het gaat om rechtvaardigheid, opkomen voor minderheden. Ik denk dat iedereen dat in zijn eigen kleine omgeving ook probeert te doen. Ik wil laten zien dat het cool is om links te zijn, de schroom moet eraf.
‘Ik ben vrijwel altijd omringd door mensen die het niet met me eens zijn, dus moet ik er ook harder voor werken om gelijk te krijgen. Dat ben ik gewend. In de politiek probeer ik ook de taal te vinden die meer gematigde of rechtse kiezers aanspreekt, want ja, het is de taal die ik spreek en hoor in mijn eigen omgeving.’
Maar die taal is ook: niet zeuren over een onderwerp als racisme.
‘Dat doe ik wel, hoor. Ik ga altijd tegen de stroom in, daar ben ik ook niet bang voor. Na de uitspraken van Johan Derksen in Vandaag Inside heb ik wel bewust het woord racisme niet in de mond genomen. Mijn reactie was zoals ik het voelde hè, laat dat duidelijk zijn. Maar als ik het racisme had genoemd, dan was er gezegd dat ik ‘de racismekaart trok’. Ik koos ervoor om dit op mijn manier te adresseren.’
Die avond zat je in de talkshow Sophie & Jeroen. Ik bespeurde bij de andere gasten aan tafel, zoals Powned-voorzitter Dominique Weesie, opluchting dat je het niet al te erg problematiseerde.
‘Dat ben ik niet met je eens, want ik problematiseerde het wel. Ik zei: ik red mezelf wel, maar er zijn veel andere mensen die het gevoel hebben dat ze hier niet thuishoren, zeker sinds de verkiezingen. En dat de opmerking van Derksen dat ook bevestigde: je kunt het nog zo goed doen, je hoort er toch niet bij. Daar werd ik nijdig van. Ik wilde opkomen voor die mensen.
‘Zelf zat ik op de bewuste avond ook naar Vandaag Inside te kijken, want ik was die middag kort geïnterviewd door hun verslaggever Merel Ek. Wat gebeurt hier, dacht ik wel, maar ik heb het daarbij gelaten en ben gaan slapen. In de ochtend bleek mijn telefoon ontploft. Woordvoering belde: je moet reageren. ‘Daar heb ik helemaal geen zin in’, zei ik. ‘Ik heb zo meteen een belangrijk debat, dat moet ik voorbereiden.’
‘Uiteindelijk heb ik in mijn werkkamer snel de tekst van mijn reactie op een papiertje geschreven en de video in een keer opgenomen. Na het debat werd ik weer platgebeld met de vraag of ik op tv wilde reageren. Gaandeweg bekroop me het gevoel: het is niet voor niets dat mensen hier zoveel pijn bij voelen. Vooruit, dacht ik toen, dan ga ik wel bij de talkshow zitten. Tegen wil en dank ben ik toch een rolmodel.’
Premier Rutte deelde ook je reactievideo op X. ‘En Johan, knoop dit yn dyn earen!’, schreef hij er in het Fries bij. Ik stoorde me aan dat ‘Johan’, aan het ouwejongenskrentenbroodtoontje.
‘De premier heeft het nog nooit zo opgenomen voor een Kamerlid. Het is natuurlijk Mark Rutte, dit is zijn stijl, daar kun je wat van vinden. Maar het feit dat hij dat deed, ja, dat vond ik heel bijzonder.’
Tegelijkertijd durfde hij Johan Derksen niet echt tegen de haren in te strijken.
‘Hij is niet de enige, toch? Ik beschouw het oprecht als iets liefs.’
Elk jaar viert De Hoop op 8 december zijn adoptiedag, de datum waarop zijn ouders hem in 1998 ophaalden in Addis Abeba. Het gezin gaat dan eten bij een Ethiopisch restaurant. Met Kerst kijken ze altijd de video’s terug die de ouders destijds maakten in Ethiopië. Zijn broertje werd een paar jaar na hem geadopteerd.
Het grootste cadeau dat zijn ouders hem hebben gegeven, zegt De Hoop, is dat ze altijd open zijn geweest over de adoptie. ‘Ze hebben mij van jongs af aan verteld hoe het zit: wij zijn jouw ouders, maar weet dat dit jouw geschiedenis is. Daardoor was er niets spannends aan. Ze lieten al vroeg merken: dit is je gezin, dit is je veilige haven.
‘Als kind werd ik altijd erg boos op mensen die vroegen: ja, dat zijn je adoptieouders, maar wie zijn dan je échte ouders? Zo’n belediging vond ik dat. Mijn ouders zorgden dat ik eten op mijn bord had ’s avonds, ze brachten me naar voetbaltraining. Het zíjn mijn echte ouders. Ik nam ze in bescherming, vond het niet eerlijk.’
Een paar maanden geleden stemde een meerderheid van de Tweede Kamer voor een geleidelijk verbod op adoptie uit het buitenland. Hoe was dat voor jou?
‘Ingewikkeld. Ik spreek niet zo vaak over mijn adoptie, omdat ik de verdrietige kant ervan niet tekort wil doen. Mijn verhaal is erg mooi, maar er zijn ook mensen met andere ervaringen. Die hebben weleens tegen mij gezegd: als jij jouw verhaal vertelt, kan ik mijn verdriet niet meer kwijt. Per definitie is het persoonlijk, het zijn allemaal persoonlijke ervaringen. Ik moet er geen algemeen verhaal van maken. Er is veel verkeerd gegaan, daar kun je niet omheen. Tegelijkertijd denk ik dat als er geen mogelijkheid tot adoptie is, er altijd kinderhandel en weet-ik-veel-wat zal zijn. Je kunt het daarom maar beter reguleren.’
In 2019 zijn jullie met het gezin terug naar Ethiopië gegaan. Was je niet bang om van alles overhoop te halen?
‘Nee, ik kijk er altijd heel nuchter naar. Ik ben ook nooit zoveel met mijn adoptie bezig geweest, misschien omdat er ook niet zoveel over mij bekend was. Toch hadden mijn broertje en ik wel de behoefte om iets te zien van ons geboorteland. Het 25-jarig huwelijk van onze ouders was een goede gelegenheid om ernaartoe te gaan.
‘Die reis was indrukwekkend en confronterend. Er is zoveel armoede, de mensen op straat zijn helemaal naar de klote. Op dezelfde plek schieten de wolkenkrabbers als paddenstoelen uit de grond. Addis Abeba is een wereldstad, terwijl je gewoon over de armoede struikelt.
‘De tweede dag zijn we naar de plek gegaan waar ik te vondeling ben gelegd, ook hebben we het weeshuis bezocht. We kregen een boek te zien waarin alle namen stonden van de kinderen die er hebben gewoond. Duizenden en duizenden namen, ik heb nog nooit zo’n dik boek gezien. Op mijn pagina stonden er 25, bij de helft stond een kruisje. Dat betekent dat ze daar overleden waren, of iets later. Toen realiseerde ik me wel hoe kwetsbaar het allemaal is geweest.’
Het was voor jou zelfs het moment waarop je dacht: ik moet de politiek in.
‘Ja, ik voelde dat ik iets moest doen met dit geluk, een soort wederkerigheid. Ik presenteerde toen nog Het klokhuis, wilde presentator worden, misschien zelfs ooit een eigen talkshow. Het was leuk, maar ik miste de inhoud. Ik voelde me een acteur: je hebt een redactie, krijgt een script, succes ermee. Als gemeenteraadslid had ik meer het gevoel dat ik soms verschil maakte. Toen ben ik bestuurskunde gaan studeren en een jaar later werd ik al gevraagd voor de Tweede Kamer. Zo snel is het gegaan.’
Het klinkt ook als een zware last. Waarom zou jij je extra moeten inzetten, en ik niet?
‘Jij moet je óók inzetten. Ik zou willen dat meer mensen zich realiseren hoeveel geluk we hebben hier in Nederland. Ik heb veel vrienden die zeggen: ik heb gestemd, mijn plicht gedaan, over vier jaar zie ik wel weer. Terwijl je elke dag actief burger bent. Ik zeg niet dat je de politiek in moet, maar er zijn veel meer manieren om je maatschappelijke bijdrage te leveren. Ik denk dat we daar te weinig oog voor hebben, dat iedereen heel individualistisch kijkt hoe ze het meeste uit hun eigen leven kunnen halen. Solidariteit, gemeenschapszin, om je heen kijken en denken: wat kan ik doen? Dat is niet iets van de politiek, maar van de samenleving.’
Dat lijkt me iets wat je van je ouders hebt geleerd.
‘Mijn ouders zijn altijd overal vrijwilliger geweest. Vroeger vond ik dat weleens irritant, als ze weer op de club stonden terwijl ik aan het voetballen was. Ze waren wel maatschappelijk actief, maar niet per se met politiek bezig. Ze hebben een sociaal hart, maar hebben ook altijd een boerenbedrijf gehad. De praktische dingen waar je als ondernemer en boer tegenaan loopt, wegen natuurlijk mee in de stemkeuze. Ze vonden het prima dat ik voor de PvdA actief werd, maar hadden D66 of GroenLinks lastiger gevonden. Elitaire partijen die tegen de boeren zijn, dat is toch de associatie. Doordat ik politiek actief ben geworden, is hun perspectief wel verbreed. Nu stemmen ze natuurlijk op mij.’
Was je meteen om, toen je gevraagd werd voor de landelijke politiek?
‘Niet direct. Ik was 22, besefte dat het wel een beetje vroeg was. Ik had mijn studie nog niet eens afgerond. Toen gingen prominenten bellen en voelde ik me gevleid. Ik vind het belangrijk dat jonge mensen in de Tweede Kamer zitten en dacht: dan moet ik het toch maar zelf doen. En ja, ik ben behoorlijk competitief, wil dan toch laten zien dat ik de beste ben, dus ik ben er helemaal voor gegaan.
‘Geen seconde heb ik er spijt van gehad, maar inmiddels ervaar ik ook dat het lastig is om twintiger te zijn met dit werk. Ik moet erkennen dat het niet allemaal kan: vrienden zien, op stap gaan, de uitlaatklep waar iedereen van mijn leeftijd behoefte aan heeft.’
Wanneer daalde dit besef in?
‘Afgelopen jaar. De eerste periode was ik vooral bezig met bewijzen dat ik een goed Kamerlid was, dat ik vanwege mijn jonge leeftijd niet onderdeed. Dan ben ik ook nog iemand van kleur, die krijgen niet allemaal een kans, dus ik voelde verantwoordelijkheid. Als ik het niet goed zou doen, zou dat afstralen op anderen.
‘Bij de laatste verkiezingen haalde ik twintigduizend voorkeurstemmen. Toen voelde ik wel: oké, het is echt goed genoeg. Nu kan ik iets meer rust nemen. De Tweede Kamer is meer een glazen huis dan een kaasstolp. Alles wat je doet, wordt gezien. Er is bij politici nog maar weinig onderscheid tussen werk en privé. Heel onveilig is dat.’
Is daar voldoende aandacht voor in een fractie?
‘We werken nauw samen, maar blijven ook concurrenten. Je kunt nog zo collegiaal doen; bij verkiezingen telt uiteindelijk hoe hoog je op de lijst staat. Ongezond, maar ja: if you can’t stand the heat, stay out of the kitchen. Ik kan het wel aan, maar het is goed om je ervan bewust te zijn, zodat je je ertegen kunt wapenen. Zelf houd ik een zo groot mogelijk onderscheid tussen werk en privé en probeer ik naar manieren te zoeken waarop ik toch nog leuke momenten als 26-jarige kan hebben, zonder dat het mijn werk raakt.’
Je kunt niet echt naar een festival en daar uit de band springen.
Lachend: ‘Nee, daar zijn de dorpsfeesten voor.’
16 april 1998 Geboren in Addis Abeba (Ethiopië).
2010-2017 Havo in Sneek.
2017-2018 Hbo journalistiek in Zwolle.
2018-2019 Presentator Het klokhuis.
2018-2021 PvdA-gemeenteraadslid Súdwest-Fryslân.
2019-2023 Hbo bestuurskunde in Leeuwarden.
2021-heden Tweede Kamerlid voor GroenLinks-PvdA.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant