De ministeriële verantwoordelijkheid die premier Schoof voor het Koninklijk Huis draagt is problematisch, vindt Pieter Omtzigt. Zoals bij de ‘methode-Laurentien’ na de toeslagenaffaire en het inhoudelijke VN-werk van koningin Máxima. ‘We moeten daarover discussiëren.’
Dat zegt de politiek leider van NSC deze week in een vraaggesprek met weekblad EW. ‘Of de leden van het Koninklijk Huis beperken zich tot hun eigenlijke, hoofdzakelijk ceremoniële taken, of er wordt in voorkomende gevallen een uitzondering gemaakt op de regel dat de premier verantwoordelijk is voor het optreden van het Koninklijk Huis’, aldus Omtzigt.
Aanleiding voor Omtzigts uitspraken zijn het optreden van prinses Laurentien als voorzitter van de Stichting Gelijkwaardig Herstel, en uitspraken van koningin Máxima over de voor- en nadelen van de digitale euro. Het kabinet heeft ruim 2 miljard euro uitgetrokken voor schadeafhandeling via de methode-Laurentien, die afwijkt van de Commissie Werkelijke Schade van de overheid zelf.
‘Zou straks blijken dat het budget voor de Laurentien-route fors wordt overschreden, dan is premier Dick Schoof verantwoordelijk’, zegt Omtzigt. ‘Dat is het ongelukkige hieraan. Het is onverstandig om dergelijke werkzaamheden te beleggen bij iemand van het Koninklijk Huis.’ Hij vindt dat oud-premier Mark Rutte hierin te laconiek is geweest.
Omtzigt: ‘Voormalig premier Rutte sprong te lichtvaardig om met de ministeriële verantwoordelijkheid van leden van het Koninklijk Huis. Daardoor kon koningin Máxima zich bezighouden met microkredieten en kon zij zich omstreden uitspraken veroorloven zoals over de digitale euro. De kabinetten-Rutte zetten die deur open. Daarover moeten we discussiëren.’
Koningin Máxima is al vijftien jaar speciaal pleitbezorger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om financiële diensten voor iedereen – inclusief lage inkomensgroepen en kleine bedrijven – toegankelijk te maken. Het woord ‘microkrediet’, dat Omtzigt noemt, dateert uit het eerste jaar van Máxima’s activiteit en is in onbruik geraakt.
Met zijn uitspraken rakelt Omtzigt een discussie op die periodiek terugkeert in de politieke arena. Rutte heeft altijd geopereerd volgens het adagium van een van zijn voorgangers, Ruud Lubbers (premier van 1982 tot 1994), die in 1992 stelde: ‘Een royale, en geen angsthazige interpretatie van de ministeriële verantwoordelijkheid blijkt de moeite waard.’
Volgens Lubbers moesten leden van het Koninklijk Huis ruimte hebben om blijk te geven van hun maatschappelijke betrokkenheid. Toenmalig koningin Beatrix sprak daar publiekelijk haar dankbaarheid voor uit.
Lubbers’ opvolger Wim Kok (premier van 1994 tot 2002) heeft deze lijn voortgezet. Wel kwam onder Kok een beperking van het aantal leden van het Koninklijk Huis tot stand, tot familieleden in de tweede graad van de koning in plaats van de derde graad. Prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven zijn van deze regel uitgezonderd.
In 2019 schreef Rutte aan de Kamer, nadat Máxima een ontmoeting had gehad met de omstreden kroonprins van Saoedi-Arabië, dat ‘haar expertise en inzet wereldwijd worden gewaardeerd’. Rutte: ‘Dit heeft ook een positief effect op het aanzien van Nederland internationaal.’
Hij legde uit dat voor de premier een ‘algemene ministeriële verantwoordelijkheid’ geldt. Over nieuwe functies van leden van het Koninklijk Huis is volgens Rutte altijd overleg met de individuele bewindspersoon die ‘een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor het terrein waarop de beoogde functie betrekking heeft’.
Opmerkelijk is dat sinds de kabinetswisseling bewindslieden van NSC betrokken zijn bij de twee voorbeelden die Omtzigt noemt. Caspar Veldkamp, minister van Buitenlandse Zaken, is eerste verantwoordelijke voor de activiteiten van Máxima in het kader van haar VN-mandaat. De afhandeling van de toeslagenaffaire valt onder NSC-staatssecretaris Nora Achahbar. Volgens Omtzigt is het ‘hoog tijd dat wij ervoor zorgen dat leden van het Koninklijk Huis geen dingen meer doen naast hun eigenlijke, ceremoniële werk’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant