Chinese windmolenbedrijven willen dolgraag de Europese markt betreden, maar stuiten daar op argwaan en kritiek. Zhang Qiying, directeur van een van de grootste windturbinemakers ter wereld, wil zich graag verdedigen. ‘We zijn een privébedrijf, geen staatsbedrijf.’
Telkens wanneer het Chinese windmolenbedrijf Mingyang een nieuw prototype bouwt, een nieuwe turbine die nog hoger en krachtiger is dan de vorige, klimt technisch directeur en president Zhang Qiying (45) naar de top. Hij deed het bij Mingyangs eerste windmolen, een kleintje van 65 meter, en bij elke volgende, tot en met de laatste, een reus van 242 meter. Hij wil fysiek voelen wat Mingyang op de wereld zet.
En steeds wanneer hij op de top van zo’n molen staat, meer dan 200 meter hoog, tussen wieken van ruim 100 meter en met vermogens tussen de 1,5 en 14 megawatt, denkt hij: misschien is dit genoeg. ‘Als je bovenaan staat en naar beneden kijkt – dat is gigantisch, je kunt er een beetje bang worden’, zegt Zhang. ‘Die wieken zijn reusachtig. De mensen op de grond zijn als mieren. Elke keer denk ik: misschien moeten we hier stoppen.’
Over de auteur
Leen Vervaeke is correspondent China voor de Volkskrant. Zij woont in Beijing. Eerder was ze correspondent België.
Maar dan komt Zhang weer naar beneden en wordt hij met de werkelijkheid op de grond geconfronteerd. ‘Dan ga ik naar de mensen van marketing en verkoop, en die zeggen dat onze klanten een grotere windmolen willen. Oké, dan maken we dus een grotere. Dat is hoe we beslissingen nemen. We luisteren naar de klanten. De markt en de vraag, dat zijn de drijvende factor van dit hele proces.’
Zhang Qiying wil maar zeggen: Mingyang is een gewoon bedrijf, dat de wetten van vraag en aanbod volgt en niet wordt gedreven door overheidssubsidies. Daarmee reageert hij op een kritiek die in Europa steeds luider klinkt, dat Chinese windmolenproducenten oneerlijke staatssteun krijgen. De Europese Commissie begon in april een onderzoek naar Chinese windturbines, zoals zij dat eerder met elektrische auto’s deed. Dat laatste leidde recentelijk tot de invoering van strafheffingen.
Volgens Zhang is de Europese kritiek onterecht. ‘We zijn een privébedrijf, geen staatsbedrijf’, zegt hij. ‘Als we geen goed werk afleveren, kunnen we failliet gaan. We zijn beursgenoteerd in Shanghai en Londen. We zijn transparant.’
Zhang – in jeans en blauw poloshirt – vertelt het in Mingyangs hoofdkantoor in Zhongshan, een industriestad in de Zuid-Chinese provincie Guangdong. Het is de plek waar het bedrijf dertig jaar geleden begon, als een fabriekje van transformatoren. Het bedrijf bouwde zijn eerste windmolen in 2005, en groeide in minder dan twintig jaar uit tot de vijfde grootste windturbinemaker ter wereld, met een omzet van 3,57 miljard euro. In windmolens op zee (offshore) is Mingyang zelfs wereldleider.
Mingyang realiseerde die groei tot nog toe vooral in China zelf, maar probeert nu – zoals veel Chinese bedrijven – internationaal uit te breiden. Het bedrijf bouwde in 2021 tien windmolens in Italië, werkt op dit moment aan 25 turbines voor Servië en heeft net een aanbestedingsprocedure voor een windpark in Duitsland gewonnen. Het heeft zelfs plannen voor een eigen fabriek in Schotland. In Zhongshan, waar een nieuw hoofdkantoor in aanbouw is, worden die internationale ambities trots uitgedragen. ‘Build a world-class company’, staat op een bord voor de bouwplaats.
Maar als Chinees bedrijf wekt Mingyang ook argwaan in het buitenland, zeker in Europa, dat zijn eigen windsector in gevaar ziet komen. Chinese windturbines zijn 20 tot 50 procent goedkoper dan de Europese, en komen vaak met aantrekkelijke financiële voorwaarden, zoals drie jaar uitstel van betaling. Voor ontwikkelaars van Europese windparken zijn die Chinese prijzen verleidelijk, zeker nu er in het kader van klimaatdoelstellingen een enorme hoeveelheid windenergie moet bijkomen.
Maar critici waarschuwen dat de Chinese turbines oneerlijke concurrentie vormen, omdat zij met staatssteun zijn gemaakt. Zij vrezen dat Europese windmolens uit de markt zullen worden geprijsd, zoals eerder met zonnepanelen gebeurde. Europa zou dan van China afhankelijk kunnen worden voor zijn energie-infrastructuur. Daarnaast zijn er zorgen over cyberveiligheid. Op windmolens zitten honderden sensoren, die data verzamelen om ze optimaal te laten presteren. Die zouden door de Chinese overheid gebruikt kunnen worden om te spioneren.
Ook Mingyang krijgt kritiek. Zo leidden de plannen voor een fabriek in Schotland, bedoeld om een deel van de Europese bezwaren te omzeilen, tot parlementaire vragen. Het Schotse parlementslid Stewart McDonald (SNP) noemde Mingyangs plannen voor een fabriek in Schotland recentelijk ‘een grote bedreiging voor de nationale veiligheid’. In Duitsland zei een regeringswoordvoerder de door Mingyang gewonnen aanbesteding ‘zorgvuldig onder de loep te zullen nemen’.
‘De Europese windturbinemakers zijn erg bezorgd’, zegt Giles Dickson, directeur van WindEurope, de branchevereniging van de Europese windsector. ‘Bestaande investeerders in het Verenigd Koninkrijk kunnen heel snel hun concurrentiepositie verliezen als ze worden ondermijnd door een fabriek die mogelijk is gebouwd met oneerlijke subsidies. Dat kan een directe impact hebben.’
Maar op het hoofdkantoor van Mingyang wuift Zhang Qiying die klachten weg. ‘Natuurlijk, onze concurrenten maken zich zorgen over onze komst op de Europese markt’, zegt hij. ‘Zij willen het graag makkelijk hebben, dat is logisch. Maar veel energiebedrijven (die windparken ontwikkelen, red.) zijn blij met ons. Zij willen competitieve prijzen. Ze hebben ons nodig om de uitstoot- en klimaatdoelstellingen te halen.’
Ook de zorgen over de veiligheid van Chinese windturbines vindt hij overdreven. ‘Cyberveiligheid is belangrijk’, zegt hij. ‘Dat geldt niet alleen voor Chinese bedrijven, maar voor iedereen. Maar daar zijn technische oplossingen voor. We kunnen datacentra bouwen in Europa, zodat de data in Europa blijven en niet naar China worden doorgestuurd. Net zoals (het Amerikaanse autobedrijf, red.) Tesla een datacentrum heeft in Shanghai. Dat is niet zo ingewikkeld.’
Het is de eerste keer dat Zhang Qiying een interview aan niet-Chinese media geeft. Daar ging een lang proces aan vooraf. De Volkskrant diende in november 2023 bij verschillende Chinese windenergiebedrijven, waaronder Mingyang, een verzoek in voor een interview of bedrijfsbezoek. Die verzoeken werden allemaal afgewezen of op de lange baan geschoven. De Chinese bedrijven leken hun vingers niet te willen branden aan een politiek gevoelig onderwerp.
In maart 2024 neemt de persafdeling van Mingyang weer contact op. Het bedrijf krijgt steeds meer kritiek in Europa, en wil zich verdedigen. We worden uitgenodigd voor een uitgebreid bedrijfsbezoek. We krijgen een windpark op zee te zien, een fabriek waar turbines worden gemaakt, een laboratorium en een datacentrum. We krijgen uitleg van een fabrieksdirecteur, een ingenieur en een data-analist van Mingyang, en kunnen vrij vragen stellen.
En we krijgen een interview met Zhang, die een duidelijke boodschap heeft. ‘Ik hoop dat als mensen dit artikel lezen, ze meer naar de feiten zullen kijken’, zegt hij. Hij zinspeelt ook op de Nederlandse plannen voor windparken op zee: daar moet de komende jaren voor 15 gigawatt aan windmolens komen. ‘Ik hoop dat we daaraan kunnen deelnemen. Misschien dat mensen dit artikel lezen, en denken: die Chinese windturbines zijn zo slecht nog niet.’
Zoals Zhang Qiying het vertelt, is Mingyang puur het resultaat van ondernemerszin, doorzettingsvermogen en hard werk. Het bedrijf wordt in 1993 opgericht door Zhang Chuanwei (geen familie), de huidige bestuursvoorzitter. Zhang is afkomstig van het platteland, dient een tijd in het leger en bij de overheid, maar vestigt zich na de opening van de Chinese economie als ondernemer in de provincie Guangdong. Hij heeft goede banden met de overheid, zoals veel Chinese bedrijfsleiders. Zhang zetelt zelfs tien jaar (2013-2023) in het Nationaal Volkscongres, het Chinese ‘parlement’, dicht bij de politieke top.
Als de Chinese overheid in 2005 een wet invoert die windenergie stimuleert, ziet Zhang Chuanwei zijn kans schoon. Hij neemt contact op met het Duitse bedrijf Aerodyn, dat windmolens ontwerpt, en vraagt een licentie voor de Chinese markt. Aerodyn reageert eerst afwerend: de Duitse windmolens zijn niet bestand tegen Chinese tyfoons. Maar Zhang overtuigt Aerodyn om een tyfoonbestendig ontwerp te maken, verwerft de licentie, zet een productieketen op en bouwt zijn eerste windmolen.
‘Die molen stond nog maar net recht, of er stak al een tyfoon op, veel sneller dan verwacht’, zegt Zhang Qiying, in wat klinkt als een anekdote die hij vaak vertelt. ‘Onze voorzitter was heel zenuwachtig. Tijdens een tyfoon kun je niets zien. Het regent en waait, je moet binnenblijven, en het was nacht. Maar toen het licht werd en de ingenieurs zagen dat de molen er nog stond, barstte iedereen in juichen uit. Als onze voorzitter iets wil, geeft hij niet op. Ik denk dat dat de sleutel is van ons succes.’
Mingyang voert aanvankelijk de ontwerpen van Aerodyn uit, maar begint geleidelijk ook zelf aan onderzoek en ontwikkeling te doen, onder meer om de molens aan te passen aan China’s ijskoude winters in het noorden en snikhete zomers in het westen. In 2014 wordt Zhang Qiying, die zes jaar voor Aerodyn heeft gewerkt, binnengehaald om innovaties te stimuleren. De innovatie-afdeling telt tegenwoordig 2.400 werknemers, zes keer zoveel als tien jaar geleden.
Het bedrijf legt zich toe op offshorewindturbines, en loopt voorop in de race richting grotere en krachtigere molens. Mingyang kondigde vorig jaar een turbine aan van 22 megawatt, met een rotordiameter van 310 meter, de grootste ter wereld. Het bedrijf specialiseert zich ook in drijvende offshoreturbines, die verder in zee geplaatst kunnen worden, waar meer ruimte en wind is. Het heeft net een prototype gebouwd van een drijvende windmolen met twee rotoren, een wereldprimeur.
Profiteert Mingyang daarbij van staatssteun? Volgens Zhang Qiying niet. Het jaarrapport van 2023 meldt 15 miljoen euro aan directe subsidies, verwaarloosbaar voor een miljardenbedrijf. Maar Chinese staatssteun komt meestal in indirecte vorm. Zo biedt het Chinese industriebeleid, dat strategische sectoren zoals groene energie stimuleert, steun in de vorm van belastingvoordelen, goedkope leningen, goedkope energie en voorrang bij vergunningen en openbare aanbestedingen.
De Chinese windturbinesector profiteerde tot 2021 ook indirect van gesubsidieerde tarieven voor windenergie, waardoor energiebedrijven in China volop windparken bouwen. Maar zo’n tarievensysteem bestaat ook in Europa – ‘wij hebben dat van Europa geleerd’, zegt Zhang zelfs – en het is moeilijk de opbrengst van beide systemen te vergelijken. Chinese staatssteun is complexe en ondoorzichtige materie. Het onderzoek van de Europese Commissie moet uitsluitsel bieden.
De Chinese overheid hanteert ook praktijken die buitenlandse bedrijven benadelen. Een recent rapport van TNO en The Hague Center for Strategic Studies over de windturbinesector beschrijft hoe ‘de Chinese staat structureel gebruikmaakt van marktverstorende acties’, zoals beperkingen van de markttoegang voor Europese bedrijven. ‘Deze maatregelen zijn bedoeld om de positie van binnenlandse bedrijven te versterken, China’s zelfvoorziening te vergroten en de Europese afhankelijkheid van China te verdiepen.’
Volgens Zhang Qiying is alle kritiek overdreven, en kunnen Europese bedrijven in China evenzeer van de steun voor de windenergie profiteren. ‘De reden dat wij in de voorhoede van de windturbines zitten, komt door de markt in China, door de harde concurrentie’, zegt hij. ‘Die daagt ons uit om steeds beter te worden. Maar Europese bedrijven houden niet van concurrentie, zij willen het makkelijk hebben. Als Mingyang naar Europa komt, dan zou dat hen beter maken. Dan moeten ze concurreren, en niet gewoon zeggen: overheid, werp alsjeblieft een barrière op, help ons en bescherm ons. Dat is niet de juiste manier.’
Maar in de productiehal van Yangjiang, een van de 23 fabrieken van Mingyang in China, zo’n 200 kilometer van het hoofdkwartier in Zhongshan, is onvermijdelijk de kracht van het Chinese industriebeleid te zien. In een uitgestrekte fabriekshal liggen gigantische gondels, generatoren en tandwielkasten naast elkaar, alsof een reus er zijn gereedschapskist heeft uitgestald. In de volgende hal liggen schijnbaar eindeloze wieken, waarop werknemers stroken glasvezel aanbrengen – verrassend centimeterwerk op een blad van meer dan 100 meter.
De toewijding en kunde zijn onmiskenbaar. Maar wat ook helpt: de fabriek is gelegen in een industriezone voor windturbinebedrijven, waar de hele aanvoerketen bijeen is gebracht, van staalfabrieken tot keuringscentra, waar de turbines worden getest. Die zijn allemaal aangetrokken door de lokale overheid, met prioritaire vergunningen, belastingvoordelen, talentondersteuning en hulp bij het transport. ‘De overheid heeft de tolstations op de autosnelwegen verhoogd zodat wij onze turbines kunnen vervoeren’, zegt Liu Bingpo, de onderdirecteur van de fabriek. ‘Ze helpen ook om wegen te bouwen. Ze steunen ons op allerlei manieren.’
De impact van de indirecte steun wordt ook duidelijk in 2022, als de gesubsidieerde tarieven voor windenergie worden stopgezet. Ineens zakt de Chinese vraag naar windmolens in elkaar, en zit de sector met een enorme overcapaciteit, waardoor de prijzen sterk dalen. Het is een bekend neveneffect van de Chinese staatssteun, dat zich op dit moment ook bij elektrische auto’s voordoet. In 2023 daalt Mingyangs winst met 89 procent. Het noopt het bedrijf om versneld te internationaliseren.
Ondanks de Europese kritiek kan Mingyang op veel internationale interesse rekenen. ‘Sinds vorig jaar hebben we drie tot vijf keer per week buitenlanders op bezoek’, zegt onderdirecteur Liu in de fabriek in Yangjiang. Hij pakt zijn telefoon en toont zijn agenda. ‘Deze week hadden we bezoek uit Japan, Zuid-Korea, Spanje, Brazilië en het Verenigd Koninkrijk. Vorige week hadden we twee groepen uit Servië. We hadden ook Nederlandse bezoekers. Die zeiden dat Nederland een van de eerste windmolenbouwers was.’
Maar naast belangstelling hebben de bezoekers ook vragen, niet alleen over staatssteun, maar ook over cyberveiligheid. In het datacentrum in Zhongshan geeft analist Liu Yusheng een demonstratie van Deep Fusion X, een computersysteem waarmee Mingyang al zijn windmolens in China kan volgen. Op een scherm zijn de weersomstandigheden, stroomproductie en onderhoudsstatus van alle turbines te zien. Bij molen nummer 30 voor de kust van Shanghai moet bijvoorbeeld olie worden aangevuld, wijst Liu op het scherm. Het systeem kan ook waarschuwen als schepen te dicht bij een windpark varen.
Mingyangs buitenlandse windmolens, zoals die in Italië, maken voorlopig geen gebruik van Deep Fusion X. ‘We kunnen het aanbieden, maar ze willen het niet vanwege de cyberveiligheid’, zegt Liu Yusheng, die in Nederland heeft gestudeerd en de presentatie regelmatig aan buitenlandse klanten geeft. ‘Vooral de Europeanen die hier komen, stellen daar veel vragen over. Dat zou een obstakel kunnen zijn voor onze internationale uitbreiding.’
Maar obstakels of niet, volgens Zhang Qiying is Mingyang niet tegen te houden. ‘Ik ben optimistisch’, zegt hij. ‘Wat wij doen, is goed voor de wereld. Wij willen een grotere rol spelen op internationale markten, en tegelijk zien we dat internationale bedrijven ons nodig hebben. Er zijn wereldwijd afspraken over klimaatdoelstellingen, en de installatie van hernieuwbare energie moet verdrievoudigen. Ze hebben uitrusting nodig, ze hebben oplossingen nodig, dus komen ze naar ons. Wij hebben oplossingen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant