Home

Harrie Lavreysen heeft zo veel kracht in de benen dat het natuurkundig gezien bijna onmenselijk is

Harrie Lavreysen kan onwaarschijnlijk veel kracht leveren op een baanfiets. Maar hoe sterk is de favoriet op de olympische sprintnummers precies? ‘Eenbenig druk ik bij de leg press tegen de 440 kilogram weg.’

Even aanzetten, dacht Harrie Lavreysen terwijl hij op zijn stadsfiets reed. Dat was een slecht idee. Op zo veel kracht was zijn rijwiel niet gebouwd. Hij vouwde met zijn forse pedaalslag het achterwiel dubbel. Het gebeurde al een jaar of acht geleden. Vallen deed hij niet, maar sindsdien weet de baanrenner wel dat hij zijn kracht niet altijd de vrije loop kan laten. ‘Ik ben heel voorzichtig op de stadsfiets nu.’

De 27-jarige Lavreysen is de grote favoriet op de explosieve onderdelen bij het baanwielrennen bij de komende Olympische Spelen. Al jaren is hij ongenaakbaar op de sprint. Hij is de regerend olympisch kampioen, werd vijfmaal op rij wereldkampioen. Met zijn ploegmaats Jeffrey Hoogland en Roy van den Berg is hij titelverdediger op de teamsprint.

Over de auteur

Erik van Lakerveld is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft met name over olympische sporten als schaatsen, atletiek en roeien.

En dan is er nog de keirin. Op dat sprintonderdeel nemen de spurters het in een klein pelotonnetje, in de eerste ronden gegangmaakt door een brommertje, het tegen elkaar op. Bij de vorige Spelen in Tokio haalde Lavreysen brons. In Parijs moet dat onderdeel goud gaan opleveren: hij wil drie titels op één toernooi. Het is een kunststukje dat ‘Harries hattrick’ is gedoopt. Hij deed het al bij de WK’s in 2020 en 2021. Hij zou dan ook Sven Kramer als succesvolste Nederlandse olympiër voorbijgaan.

Niemand zal het kunnen ontkennen. Lavreysen is beresterk, ijzersterk, oersterk, zeg het maar. Als hij zich ertoe zet, noteert hij over een volle ronde op het velodroom ( doorgaans 250 meter) gemiddelde snelheden van bijna 75 kilometer per uur. Dat is als hij zichzelf nog op gang trekt. Hij piekt nog hoger, tikt de 80 kilometer per uur aan.

Je ziet het er niet echt aan af hoeveel kracht hij vrijmaakt om dergelijke snelheden te bereiken. Met de gestroomlijnde fietsen, helm en kleding en in de atypische omgeving van de wielerbaan ziet het er bijna gemakkelijk uit. Maar hoe sterk is Lavreysen nu precies?

Laatste ronde

In het wielrennen gaat het vaak over wattages. Lavreysen heeft een piekvermogen van 2.680 watt. Dat is enorm. In sprintwedstrijden, die vier ronden duren, komt hij vaak niet zo hoog, maar tikt hij wel eens 2.300 à 2.400 watt aan. De laatste ronde, waarin de sprint doorgaans echt ontbrandt, gaat vaak met een gemiddeld vermogen van 1.300 watt.

Ter vergelijking: toen Mathieu van der Poel de wielerwereld versteld deed staan met zijn machtige demarrage in de Strade Bianchi, toen hij in de steile straten van Siena op de slotklim de concurrentie liet staan, haalde hij een piekvermogen van 1.362 watt. Maar goed, Van der Poel is een allrounder, geen sprinter. Maar ook de spurters in het profpeloton komen niet in de buurt van het piekvermogen van Lavreysen. Dylan Groenewegen komt tot ongeveer 1.500 watt.

Het is een heilloze vergelijking, vindt Lavreysen. ‘Wij zijn echt geen wielrenners.’ Natuurlijk, hij zit op een tweewieler, heeft een krom stuur in de handen, maar daarmee houden de overeenkomsten al gauw op. Hij hoeft geen uren in het zadel te zitten. Zijn inspanning, een krachtsexplosie van een paar seconden, is onvergelijkbaar met wat renners op de weg doen. Het verschil is minstens zo groot als tussen marathonlopers en 100-metersprinters.

Rotatiekracht

Vermogen is wel een waarde waarmee Lavreysen rekening houdt. Hij heeft een vermogensmeter in de cranks van zijn baanfiets, eentje die hij niet kapot trapt zoals bij andere merken wel gebeurde. Maar misschien nog wel belangrijker dan het vermogen dat hij kan trappen is ‘koppel’, rotatiekracht of zoals de renner het zelf noemt: de ‘torque’.

Even een kleine opfriscursus natuurkunde, toegespitst op Lavreysen, op de baansprint. ‘Heel sec draait het om het samenspel van kracht, energie en vermogen’, zegt Rolf Hut, natuurkundige aan de TU Delft.

‘Als er ergens kracht op wordt uitgeoefend, betekent dat nog niet dat er energie is. Bij stilstaand evenwicht zijn er wel krachten, maar gebeurt er energetisch niets. Maar als iets met een constante snelheid beweegt, dan is de energie die dat kost gelijk aan de kracht maal de afstand.’

‘Het vermogen gaat over hoe snel je die energie levert. Vermogen is energie per tijd. Daarmee lijkt vermogen een beetje op snelheid. Dat is namelijk afstand per tijd. Je zou heel kort een heel hoog vermogen kunnen opwekken en dat kan minder energie kosten dan heel lang een lager vermogen.’ Een recreatieve fietser kan dat wellicht zelf ook voelen: in een sprintje heel eventjes 40 kilometer per uur rijden kost minder energie dan een uur lang 30 kilometer per uur vasthouden.

Torque, rotatiekracht, koppel of draaimoment is allemaal hetzelfde. Iedereen kent het voorbeeld van de wip waar aan één kant twee mensen zitten, dicht bij het draaipunt, en aan de andere kant één iemand ver weg van het draaipunt. Zo blijft de wip ondanks het verschil aan gewicht, en dus zwaartekracht, toch in evenwicht. Hut: ‘Het draaimoment is aan beide kanten gelijk, maar tegengesteld. Zo blijft de wip in balans.’

De wip maakt inzichtelijk dat er twee manieren zijn om het draaimoment te vergroten: ofwel meer kracht (of gewicht) ofwel een langere arm. Dat geldt dus ook voor Lavreysen. Als hij harder wil kunnen sprinten kan hij langere cranks nemen of sterkere beenspieren kweken. Langere cranks zijn geen optie. Op de wielerbaan met zijn schuin oplopende bochten zou Lavreysen met zijn pedaal het hout raken en onderuit schuiven. Het moet dus van de krachtkant komen.

En aan kracht ontbreekt het Lavreysen niet. Rotatiekracht wordt in newtonmeter (Nm) uitgedrukt. Hut: ‘Kracht, Newton, keer afstand, meter, is newtonmeter.’ Voor Lavreysen is die uitleg niet nodig. Hij studeerde drie jaar natuurkunde voordat hij overstapte naar bedrijfskunde. Hij weet precies hoeveel hij in huis heeft: ‘500 newtonmeter trap ik’.

Brute kracht

Daar is brute kracht voor nodig. Niet voor niets drukt Lavreysen met twee benen in een zogenaamde ‘leg press’ 800 kilogram weg, het gewicht van een kleine auto. ‘En eenbenig tegen de 440 kilo.’ Het is geen wonder dat een stadsfiets niet bestand is tegen de benen van Lavreysen. Het is alsof er honderden kilo’s op losgelaten worden.

Hut valt even stil als hij hoort hoeveel Nm Lavreysen kan ontbinden. ‘Wat een kracht.’ In zijn werk probeert hij dergelijke natuurkundige waarden terug te brengen naar wat hij ‘de menselijke maat’ noemt, naar een grootheid die niet-fysici ook kunnen begrijpen. ‘En dit geeft aan hoe absurd veel kracht dit is.’

En Hut wist al redelijk hoeveel Lavreysen in zijn macht heeft, juist buiten de wielerbaan. Voor het televisieprogramma Test Case gebruikte Hut de renner als elektriciteitscentrale. Niet om te laten zien hoe sterk hij is, maar om inzichtelijk te maken hoeveel energie wij als consumenten verbruiken.

Slagroom kloppen

In het programma werd Lavreysen op een speciale hometrainer gezet die de bewegingsenergie die hij opwekte omzette naar elektrische energie. Hut en presentatrice Amber Kortzorg sloten een mixer aan en probeerden slagroom te kloppen. Voldoende stroom opwekken viel hem best zwaar.

En het aanjagen van een stofzuiger? Dat lukte hem een minuut of wat. De lakmoesproef was het aan de gang houden van een magnetron om popcorn te maken. Het lukte een paar seconden, maar niet lang genoeg om de popcorn te poppen. ‘Ik ben kapot’, puft Lavreysen.

Hut berekende dat Lavreysen zevenmaal zijn befaamde sprint moet trekken om de maïs te laten poppen. En hij becijferde nog meer. Dat er voor één kopje thee een rijtje van tien Harries nodig is, voor een avondje televisie 44. En een maand lang een huishouden van energie voorzien? 36 duizend keer een sprint van Harrie Lavreysen.

‘Daarin zie je ook heel duidelijk het verschil tussen kracht, vermogen en energie’, zegt Hut. In ons dagelijks leven laten we apparaten vooral klusjes doen die redelijk wat vermogen kosten, maar vooral die dat vermogen over een langere tijd vragen, dus veel energie. Is er dan een apparaat dat zich met Lavreysen laat vergelijken? Niet echt. ‘Hij is als een opgespannen veer: in één keer komt alle energie los.’

Dikste benen

Al die energie zit opgeslagen in zijn omvangrijke benen. Maar vergis je niet, benadrukt Lavreysen. ‘Wij zijn geen gewichtheffers op de fiets.’ Ja, er komt veel kracht bij kijken, maar degene met de dikste benen is niet de beste baanrenner.

Neem de Duitse oud-renner Robert Förstemann, wiens dijen een omtrek hadden van zo’n 80 centimeter. Om dat in perspectief te plaatsen: als een vrouw een middelomtrek groter dan 80 centimeter heeft, dan is dat reden tot zorg. Hij was heus een goede sprinter, maar niet van het kaliber van Lavreysen. ‘Forstemann is wel een gewichtheffer, geen fietser. Straks op de Olympische Spelen zijn er geen mensen die daar met zulke benen rondlopen.’

Lavreysen maalt niet om dikke bovenbenen. Sterker nog, hij beperkt de hoeveelheid krachttraining die hij doet. ‘Over het algemeen maar twee keer per week krachttraining. Er zijn heel veel andere sporten waar ze nog veel vaker het krachthonk in gaan.’

Wel doet Lavreysen sessies op de wielerbaan waarin hij met een nog groter verzet dan gebruikelijk rijdt. ‘Dan zijn we eigenlijk een krachttraining op de fiets aan het doen’, zegt hij. ‘Maar het is niet dat je dikke benen probeert te krijgen om snel te worden op de fiets. Nee, je probeert snel te worden op de fiets en dikke benen zijn het gevolg.’

Dezelfde relativering geldt voor kracht. Lavreysen weet dat hij niet de sterkste is. ‘Volgens mij is Jeffrey de sterkste van ons sprintteam, maar het verschilt ook een beetje. Bij verschillende snelheden spelen verschillende vermogens.’ Zo is Hoogland erg goed bij de start, hij kan daar in minder dan geen tijd zijn fiets op snelheid brengen.

Lavreysen zelf is ‘allround’, zegt hij. Kan alles goed, maar als hij dan toch zijn unieke talent moet duiden, dat zit hem in het laatste stukje. ‘Ik kan op hoge snelheid nog een stukje verder versnellen, van 70 naar 80 kilometer per uur. Ik denk dat dat mijn specialiteit is.’

Lees ook: De hydrodynamica van zwemmer Arno Kamminga

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next