Home

Wellicht was ik in een vorig leven een oude witte man?

Hoewel ik in de Bijlmer opgroeide, speelde ik er zelden buiten. Door alle uren binnenshuis ontwikkelden mijn broertjes en ik een afwijkende tongval; we klonken meer als de kinderen op onze basisschool in Diemen dan als die voor de deur. Later, op de middelbare in Amsterdam-Zuid, imiteerde ik dollend de bekakte spraak die ik opving. Uiteindelijk bleef die ‘rrr’ plakken aan mijn tong. Halverwege mijn pubertijd begon ik alsnog op te trekken met buurtgenoten. Ik voelde me thuis bij hen die op mij leken, ook al zeiden ze geregeld dat ik wit klonk.

Inmiddels ben ik een volwassen vent, maar de opmerkingen over mijn taal ben ik nooit ontgroeid. Vooral in mijn professionele leven weerklinken deze echo’s uit mijn jeugd. Bijvoorbeeld toen mijn eerste column vorige week verscheen, en een naaste mij omschreef als een zwarte man met een witte pen. Onlangs vroeg ik een vriendin om feedback op een fictieverhaal. In haar eerste opmerking stond dat ik, door de zwaarte van mijn taal, als een oude witte man klonk, als een grootvader die voor het behoud van de koloniën was.

Archaïsch, bombastisch, gedragen, gekunsteld en wollig. Een greep uit de dure woorden die tegen mijn woordgebruik zijn gebruikt. Soms krijg ik het advies gewoon te schrijven zoals ik vertel, maar dan veronachtzaam ik de luidste stem in mijn hoofd. Natuurlijk moet ik rekening houden met de lezers, maar wie houdt er rekening met mijn tere literaire ziel? Zelfs mijn lief beweerde na het lezen van mijn column dat er wel veel moeilijke woorden in zaten.

Soms klink ik als iemand die zijn best doet om als iemand anders te klinken. Dit leidt tot een crisis in mijn identiteit. Wellicht was ik in een vorig leven een oude witte man? Las ik daarom als puber zo graag Arthur Japins De zwarte met het witte hart? Of is mijn schrijfstem een onbewuste manier om oude-witte-mannen-rijkdom te manifesteren? Of misschien, heel misschien, lees ik te veel dode witte auteurs? (O, Pessoa, vergeef mij dit verraad).

Hoe dan ook moet ik op zoek naar mijn ware identiteit en daar een passende stem aan geven. En wanneer is een mens zijn authentiekste zelf? Tijdens zijn kindertijd. Nu herinner ik me iets wat mijn broertje eens vertelde. Dat ik vroeger, wanneer ik een nieuw woord had ontdekt – zoals ‘tutoyeren’ – het heel vet vond om dat aan hem uit te leggen en zelf te gebruiken. Eigenlijk klink ik dus pas echt als mezelf als ik als een pretentieuze taalnerd klink.

Afin, aan deze gotspe hoef ik derhalve geen woorrrden meer vuil te maken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next