Home

Waarom filmmakers zo graag verdwalen in de nacht

Duisternis, mysterie, geen besef van tijd: het prachtige bladerboek ‘Night Fever’ toont de aantrekkingskracht van de nacht voor fotografen en filmmakers. Plus: tips voor films om het laat mee te maken.

Een broeierige zomernacht in Brussel. De tientallen anonieme personages uit Toute une nuit (1982) liggen te woelen op bed, drinken een laatste biertje in een verlaten café, hebben een rendez-vous in het donker of dwalen eenzaam door de lege straten. Iedereen smacht naar een ander of wil juist alleen zijn. En al slaat de klok 12 uur en komt de verlossende donder steeds dichterbij, toch lijkt voor deze mannen, vrouwen en meisjes de tijd stil te staan. Als je sommige nachten inderdaad alleen in films ziet, dan is Chantal Akermans Brusselse nocturne een van de mooiste nachten van allemaal.

Veertig essayisten

Geen wonder dat Toute une nuit – ook in de grillige zomer van 2024 perfect filmvoer voor de wakkere kleine uurtjes – een prominente plek heeft gekregen in het onlangs verschenen boek Night Fever. Liefst veertig essayisten ontfermen zich in deze bijzonder fraai geïllustreerde uitgave over de nacht in film en fotografie: van Night of the Living Dead (1968) tot Saturday Night Fever (1977), van Paz Errázuriz’ melancholieke prostitueeportretten tot de Zuid-Afrikaanse nachtbuspassagiers uit David Goldblatts fotoreeks The Transported of KwaNdebele (1984).

Over de auteur
Kevin Toma schrijft voor de Volkskrant over film, met een speciaal oog voor filmmuziek en horror.

Zelden werd de op foto en film vastgelegde nacht zo uitputtend behandeld. Het is dan ook een buitengewoon interessant en inspirerend thema. Bij alle in het boek genoemde films kun je je hetzelfde afvragen: waarom laten cineasten zich steeds weer als motten naar het nachtlicht leiden? Wat als hun werk zich overdag had afgespeeld?

Onbestemde vaagheid

Een film als Toute une nuit was overdag ongetwijfeld een totaal andere ervaring geworden. De vele (bijna-)romances waren veel strakker omlijnd geweest, letterlijk en figuurlijk. Ze hadden sneller een beslissend verloop, begin of einde gekregen, in plaats van de onbestemde vaagheid en traagheid die hun ’s nachts is gegund. De koppels en eenlingen uit Toute une nuit vloeien haast in elkaar over, alsof je naar talloze perspectieven op dezelfde personages kijkt. Ook de grenzen van de stad, de straten en de huizen worden door het nachtzwart uitgewist – een dekschild van duisternis waarin alles mogelijk lijkt.

De nacht als vrijplaats voor de kunstenaar, zijn personages én het publiek: het is een van de hoofdmotieven van Night Fever. ‘In zijn uitgestrektheid biedt de nacht een ontsnappingsmogelijkheid, een ruimte voor de grenzeloze bronnen van de verbeelding, vergelijkbaar met de cinema zelf’, schrijft filmcriticus Beatrice Loayza van The New York Times in haar bijdrage. ‘Zowel in films als ’s nachts verkennen we andere werelden, afgeschermd van het licht van de rede, onze verlangens dichter naderend’, mijmert filmwetenschapper Erika Balsom.

Boek als een nachtwandeling

Het tussen tekst en fotoportfolio’s wisselende Night Fever is min of meer gestructureerd als een avontuurlijke en plezierig desoriënterende nachtwandeling: zo vind je het introducerende essay van samensteller Shanay Jhaveri pas na een bladzijde of 50. Het boek is bedoeld om al bladerend in te verdwalen en tot je eigen associaties te komen, met talrijke filmische nachtwandelaars als gids. De existentialistische zwerver uit Naked (Mike Leigh, 1993), de vluchtelingen die zich in Laura Waddingtons Border (2004) aan de oversteek van Frankrijk naar Engeland wagen, de traag door Tokio schuifelende monnik uit Tsai Ming-liangs No No Sleep (2015): allen komen ze voorbij in Night Fever en ieder vinden ze hun eigen cadans in de nacht.

Zo ook Khadija, de schoonmaakster uit Bas Devos’ prachtige Ghost Tropic (2019). Ze neemt na haar dienst de laatste metro, dommelt in slaap en wordt pas wakker bij de eindhalte. Het begin van een lange voettocht huiswaarts, dwars door nóg een Brusselse nacht vol mysterie en toevallige ontmoetingen, die misschien vooral zo onvergetelijk is omdat Khadija, een van de weinige vrouwelijke nachtwandelaars van de cinema, niets naars overkomt: geen geweld, geen seksuele intimidatie.

Jhaveri koppelt films als Ghost Tropic aan Rut Blees Luxemburgs Women at Night (1993), een fotoreeks rond vrouwen (meestal Luxemburg zelf) die door de nachtelijke straten van Londen dralen en die deze ‘gevaarlijke’ plekken daarmee voor vrouwen terugwinnen. Iets dergelijks gebeurt in feite ook in Ghost Tropic, waar Brussel zich van zijn meest open en (gast)vrije kant toont. Khadija’s reis nodigt uit tot een breder besef van het begrip ‘thuis’, aldus Jhaveri – en dat in het anders vaak zo vijandige, dreigende donker van de nacht.

Night Fever voert je naar nachten waar de personages van een nieuwe toekomst dromen (de demonstrerende Indiase student uit Payal Kapadia’s hypnotiserende A Night of Knowing Nothing) of al dansend hun eigen utopie creëren. Zie het reggaehuisfeest in het Londen van de jaren tachtig van Steve McQueen in Lovers Rock (2020).

De nacht zelf in de hoofdrol

Net zo vaak draait het om nachten die aan hun eigen lot worden overgelaten. Nachten die stil op hun hoofdrolspelers lijken te wachten, en die in de afwezigheid van mensen zelf de protagonist worden. Alsof de nacht soms pas tot de kern komt als de straten zijn uitgestorven en de stoplichten voor niemand op groen of rood springen.

Dat laatste archetypische filmnachtbeeld duikt mogelijk voor het allereerst op in het experimentele filmessay Geschichte der Nacht (1978). Uit 150 nachten in evenzoveel Europese steden componeerde regisseur Clemens Klopfenstein één doorlopende nacht, die soms op bedrijvigheid stuit maar vooral verwijlt bij verlaten pleinen, wegen en voetgangerstunnels, onbemande tribunes en ongebruikte roltrappen. Europa verandert in Geschichte der Nacht in een droomlandschap, schrijft Jhaveri, waarin zowel de verschillen als de overeenkomsten tussen de bezochte steden worden vertroebeld. Het resultaat oogt als ‘de verre herinnering aan iets dat gaande is’ – de nacht vraagt blijkbaar om zijn eigen raadseltaal.

1960 als kanteljaar

De cinema moest leren om op een dergelijke betekenisvolle manier met de nacht om te gaan, betoogt filmcriticus Chris Fujiwara in Night Fever. Hij wijst zelfs een concreet jaar aan waarin dat gebeurde: in 1960 waren er opmerkelijk veel films die ‘de mogelijkheden van de nacht bevrijdden terwijl de nacht, op zijn beurt, de mogelijkheden van film vergrootte’. Natuurlijk was de nacht daarvoor ook al volop aanwezig in film – denk aan horrorfilms en film noir. Maar toen had hij nog niet de existentialistische diepte, authenticiteit en zeggingskracht die hij in 1960 kreeg, dankzij films als Antonioni’s L’avventura, Franju’s Les yeux sans visages en Oshima’s Night and Fog in Japan.

Samen schiepen deze films als het ware een ‘nieuwe nacht’. ‘Wat ’s nachts tussen mensen gebeurt, is niet een kwestie van de banen of rollen waarmee zij zichzelf op een officiële, publieke manier identificeren, noch van hun betrokkenheid bij de economie en politiek van hun samenleving’, schrijft Fujiwara, aan de hand van de slapeloze personages uit L’avventura en Fellini’s La dolce vita. ‘Het gaat eerder om hun privévermaak, hun zoektocht naar bevestiging en vernieuwing, in de vorm van bezigheden die enkel bedoeld zijn om de tijd te doden.’ Dat mag klinken als iets wat voor de hand ligt, maar volgens Fujiwara gaven films pas vanaf 1960 volop ruimte aan die zoektocht, vaak op bestaande locaties en in lang aangehouden shots die je als toeschouwer onderdompelen in ‘de immensiteit van de nacht’.

Precies wat het hele boek doet. Dat is een van de grote verdiensten van Night Fever: het maakt je bewust van een ontzaglijke wereld vol schoonheid en beloftes die elk etmaal binnen bereik komt, maar die de meesten van ons doorgaans slapend doorkruisen, en die vaak zelfs voor de verstokte nachtbraker onzichtbaar blijft.

Nergens meer donker

In zijn essay herinnert schrijver Ed Halter je er nog eens fijntjes aan dat de nachthemel door de stedelijke verlichting nagenoeg ontoegankelijk is geraakt. 99 procent van de Amerikaanse en Europese bevolking leeft in nachtblinde zones, aldus Halter; de perceptie van de nachthemel blijft hier beperkt ‘tot de helderste sterren, als die al te zien zijn’.

Wie de nachtelijke hemel wil ontdekken moet dus naar afgelegen plekken afreizen, of zich troosten met de fraaie filmsurrogaten die Halter aandraagt. Observando el cielo (Jeanne Liotta, 2007) bestaat volledig uit opwaartse timelapse-opnamen van de nacht. De melkweg en de maan glijden voorbij boven een bos, een huis of de koepels van sterrenwachten: de nacht zoals die alleen door de camera zichtbaar kan worden gemaakt.

Nacht en film versmelten nog verder in (2017), een kosmisch epos dat filmmaker Johann Lurf samenstelde uit meer dan 550 filmfragmenten: clips uit speelfilms vanaf 1905 waarin alleen de nachthemel te zien is. Het resultaat is vooral een verkenning van de de visuele verbeelding van de nacht, en minder een film over de nacht zelf. Zo ontdek je dankzij ★ dat de nachthemel in films vrijwel nooit stilstaat, al is het maar doordat de camera horizontaal of verticaal beweegt, en doordat de sterren opzichtig twinkelen of vallen.

Lust om de nacht door te halen

Het mag voor zich spreken dat Night Fever, alleen al door woorden als ‘nacht’ en ‘donker’ honderden keren in de mond te nemen, zeer aanstekelijk werkt. Tijdens het lezen word je herhaaldelijk overvallen door de lust om door te halen met een hele rits films. Met zijn voorkeur voor obscure en avant-gardetitels biedt Night Fever genoeg aanknopingspunten voor zo’n lange filmreis door de nacht. En anders kun je nog altijd het boek dichtslaan en zelf de de nacht opzoeken.

Dat kan ook overdag, in de stad. Iedereen die weleens ’s ochtends of aan het begin van de middag naar de film is gegaan, weet hoe vervreemdend het kan zijn om na afloop de bioscoop te verlaten en opeens weer in het volle zonlicht te staan; alsof de orde van dag en nacht door het bioscoopbezoek overhoop is gehaald. Het sluitende bewijs, zou je kunnen zeggen, dat het donker van de filmzaal in feite het donker van de nacht is. ‘Er bestaat geen betere plek om jezelf te verliezen dan de nachthemel van de bioscoopzaal’, schrijft filmwetenschapper Elena Gorfinkel in een van de laatste essays uit Night Fever, vlak nadat ze heeft bekend dat ze erg graag in de bioscoop in slaap valt.

Slapen tijdens de film

Gorfinkels tekst richt zich op filmpersonages die hetzelfde doen, en dan met name de titelfiguur uit Barbara Lodens Wanda (1970). Gevlucht uit haar troosteloze huwelijk, door de stad dolend na een rits teleurstellingen en desillusies, loopt de uitgeputte Wanda haast slaapwandelend een morsige bioscoop binnen. Het doet er niet toe dat de geprojecteerde film een Spaans melodrama is zonder ondertitels; Wanda zoekt slechts een plek in de schaduwen om met rust te worden gelaten, om even te worden vergeten – ook door zichzelf. Ze valt in slaap, en wordt pas uren later wakker, als de schoonmaker haar wekt. De zaal is verder verlaten, de allerlaatste film allang afgelopen. Iemand is er met Wanda’s tas vandoor gegaan. Verdwaasd strompelt ze naar buiten, waar het inmiddels avond is. Alsof het bioscoopdonker ook de buitenwereld heeft gekaapt.

Film en nacht, slapen en waken – in haar tekst trekt Gorfinkel de cirkel mooi rond. In 1992, zo schrijft ze, organiseerde een bioscoop in Montréal een van de langste filmmarathons ooit. Laura Denison won 2.500 dollar door gedurende twaalf dagen in 250 uur liefst 136 films te kijken. Zij en de andere negen deelnemers kregen enkel respijt in de korte pauzes tussen de films; tijdens de vertoningen controleerde de organisatie om de 10 minuten of iedereen nog wakker was. Denison won de marathon toen Nicolas Stedman, de enige ander overgebleven kandidaat, twee minuten indutte.

Bij welke film dat gebeurde? Inderdaad, constateert Gorfinkel met plezier – bij Barbara Lodens Wanda. Na het lezen van Night Fever is het niet meer dan logisch dat nou net dit tragische meesterwerk, met zijn doodvermoeide heldin, de climax vormde van een evenement waarin nacht en film volledig gelijkgeschakeld raakten. ‘Die twee minuten waren de plezierigste van mijn leven’, zei Stedman destijds tegen de Montreal Gazette. ‘Ik was wild aan het hallucineren voordat ik in slaap viel.’

Night Fever, samengesteld door Shanay Jhaveri. Engelstalig, verschenen bij Verlag der Buchhandlung Walther und Franz König; 423 pagina’s, circa € 45.

VIJF KLASSIEKE NACHTFILMS

Taxi Driver (Martin Scorsese, 1976)

De cinema barst van de gebutste mannelijke filmpersonages die zich aan gevaarlijke tochten door de nacht wagen, schrijft Shanay Jhaveri in Night Fever. Dan denk je toch het eerst aan de door Robert De Niro gespeelde taxichauffeur uit Taxi Driver. Nachtelijk New York oogde zelden zo groezelig en hallucinant als via de voorruit en blik van deze psychopathische eenling.

Le navire Night (Marguerite Duras, 1979)

Parijs krijgt een nachtelijke onbestemdheid in deze tegendraadse romance. De soundtrack wordt gevuld door de somnambulistische monologen van twee Parijse geliefden die elkaar alleen kennen via hun urenlange telefoongesprekken. Intussen zwerft de camera door de plekken waar ze vergeefs afspreken, zoals het Bois de Boulogne: een oord dat bij (vroeg of heel laat) daglicht is gefilmd, maar in zijn enigmatische leegte overtuigend naar nacht smaakt.

Tropical Malady (Apichatpong Weerasethakul, 2004)

Als kijker leef je helemaal mee met de prille liefde tussen twee jongemannen, wanneer Apichatpong, meester van de Thaise droomcinema, opeens de abrupte overgang maakt naar de geestverruimende jungletocht van een op een tijger jagende soldaat. Bij het vallen van de nacht raakt ook de film zijn verstand kwijt, met beelden (zoals de vol vuurvliegjes pulserende boom) die je als visioenen blijven achtervolgen.

No Country for Old Men (Joel en Ethan Coen, 2007)

De klassieke opzet – man haalt zich ellende op de hals met een gevonden koffer vol geld – leidt deze meesterlijke thriller onder meer naar een tergend intense nachtscène. Belaagd door een sadistische psychopaat, vlucht het hoofdpersonage van zijn hotelkamer naar de lege, in schaduwen en lamplicht verzonken straten: ook door het gebrek aan dialoog en muziek krijgt de scène de kwaliteit van een angstdroom zonder einde.

Victoria (Sebastian Schipper, 2015)

De jonge Spaanse Victoria beleeft in hip Berlijn de spannendste, zwaarste en meest tragische uren van haar leven. Regisseur Schipper vat die odyssee in een onafgebroken take van 140 minuten die niet alleen de halve stad, maar ook de hele nacht lijkt te omsluiten. Van club naar bankoverval gaat het, en van duisternis naar zonsopgang.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next