Als baanwielrenner was Jan-Willem van Schip (29) bijzonder succesvol, tot een aandoening aan zijn darmen zijn leven volledig op zijn kop zette. De ‘fietsende uitvinder’ vertelt over het diepe dal, en hoe hij daar weer uit kwam.
Tweede werd Jan-Willem van Schip dit voorjaar in de Tour de la Mirabelle – een kleine profkoers, zo onbeduidend dat zelfs veel fanatieke wielervolgers er nog nooit van hebben gehoord. Maar het geluksgevoel dat Van Schip tijdens de podiumceremonie overspoelde, kon wedijveren met zijn euforie na de wereldtitel koppelkoers van afgelopen zomer. Misschien ging het zelfs nog wel wat dieper. ‘Ik was daar Willem 3.0.’
Hij voelde de drang om de andere twee renners op het podium aan te spreken. ‘Ik wilde zeggen: jongens, geniet er nu van, hè. Grote kans dat het niet beter wordt dan dit. We hebben nu dit succes, maar succes is niet vanzelfsprekend.’
Over de auteur
Erik van Lakerveld is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft met name over olympische sporten als schaatsen, atletiek en roeien.
Als baanwielrenner heeft de 29-jarige Van Schip een stevig palmares: in 2019 werd hij wereldkampioen puntenkoers, hij won wereldbekers op de koppelkoers. Ook op de weg leek hij een mooie carrière tegemoet te gaan. In 2018 schitterde hij in de kopgroep in Gent-Wevelgem en wist hij uiteindelijk als 12de te eindigen. Een jaar later was er een etappezege in de Ronde van België.
Maar die ontwikkeling zette zich niet door, op de weg ging Van Schip zelfs steeds slechter presteren. Hij kwam er pas vorig jaar achter dat hij al jaren kampte met colitis ulcerosa, een ontsteking van de dikke darm. Die aandoening heeft zijn leven op zijn kop gezet – privé, maar ook sportief. ‘Het heeft me mijn wegcarrière gekost.’
Inmiddels heeft Van Schip de aandoening met medicijnen onder controle en gaat hij als een van de topfavorieten op de koppelkoers naar de Olympische Spelen in Parijs. Ook in het omnium heeft hij kansen.
De koppelkoers, internationaal ‘madison’ genoemd, is een wedstrijd over 200 ronden (50 kilometer) waarin duo’s elkaar met een stevige armzwaai aflossen op de wielerbaan. Onderweg zijn er in tussensprints punten (5, 3, 2 en 1) te verdienen. Aan de finish liggen dubbele punten. Een ronde voorsprong levert 20 bonuspunten op.
De koppelkoers is gebaseerd op de puntenkoers, die met hetzelfde scoresysteem werkt, maar waarbij renners geen ploeggenoot hebben om mee af te wisselen.
Jan Willem van Schip rijdt in Parijs ook het omnium, een klassementswedstrijd over vier onderdelen: scratch, temporace, afvalkoers en puntenkoers.
Het verschil met drie jaar geleden, aan de vooravond van de uitgestelde Spelen van Tokio, kan haast niet groter, zegt hij in zijn tuin. Daar siert een foto van Eddy Merckx in Molteni-trui de buitenkant van het schuurtje, boven een poster van Willem-Alexander op een quad.
De televisiekijkers kennen Van Schip als een man die vlak na zijn wedstrijden in sneltreinvaart de meest poëtische teksten uitbraakt. Van ‘doorgesnoven-junkie-style’ na zijn zege in de Ronde van Drenthe in 2017 tot zijn analyse van de wereldtitel in Glasgow: ‘Iedereen was choco, hier in de hitte. Wij waren ook choco, maar wel met de goede basics.’
Voor een deel is het zijn natuur, dat goochelen met woorden, maar het was ook een afweermechanisme om de stilte te voorkomen. Zeker in de tijd dat het slecht met hem ging. ‘Vóór Tokio was ik de weg kwijt. Slecht slapen, last overal, spierpijn, ziek. En ondertussen wel altijd maar doorbeuken.’
Dat de Spelen vanwege de coronapandemie een jaar werden uitgesteld, had hem bijna genekt. Hij had zich vastgebeten in het idee dat hij na de zomer van 2020 kon ‘afschakelen’, kon gaan reizen. En toen moest hij ineens doortrainen tot augustus 2021.
‘Daar kon ik totaal niet mee omgaan. Het fysieke probleem was ook zo groot, ik voelde constant dat er iets mis was. Als je darm niet goed is, krijg je een continu stressgevoel. Je weerbaarheid gaat naar de kloten, dat is heel lijp.
‘Ik ging steeds over grenzen heen, omdat ik niet doorhad dat die grens er was. Er is niemand die zegt: misschien heb je wel een darmziekte. En ook bij jezelf denk je de hele tijd: ik moet toch gewoon niet zeiken. Mijn bloedwaarden zijn goed, dus moet alles in orde zijn. Ik moet gewoon weer doorgaan. En dan doe je dat.’
Het gesprek in zijn tuin, deel twee van de ontmoeting met Van Schip, volgt na een korte douchebeurt direct op het eerste deel. Dat vindt plaats in de natuurlijke habitat van Van Schip: op de fiets, tijdens de laatste anderhalf uur van een rit met zijn huisgenoot, de jonge Amerikaanse baanrenner Peter Moore. Ze rijden op een buiige dag een ronde van Wageningen naar Zwolle en weer terug.
Bij het uitrijden van Loenen, richting de bossen van de Veluwezoom, legt Van Schip uit hoe het hem jarenlang ontbrak aan de stabiliteit die een profsporter nodig heeft. Hoe zijn lichaam hem in de steek liet en de hoop op een consistente carrière op de weg vervloog omdat hij geen contract kreeg. En hoe de pandemie alles daaromheen instabiel maakte.
De fysieke klachten die Van Schip al bijna een decennium ervoer waren fors: buikpijn, diarree, koortsperioden. Het kwam en ging in golven, die elkaar steeds sneller opvolgden. Hij vertelt over de ‘Bristol stool chart’, een schema waarop je kunt zien hoe gezonde ontlasting eruitziet en wat niet normaal is.
De schok was groot toen hij dat voor het eerst bekeek: ‘Tien jaar lang heb ik geen goede ontlasting gehad. Tien jaar lang is die dikke darm gewoon naar de tyfus geweest.’
Zeker na wegwedstrijden, waarin renners onderweg veel calorieën naar binnen moeten werken om hun energiepeil te onderhouden, ging hij stuk. De sportgelletjes en repen wreekten zich een dag later. Hij kon één dag goed presteren, meer niet.
Na de Tour de la Mirabelle van 2023, vorig jaar dus, was hij twee weken ziek. Het voedde zijn angst om überhaupt zijn best te doen tijdens een wegrace: hij wist dat hij een enorme terugslag kon verwachten.
Zijn inspanningen op de wielerbaan kon Van Schip beter verteren, omdat die veel korter zijn en minder vragen van het maag-darmsysteem. Hij boekte elk jaar nog goede resultaten, al ging het op het velodroom ook steeds meer wringen. ‘Een week na de WK in Glasgow van vorig jaar liep ik bijna ijlend van de koorts door de supermarkt.’
Merkten anderen niet dat er iets wezenlijks mis was met hem?
‘Er zijn wel mensen naar me toe gekomen, maar er viel toen met mij niet te communiceren. Ik zat zo ontzettend in mijn eigen hoofd. Ik heb ook heel weinig herinneringen aan die tijd. Alsof ik in de mist leefde. Ik was er wel, maar ik was er ook niet.’
Hij weet niet zo goed waarom hij in die tijd niet is gestopt met wielrennen. Na negen weken rust – de langste tweewielerloze periode van zijn sportleven – pakte hij in aanloop naar Tokio toch maar weer de fiets uit zijn schuurtje. ‘Wat moest ik anders doen? Werken?’
Maar van plezier of wedstrijdvorm was nauwelijks sprake. Hoe het kan dat hij met koppelpartner Yoeri Havik toch nog 5de werd op de Spelen, is hem nog altijd een raadsel.
Zelfs afgelopen zomer was er nog twijfel. Vlak voor de WK belde Van Schip met zijn coach Leo Adegeest en zei dat het toernooi in Schotland weleens het einde van zijn wielerleven zou kunnen zijn. ‘Leo zei: dat kan. Dat vond ik mooi, dat dat gevoel van mij er mocht zijn.’
Het waren mentaal zware jaren. ‘Er is een correlatie tussen darmontsteking en depressies’, zegt Van Schip. Voor de Spelen van Tokio groeide zijn somberheid tot dusdanige proporties dat het leven hem begon tegen te staan. Zozeer zelfs dat hij in 2020 met de gedachte speelde om van een hoogspanningsmast te springen, eentje niet ver van zijn huis in Wageningen. Hij deed het niet.
Begin 2021 schakelde hij een psycholoog in; zo wist hij de donkerste randen van zijn bestaan te schaven. En als herinnering aan zijn keuze voor het leven liet hij vorig jaar een afbeelding van die hoogspanningsmast op zijn onderarm tatoeëren.
Maar de fysieke klachten bleven. Nog geen jaar geleden begon Van Schip aan een intervaltraining op de dijk aan de rivier. Niets bijzonders: gewoon een training om na een herstelweek weer op gang te komen. Maar toen hij net onderweg was, weigerden zijn benen dienst. Geen pijn, geen kramp, maar ook geen beweging meer.
‘Ik heb ADHD, dus stoppen doe ik niet zomaar. Maar nu stopte ik wel, ging even zitten op een bankje. Nog een keer proberen. Ik snapte het gewoon niet. Het ging niet.’
In diezelfde periode besloot hij na overleg met zijn sportarts om zijn darmen eens te laten checken. Een colonoscopie leverde het bewijs van zijn chronische darmontsteking.
Het was een opluchting dat er iets concreets was gevonden. ‘Maar ook een gevoel van rouw’, zegt hij. En verdriet om wat had kunnen zijn als hij dit niet had gehad, of eerder had geweten.
Hij vertelt het nauwgezet, terwijl hij over de smalle en soms glibberige fietspaden door het bos schiet. Over de vreugde dat hij zich dankzij de medicijnen steeds meer mens voelde. Maar ook hoe het puzzelen was met de dosering. Dat de klachten minder werden, maar nog niet verdwenen.
En over de maag-darm-leverarts die hem in oktober nog zei dat het misschien ook mentaal was. Dat hij moest proberen de pijn te verbijten. Hoe boos hij werd om die opmerking. ‘Ik voel het nog.’
Hij vond een andere arts, die minder huiverig was om zijn dosering te verhogen. Sindsdien lijkt het veel beter te gaan. Elke week, elke dag keert de vrolijkheid die in zijn karakter zit weer iets meer terug.
‘We zijn nu een jaar bezig geweest om te begrijpen wat het met je doet. Het afstellen van die medicijnen is een lang gebeuren. Het is ook echt rommel, die ontstekingsremmers en auto-immuunremmers.
‘Maar nu gaat het goed. Ik kan weer een dag in een kopgroep mee en ben daarna niet ziek meer. Ik kan na een wedstrijd gewoon naar de supermarkt. Ik kan weer slapen, ik ben weer vrolijk. Het contrast is fucking groot.’
Terwijl huisgenoot Peter Moore hem een pannenkoek voor de neus schuift, die hij met pindakaas en stroop verorbert, vertelt Van Schip hoe de mist om zijn hoofd is verdwenen. Dat zijn persoonlijkheid is veranderd.
‘Vroeger praatte ik heel veel, omdat ik dan de controle had. Nu ben ik rustiger, meer geconnect met mijn gevoel. Ik heb meer geaccepteerd wie ik ben: een snelle, vlotte, enthousiaste, doeltreffende, ambitieuze guy. Zoiets.’
Bij het oversteken van de A50 passeert een groepje wielrenners. Bij sommigen levert het een flard van herkenning op: ‘Dat is die Van Schip...’ Als ze hem niet aan zijn lange lijf hebben herkend, dan toch zeker aan zijn fiets. Van Schip heeft zo zijn eigen ideeën over wat de beste houding en afstelling van zijn rijwiel is.
Aan zijn frame is weinig geks te zien. En zijn op maat gemaakte koolstofvezelschoenen, die ogen als kleine bootjes met een scheg aan de achterzijde, ogen voor de leek misschien futuristisch, maar zijn op de wielerbaan allang geen unicum meer. Wel heel vreemd is de extreem lange stuurpen en het daarop gemonteerde bijzonder smalle stuur.
Of het er mooi uitziet? Dat doet er niet toe, als het er maar voor zorgt dat hij sneller gaat.
Van Schip is een fietsende uitvinder, een onderzoeker op twee wielen. Volgens de wetten van de aerodynamica is het volstrekt logisch dat een smaller stuur een renner profijt biedt: met de armen bijeen snijd je nu eenmaal gemakkelijker door de lucht dan wanneer je breedgeschouderd zit. En zo’n smalle houding is beter en comfortabeler te bereiken door het stuur verder naar voren te plaatsen, vandaar die lange stuurpen.
‘That’s illegal!’, schreeuwde een collega-renner naar hem tijdens de Luxemburgse rittenkoers Flèche du Sud, wijzend naar zijn stuurtje. Onwaar: de onderdelen waarmee Van Schip rijdt voldoen aan de door de UCI gestelde regels. Maar het feit alleen dat hij radicaal andere keuzen maakt dan de rest van het peloton, roept weerstand op.
‘Het zijn vooral de oudere renners die er kritiek op hebben’, zegt hij. ‘Jongere renners hebben meer interesse.’
Ze vinden hem maar een rare snuiter, net zoals vroeger Graeme Obree, van wie Van Schip een poster boven de bank heeft hangen. De Schot was ook al zo’n fietsende uitvinder die toverde met aerodynamica. Hij was ook geliefd bij fans, maar vond in het conservatieve wielerwereldje weinig weerklank.
Van Schip: ‘De mensen buiten de lijnen vinden het wel vet, maar de mensen die beslissen – degenen met een kleine piemel en een dure auto – niet.’
Hij heeft zich erbij neergelegd, kiest zijn eigen weg. Veel van zijn collega’s houden zich aan de ongeschreven regels, omdat ze allang blij zijn dat ze erbij horen. Van Schip maalt daar niet om: ‘Ik fiets om te winnen.’ Al is er aan dat adagium de afgelopen maanden wel iets veranderd.
Neem de Spelen van Parijs. ‘Ik droom er natuurlijk van om daar te winnen. Het is wel dik. Maar mijn identiteit is er minder van afhankelijk. Veel sporters zeggen: als ik die gouden medaille niet win, dan ben ik niet goed genoeg. Ik zeg nu: ik ben hoe dan ook goed genoeg.
‘Dat is het verschil met de andere Spelen: dat ik nu de echte Willem ben.’
Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op 113.nl.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant