In de vroege ochtend van woensdag 24 juli ontplofte een uit koers geraakte Russische drone in Feldman Ecopark, een dierentuin buiten Charkiv. Onmiddellijk hierna vlogen de stallen in brand, later sloegen de vlammen over naar een gastenverblijf.
Volgens onbevestigde berichten zou één kangoeroe zijn ontsnapt.
Zie daar: oorlogsnieuws-tevens-premisse-van-een-prentenboek. Op elke plaat zit een dier verstopt, laten we zoeken! Daar, achter de deur van die flat met dat gapende gat van een raket: een wasbeer! En uit dat gebroken raam van dat verlaten huis hangt een gibbon! De struisvogelfamilie? Precies, in het zwartgeblakerde gat in de weg! En zie je het stokstaartje? Heel knap, dat verstopt zich inderdaad tussen de infusen van patiëntjes die in pyjama’s op de stoep staan te rillen nadat de oncologie-afdeling van het kinderziekenhuis is gebombardeerd!
Ooit zullen dierentuinen achterhaalde instituten zijn, waarop we vol onbegrip over onze eigen kortzichtigheid zullen terugkijken, als op musea vol levende roofkunst, terwijl we gelijktijdig de natuurlijke leefomgeving van de dieren op grote schaal sloopten en vervuilden. John Berger noemde dierentuindieren eens ‘levende monumenten van hun eigen verdwijning’, en dat zijn het natuurlijk ook, maar de plek zelf – een groot, afgesloten terrein in een stad, vol bomen en beesten, een plek waar kinderen min of meer gevaarloos kunnen rondrennen en de lucht verzadigd is van een doordringende stront-en-frituurlucht – is vol van nostalgie, vervult de bezoeker met een gevoel van onbekommerdheid.
Het is een park dat zich aan het echte leven onttrekt, waar zelden iets groots verandert en waar het bestaan zich op een vredig, parallel spoor voortbeweegt. Een plek ook die immuun lijkt voor wat er buiten de hekken gebeurt. En juist als die twee werkelijkheden, die van de dierentuin en die van de wereld eromheen, door elkaar gaan lopen, word je de ellende in volle omvang gewaar.
Dat overkwam me bij de berichten over de dierentuin van Rafah, waarvan de meeste dieren in mei werden geëvacueerd, maar – nogal Dick Maas-achtig – drie leeuwen (‘uitgehongerd’) achterbleven, en het gebeurt elke keer wanneer ik post ontvang van Stichting Aap, over de redding van twee Syrische dwergmangoesten, of het geslaagde transport van een ontheemde rode panda uit Kabul.
Bij het bericht over die kangoeroe in het Feldman Ecopark gingen mijn gedachten al gauw naar de laatste pagina’s van De Welwillenden van Jonathan Littell. Max Aue, hoge SS’er van het laagste allooi, struint door een aan flarden gebombardeerd Berlijn en tracht dwars door de Zoo te vluchten: ‘Ik ploeterde voort, rond het eiland met de bavianen, waar de kleintjes zich met hun minuscule handjes vastgrepen aan de buik van hun radeloze moeder, ik zigzagde tussen papegaaien, dode apen, een giraf die met zijn lange hals over een hek heen hing, bebloede beren.’
Littells roman beslaat bijna duizend pagina’s en staat vol secure beschrijvingen van gruwelijkheden en nauwelijks voorstelbare misdaden die ik goeddeels vergeten ben, maar dat beeld van een park vol tentoongestelde dieren dat in één klap transformeert in een stuk stad vol angstige, gewonde en dode wezens, zal ik altijd onthouden. Ongetwijfeld zegt dat wat over mij, en over mijn aanleg voor sentimentaliteit, maar soms zijn het juist dit soort beelden die je eraan herinneren dat dit nog gaande is, elke dag weer, en ook aan hoe bruusk de ene, vernietigende werkelijkheid de ogenschijnlijke idylle van de andere kan vernielen.
Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant