Zwemlesaanbieders maken zich zorgen over de zwemvaardigheid van Nederlandse kinderen. Doordat de branche onder druk staat, is er behoefte aan een landelijke normering. ‘Er zijn ook kinderen die afzwemmen in een klein badje van een vakantiepark.’
Als de zweminstructeur een aantal ringen in het zwembad gooit, duikt een groepje kinderen als vissen naar de bodem. Kort spartelen ze onder water om daarna met de ringen in de handen naar boven te springen. ‘Hebbes!’
De kinderen oefenen in het ondiepe bad van Kalverdijkje, een zwembad dat deel uitmaakt van bv Sport in Leeuwarden. Volgens Joke Dijkstra, voormalig zwemdocent en coördinator zwemlessen bij bv Sport, is dat een cruciaal begin van het leren zwemmen. ‘Dan worden ze watervrij gemaakt: ze voelen de weerstand van het water, leren zich te oriënteren onder water en ervaren dat het water ze kan dragen’, zegt ze toekijkend vanaf de kant.
Toch is het een fase die sommige zwemlesaanbieders overslaan, omdat ze bijvoorbeeld niet over een ondiep bad beschikken of onvoldoende personeel hebben. Zo zijn er, bij gebrek aan een landelijke normering, meer verschillen tussen zwemscholen. In prijs, lesaanbod en richtlijnen van het zwemdiploma. Het leidt tot zorgen bij zwemlesaanbieders en de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ), nu de zwemlesbranche op verschillende manieren onder druk staat.
Uit onderzoek van het Mulier Instituut, dat sociaalwetenschappelijk sportonderzoek verricht, blijkt dat zwemscholen vaak om praktische redenen van elkaar verschillen. Bijvoorbeeld in de grootte van de groepen, hoe vaak de lessen worden gegeven, de gemiddelde startleeftijd en de diepte van de baden. ‘Sommige zwemlesaanbieders geven slechts één zwemdiploma, maar bij anderen bestaat deze uit meerdere delen’, zegt Eef Hollander, onderzoeker op het gebied van zwemsport.
‘Er zijn ook kinderen die afzwemmen in het kleine badje van een vakantiepark’, zegt NRZ-directeur Arjan de Vries. ‘Het A-diploma is een label, maar er hangen geen gestandaardiseerde eisen aan vast. In principe kan iedereen een diploma verstrekken.’ De zwemscholen die bij de NRZ zijn aangesloten moeten zich wel aan hun richtlijnen houden en worden daarop gecontroleerd. Maar veel zwemscholen hebben een eigen diplomalijn of zijn bij een andere organisatie aangesloten met andere eisen.
Volgens De Vries is het gebrek aan een norm vooral in deze tijd zorgelijk. Er is een groot tekort aan zwemleraren, en sommige zwemscholen hebben wachttijden van meer dan een jaar. Ook worden zwemlessen steeds duurder. Een groeiend aantal kinderen heeft om die reden geen zwemdiploma, blijkt uit cijfers van het Mulier Instituut. Via sportfondsen kunnen kinderen toch naar zwemles, maar ook zij zien hun aanvragen stijgen.
Als daar ook nog de door het nieuwe kabinet aangekondigde btw-verhoging bovenop komt, zullen zwemlesaanbieders nog verder in het nauw komen, waarschuwt De Vries. ‘We willen niet dat ze door al deze ontwikkelingen gaan inleveren op de kwaliteit van de lessen.’
Om dat te voorkomen, pleit hij voor een uniforme normering waar zwemonderwijzers zich aan moeten houden. Hij is nu in gesprek met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en woordvoerders van politieke partijen om te kijken naar de mogelijkheden.
Zwemlescoördinator Dijkstra is het eens met De Vries. ‘Het is nu een wirwar van diploma’s. Welke normering garandeert dat kinderen zwemveilig zijn? Wat voor mij een zesje is, is voor anderen misschien een negen.’ Ze vindt dat het gehele zwemdiploma, net als bijvoorbeeld het rijbewijs, landelijk moet worden uitgegeven. ‘Dan is er duidelijkheid in de markt.’
Den Haag kijkt naar schoolzwemmen om meer kinderen aan een diploma te helpen. Een Kamermeerderheid stemde dit jaar voor herinvoering van zwemles onder schooltijd. Onderzoeksbureaus Seo en het Mulier Instituut berekenden eerder dit jaar dat schoolzwemmen tot een grotere veiligheid leidt.
Schoolzwemmen is sinds 1985 niet meer verplicht. Nu zijn scholen en gemeenten zelf verantwoordelijk voor de organisatie en financiering, wat in veel gevallen tot de afschaffing van zwemlessen onder schooltijd heeft geleid.
Ook De Vries ziet een herinvoering van schoolzwemmen wel zitten. ‘Het zou de branche veel sterker maken en bijdragen aan meer veiligheid. Maar het is ook maatwerk, de overheid moet er geld voor vrijmaken.’ Zwemlescoördinator Dijkstra verwacht daarom dat de verantwoordelijkheid voorlopig bij de ouders zal liggen. ‘Veel scholen staan er ook niet om te springen.’
Schoolzwemmen of niet – volgens haar moet elke zwemles focussen op de techniek om jezelf te kunnen redden in het water. ‘Als een kind deze zomer van de boot in het Friese Pikmeer valt, redt hij het niet met alleen de borstcrawl.’ Daarnaast hoopt ze dat zweminstructeurs het plezier van zwemmen bij kinderen genoeg blijven aanwakkeren. ‘Dan blijven ze het na het behalen van hun diploma doen.’
In zwembad Kalverdijkje spelen ze daar duidelijk op in. In een hoek van het zwembad glijden kinderen van een kleine glijbaan het water in, in een andere hoek spelen ze met ‘waternoedels’ van piepschuim. In het midden dobbert een groepje om hoepels heen. Aan het einde van de les gaat de muziek aan, beukt Snollebollekes door de speakers en hupsen de kinderen van links naar rechts.
In 2023 zijn er in Nederland meer mensen omgekomen door verdrinking dan een jaar eerder. In totaal overleden 98 mensen aan een verdrinkingsdood, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat zijn er 25 meer dan in 2022.
De toename van het aantal zwemdoden in 2023 heeft deels te maken met de gebrekkige zwemervaring van zowel buitenlandse bezoekers als van kinderen met een migratieachtergrond. In 2023 waren 27 van de 98 verdronken zwemmers niet woonachtig in Nederland, het ging bijvoorbeeld om toeristen en arbeidsmigranten. Jonge zwemmers geboren buiten Europa zijn, in vergelijking met kinderen geboren in Nederland, negen keer zo vaak slachtoffer van een zwemongeval.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant