Plastic kantoorgevel? Legohuizen van beton? Het overzichtswerk Bouwmaterialen 1940-1990 vraagt aandacht voor de cruciale betekenis van vernieuwende naoorlogse bouwmethoden en materialen. De Volkskrant ging op pad met de auteurs.
Voor zeldzame plastic kantoorgevels is het deze zonnige zomerdag in Zwijndrecht geen goede dag. Bouwlieden breken een kunststof gevel af die met zijn aan-een-stuk-gegoten-panelen, ronde hoeken en wulps uitstulpende vensterlijsten in deze vorm weinig is toegepast.
Het is toeval dat Kees Somer en Ronald Stenvert juist vandaag getuige zijn van de teloorgang van een van de verrassingen uit het door hun samengestelde boek Bouwmaterialen 1940-1990. Een overzichtswerk dat aandacht vraagt voor de cruciale betekenis van vernieuwende naoorlogse bouwmethoden en materialen. Het is net verschenen en nu al is er een patiënt overleden.
Over de auteur
Bob Witman schrijft voor de Volkskrant over architectuur, design en grafische vormgeving.
Architectuurhistoricus Somer van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed had niet verwacht dat dit kantoorgebouw het zou redden: ‘Maar dat ze al zo ver zijn verrast me.’ En plastic is niet het enige naoorlogse bouwmateriaal dat het dreigt te verliezen van de tijd.
Mederedacteur Stenvert is druk bezig de liefdevol ontworpen geveldetails te documenteren met zijn camera. Stenvert is een begeesterd bouwhistoricus. Hij geldt in erfgoedkringen als een wandelende materiaalencyclopedie. De vierduizend lemma’s in het boekregister zijn allemaal van zijn hand: van broodjesvloer tot pantoffeldak. ‘Ik kon lang niet alles kwijt’, zegt hij bijna verontschuldigend.
Deze materiaaltrip is bedoeld om vooroordelen weg te nemen over typische bouwmaterialen uit de jaren zeventig en tachtig. Bijvoorbeeld dat ze lelijk zijn en uit de tijd gevallen. ‘Na de oorlog zijn vier miljoen gebouwen neergezet in Nederland’, zegt Somer. ‘Natuurlijk kun je niet alles bewaren, maar met dit boek willen we voorkomen dat dingen verdwijnen waar we later spijt van krijgen.’
Somer en Stenvert zijn behept met een lichte bouwmateriaaltic. Onderweg op de snelweg wijzen ze continu naar links en rechts: hoofdkantoor IBM bij Amsterdam, eind jaren zeventig: ‘Vroege toepassing van aluminium sandwichpanelen. Een alzijdig gebouw, volledig opgebouwd uit die typerende kubusblokken met afronde hoeken. Echt bijzonder.’ Dit gebouw boft, het krijgt een tweede leven. Bij Rijswijk is de situatie somberder: oud hoofdkantoor van De Sijthoff Pers, alias de Eierdoos. ‘Krachtig voorbeeld van toepassing van sculpturale prefabbeton vensters.’ De kolos ziet er in de steek gelaten uit.
Het boek staat vol met dit soort gebouwen, waarbij niet de architectuur voorop staat, maar materiaaltoepassing. In het spoor van de enorme naoorlogse bouwdrift, gedreven door welvaart, is in Nederland veel geëxperimenteerd met de materialen en bouwsystemen. Kunststof, aluminium, hout, staal. De materiaallijst is oneindig, maar er is wel een terugkerende dominante factor in de periode 1940-1990. Die factor heet beton.
Nu we toch in Zwijndrecht zijn, zegt bouwhistoricus Stenvert handenwrijvend. Hij wijst de weg naar een verlaten bedrijfscomplex buiten de stad: hier liggen de wortels van Schokbeton Nederland. Het materiaal is per ongeluk uitgevonden door een betonwerker die merkte dat harde schokken bij het mixen het beton keihard maakt. Dankzij de hardheid kun je er subtiele vormen mee gieten, zo dun als staal, sierlijke gedecoreerde gevelplaten als een bas-reliëf in de kerk.
De lege fabriek is ontworpen als ode aan wat schokbeton allemaal kan. Tegen het hoofdkantoortje schurkt een sierlijk trappenhuis met subtiele lichtopeningen. De zogenoemde schokhal heeft een gevel met speelse betonornamentiek. ‘Beton is nu een groot probleem door de grote CO2-uitstoot. Maar naoorlogs Nederland bestaat niet zonder beton’, zegt Stenvert, ‘en schokbeton was een goed voorbeeld van de innovatiekracht in de bouw.’
Schokbeton werd ook ingezet voor de volgende stop: de Legowoningen, een Dordrechtse wijk uit de jaren zeventig. De muren zijn opgetrokken uit geschakelde prefabbetonplaten van verschillende structuur, die als tetris-stukjes in elkaar grijpen. Deels glad, wit geverfd, deels met grover grijs oppervlak.
Het was een materiaalexperiment dat niet werd herhaald omdat de huizen gehorig zouden zijn. Maar de bewoner die zijn stoep aanveegt klinkt heel tevreden. ‘Sommige mensen vinden de buitenkant gek, maar ik vind het mooi. Ik ga hier nooit meer weg.’
Dat draagvlak bij bewoners zoals bij de Legowoningen is cruciaal voor het behoud van bijzondere projecten. ‘Er is te veel gebouwd en te weinig geld om met een nationale erfgoedwet alles te beschermen’, zegt Somer. Dus juist in de gemeenten zelf moeten partijen opstaan die de gebouwen een nieuwe toekomst geven. Geld is daarbij belangrijk, omdat de gebouwen verduurzaamd moeten worden. ‘Zeker betonbouw uit de jaren zeventig, daar loopt de warmte zo naar buiten.’
Het Zwijndrechtse plastic kantoor had pech omdat het oorspronkelijke materiaal niet te isoleren was. Het goede nieuws is dat het betonnen geraamte prima geschikt is om er een nieuwe houten nieuwe gevel tegen aan te zetten. Het wordt een tijdelijke opvangplek voor Oekraïners. ‘Het is in elk geval duurzamer dan nieuwbouw’, zegt Somer.
Het boek Bouwmaterialen 1940-1990. Vernieuwing, constructie, toepassing (nai010 uitgevers, € 39,95) beslaat de periode van de wederopbouw (1940-1965) en wat in erfgoedkringen Post 65 wordt genoemd (1965-1990). Voor deze laatste periode onderzoekt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wat de moeite waard is om te bewaren uit de enorme hoeveelheid gebouwen. Begin 2025 moet een conceptlijst van nieuwe rijksmonumenten bij de minister van OCW liggen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant