Home

Het bleek een kruising tussen een museum, de Efteling en een heleboel chocola – een prima concept

Vakantie is meeslepen, van bagage en van andere mensen. Mijn kinderen sleepte ik een nachtje naar Antwerpen, omdat ik vorige week nog op deze plek beweerde dat ik een thuisblijftoerist was geworden, maar dat toch niet bleek te zijn.

We belandden in het Chocolademuseum. Het Chocolademuseum heet helemaal niet het Chocolademuseum, maar Chocolate Nation, maar het Chocolademuseum klinkt beter en dat is bovendien wat het is: een museum over chocola.

Of eigenlijk is het een kruising tussen een museum, de Efteling en een heleboel chocola. En dat is een prima concept.

Als willoze creaturen werden wij van zaal naar zaal gesleept, en in elke zaal moesten we een apparaatje tegen ons oor houden waaruit een Vlaamse stem klonk die alleen als ‘zoetgevooisd’ beschreven kan worden. De stem vertelde ons dingen over chocola.

Ik wil geen spoilers geven, want de geschiedenis en het maakproces van chocola zijn woest interessant, maar de tour begint in ieder geval in een zaal waar je een doos bonbons in het rond ziet draaien temidden van langzaam aangaande kerstlichtjes, waarbij de zoetgevooisde Vlaamse stem fluistert: ‘Ik wil nóg.’ (Dat betekent: ‘Ik wil nog meer.’) Dat is een beetje de sfeer.

Na het tot ons nemen van talloze feiten over chocola, waarbij chocola nogal competitief werd aangeprezen – chocola heeft vierhonderd smaakcomponenten en wijn heeft er maar tweehonderd! – kwamen we in de laatste zaal, waar allerlei soorten vloeibare chocola ronddraaiden in tapjes.

Je kreeg een lepel en een servet, en kon die lepel onder een tap houden, en dan proefde je bijvoorbeeld iets wat Ruby heette, of Brazil, of 811 (‘een allround evenwichtige chocolade’). Normaal houd ik museumbezoek langer vol dan mijn kinderen, maar hier legde ik het volledig tegen ze af.

Na het proeven van vier soorten lauwe chocola kon ik niet meer en wilde ik stoppen, maar zij tapten maar door, liepen terug naar de vorige smaak, tapten nog eens bij, lieten wat chocola op de grond vallen en begonnen opnieuw aan een volledige ronde. Ik stond erbij en rook eraan. Dit was het lekkerst ruikende museum waar ik ooit was geweest.

De volgende dag begon het echte slepen: na H&M-verplichtingen, want elke tiener moet in elk land de H&M inspecteren, sleurde ik ze (‘Het regent en we doen dit een half uur’) naar een museum dat was gewijd aan de boekdrukkunst. We deden er weinig meer dan zitten in een oude, verduisterde bibliotheek, terwijl in de aanpalende zaal een vrijwilliger een sonnet aan het boekdrukkunsten was. De geur van inkt en papier hing overal.

Dit was ook al het lekkerst ruikende museum waar ik ooit was geweest.

Twee conclusies: musea moeten lekker ruiken. En je moet er chocola kunnen eten.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next