Home

Zijn vierde plaatsen verrijkten het leven van Pieter van den Hoogenband, het gaf hem de inspiratie voor zijn successen

Deze zomer maken ruim tienduizend atleten in Parijs jacht op eeuwige olympische roem. Maar wat gebeurt er als je net naast de medailles grijpt? In een tweewekelijkse serie herbeleven Nederlandse sporters dat moment. Vandaag (slot): zwemmer Pieter van den Hoogenband (46). Vierde op de 100 en 200 meter vrij in Atlanta, 1996 en vierde op 4x100 wisselslag in Sydney, 2000.

Hij stond die augustusavond van 1996 op de bar van café Goodfellas in Eindhoven. Hij kwam er wel vaker na wedstrijden. Een assistent-bedrijfsleider was zelf oud-zwemmer. Die deed de deur op slot, zodat leden van PSV Zwemmen en Waterpolo ongestoord een biertje konden drinken. Maar nu zongen supporters de sporter toe die enkele dagen eerder was teruggekeerd van de Olympische Spelen in Atlanta. ‘We are the champions!’

Maar Pieter van den Hoogenband, toen 18, voelde zich opgelaten, zo hoog op de toog. Het ging zelfs verder dan dat, het was vernederend. Hoezo, kampioen? Hij had niets, nul, nada. Waarom juichten ze eigenlijk voor hem? Met lege handen was hij teruggekeerd uit de Verenigde Staten. Hij had al fiks moeten slikken, toen de medaillewinnaars naar de koningin mochten en hij in de ouderlijke woning in Geldrop voor de televisie de festiviteiten had moeten volgen.

Over de auteur
Rob Gollin is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over wielrennen.

Niet lang na het ongemakkelijke eerbetoon in Goodfellas besloot hij met zijn coach Jacco Verhaeren dat het voortaan anders moest. Een finaleplaats, te midden van zeven concurrenten, telde niet meer. De ambitie lag hoger: voortaan is alleen goud goed genoeg. Daar zou de internationale zwemwereld vier jaar later op de Spelen in Sydney achter komen.

Jeugdkampioenschappen

Van den Hoogenband, de komende weken in Parijs chef de mission van de Nederlandse olympische ploeg, was naar Atlanta vertrokken als the new kid on the block. Twee jaar eerder had hij op de Europese jeugdkampioenschappen in Pardubice, Tsjechië drie keer goud gewonnen, op de 100, 200 en 400 meter vrije slag. Een jaar later maakte hij indruk op de US Open in Auburn, waar hij zich kwalificeerde voor de Spelen door zwemmers te verslaan die hoger stonden op de wereldranglijst.

Er kwamen aanbiedingen van Amerikaanse universiteiten om er te komen trainen. Hij was gevleid, maar sloeg ze af. Mede dankzij het netwerk van zijn vader, chirurg in het ziekenhuis van Geldrop, en de inzet van voorzitter Wouter Huibregtsen van NOCNSF kwam er budget beschikbaar om een groep talenten bij PSV te ondersteunen. Met coach Verhaeren deelde hij de ongebreidelde passie voor het zwemmen en de vaste wil om de aansluiting met de wereldtop te gaan maken.

De veelvuldige vroege ritten op de fiets of de brommer – de wekker ging om 4.30 uur – naar zwembad de Tongelreep in Eindhoven om er van 5 tot 7 te trainen, nam hij voor lief. Als hij zijn kinderen herinnert aan de opoffering, kijken ze hem steevast glazig aan.

Matt Biondi

In het kantoor van NOCNSF op het nationaal sportcentrum Papendal: ‘Meedoen aan de Spelen was voor mij een droom. De beelden van 1988, Seoul, hadden me geraakt. Anthony Nesty was mijn inspiratie. Tot dan was mijn idool Matt Biondi. Voor de 100 meter vlinderslag zat ik op het puntje van mijn stoel.

‘Na 50 meter zat hij onder het wereldrecord. Maar op het eind maakte hij een fout door uit te drijven. En toen kwam ineens Nesty in beeld. Páts! Goud. Één honderdste verschil. Ongelooflijk. Ik was eerst teleurgesteld. Maar toen ik zag hoe bescheiden hij het vierde, met respect voor de veelvoudig olympisch kampioen, was ik onder de indruk. En hij kwam ook nog eens uit Suriname!’

Met welke verwachtingen ging je naar Atlanta?

‘Nul. Ik wilde alleen mezelf verbeteren, mijn stinkende best doen.’

Wat trof je aan?

‘Ik voelde me niet vrij. Als 18-jarige mocht ik nergens alleen naar binnen, met uitzondering van het Holland Huis, dat zat in een hotel. Er waren veel veiligheidsmaatregelen, veel controles. Voor het overige waande ik me in een snoepwinkel. Arnold Schwarzenegger promootte zijn nieuwe film. President Bill Clinton zat in de eetzaal. Muhammad Ali was aanwezig. De zoon van Bob Marley, Ziggy, gaf een concert. En ik liep tussen de beste sporters op aarde.

‘Ik leerde de Nederlandse volleyballers kennen, die er goud zouden halen. Alleen al hun aankomst vond ik indrukwekkend. Het duurde allemaal lang, de formaliteiten, het verkrijgen van de accreditaties. Waar wij alleen maar opgewonden rondliepen, gingen zij een boekje lezen. Ze lieten zich door niets en niemand van de wijs brengen. Ze waren maar met één ding bezig: goud halen, straks.’

Wat staat je nog bij van je eerste finale, die op de 200 meter?

‘In die fase van mijn loopbaan was ik nog zoekende naar de techniek. Van kinds af won ik bijna spelenderwijs mijn wedstrijden, dankzij een hoge ligging in het water en een goede catch, de manier waarop je het water met je armen naar achteren duwt. Maar mijn beenslag was nog niet sterk genoeg om continu de frequentie van mijn armen bij te houden. Dat kon maar incidenteel, na een paar seconden was die turbo-boost weer voorbij, zeker op de 200 meter.

‘Ik maakte de fout niet mijn eigen race te zwemmen, een blauwdruk voor het ideale schema ontbrak. Ik richtte me op Danyon Loader, een Nieuw-Zeelander, een specialist op de 400 meter. Daar ontdekte ik het geheim van een goede 200. Dat zit ’m in de tweede 50. Hij versnelde na het eerste keerpunt. Ik dacht nog: zo meteen kom ik je wel weer tegen. Maar ik heb hem nooit meer gezien. Dankzij zijn grote inhoud behield hij zijn voorsprong. Ik had niet goed in de smiezen dat hij de olympisch kampioen werd.

‘Ik lag in baan 6, er gebeurde van alles om me heen, daar was ik veel te veel mee bezig. Ik voelde alles, ik zag alles. Maar je moet juist zorgen dat je in een flow raakt, dat alles wat je doet als vanzelfsprekend aanvoelt. Op het laatst kwam Daniel Kowalski, een Australiër, nog over me heen, ook zo’n jongen met inhoud. Het verschil met brons was elf honderdste seconde.’

Was je teleurgesteld?

‘Eh, nee. Op het moment zelf ergerde ik me kapot aan Kowalski die gillend en schreeuwend bijna over me heen zwom om Loader te feliciteren. Alsof ik niet bestond. Hij bleek later trouwens een superaardige kerel te zijn. Maar ik had met 1.48,36 een nationaal record gezwommen, mondiaal gezien was ik van mijn generatiegenoten het snelste geweest.

Maar ja, daar koop je niks voor in een olympische finale. Pas achteraf kwam het idee dat ik de kans op een medaille niet had herkend en ’m ook daarom niet heb gegrepen.’

Zag je de 100 meter enkele dagen later als die nieuwe kans?

‘Natuurlijk. Het is het koningsnummer in het zwemmen, het is de reden waarom ik deze sport ben gaan doen. Ik had me voorgenomen onder de 50 seconden te gaan zwemmen. Op de US Open was dat mislukt. Bij het keerpunt kwam mijn voet in een overloopgoot terecht, ik kon maar met één been afzetten. De barrière moest nu maar worden genomen.’

Je stond als 18-jarige tussen grote namen.

‘Dat kun je wel zeggen. Ik had veel respect voor Aleksandr Popov, de Rus. Hij had het wereldrecord van mijn oude held Biondi afgepakt. De Amerikaan Gary Hall jr. vond ik een vreemde snuiter. Telkens als hij opkwam, gedroeg hij zich als een bokser. Op de massagetafel bij PSV had Ronaldo me nog uitgedaagd: van Gustavo Borges ga je nooit winnen – het was zijn landgenoot. De anderen weet ik ook nog. Fernando Scherer kwam net als Borges uit Brazilië, Pavlo Khnykin uit Oekraïne, Francisco Sánchez uit Venezuela, Ricardo Busquets uit Puerto Rico.

‘En op baan 1 stond Pietje Puk uit Geldrop, tussen de gorilla’s, de sterksten op de apenrots. Van 176 deelnemers waren wij met z’n achten overgebleven. Het was al geweldig dat ik erbij zat. Voor mij was het sowieso al genieten.

‘Ik zie nog steeds de ribbeltjes op het water voor me, het kwam door de wind in de halfopen hal. Ik had niet mijn beste start. Na het keerpunt gooide ik de turbo-boost met mijn benen erbij. Op de finish wist ik alleen dat ik Busquets had verslagen, hij zwom pal naast mij, de anderen had ik nauwelijks gezien. Pas daarna zag ik hoe dicht ik bij de nummer drie zat, Borges. Het was wéér een verschil van elf honderdste seconde.’

Welk gevoel domineerde?

‘Trots. Ik had 49.13 gezwommen. Niemand in Nederland was eerder onder de 50 geweest. L’Équipe schreef dat ik de toekomstige kampioen was. Ik had respect van de incrowd, van topcoaches. Dat gastje gaat lekker, zeg. Opnieuw meldden zich universiteiten. Ik had er alleen geen zak aan. Ik had niks.’

In de krant stond dat je vloekend en tierend naar de uitreiking van de medailles keek. Jij had daar moeten staan.

‘Dat herinner ik me niet. Ik heb die ceremonie volgens mij helemaal niet gezien. Ik weet nog wel dat ik in een interview voor de camera mixed emotions heb getoond. Zo van: shit! Godsamme! Niet normaal, dit. Je zag mijn vertwijfeling. Ik had een record, ja. Maar geen medaille.’

Voor één persoon was Van den Hoogenband wel olympisch kampioen in Atlanta. Bill Clinton kwam met Mickey Huibregtsen kijken naar de B-finale van de 50 meter vrije slag, voor de plaatsen 9 tot en met 17. De Brabander won. De Amerikaanse president feliciteerde vol enthousiasme de voorzitter van NOCNSF. Hij verkeerde in de veronderstelling dat The Dutch Dolphin zojuist goud had gewonnen.

Na de voltooiing van zijn programma, mengde Van den Hoogenband zich tussen de toeschouwers. Hij moedigde de Nederlandse olympiërs aan die op de hoogste plaats op het ereschavot zouden belanden: mountainbiker Bart Brentjens, de Holland Acht op de roeibaan, de hockeyers die in de finale Spanje versloegen. Hij bevond zich in het atletiekstadion, toen Michael Johnson op de 200 meter een wereldrecord liep. Achteraf bleek dat Mark Spitz, zevenvoudig olympisch zwemkampioen van München, 1972 naast hem zat. Hij had hem niet herkend.

Tot zijn ontzetting miste hij de finale van de door hem zo bewonderde volleyballers; hij had zich verslapen. Hij probeerde het goed te maken door de kampioenen in het olympisch dorp te onthalen met een kliko vol in ijs gekoeld bier.

Wanneer kwam het besef dat er meer mogelijk was geweest?

‘Dat begon na terugkeer in Nederland. Voor de Spelen hadden we vooral keihard getraind. Dat was toch niet zo slim gebleken. We doseerden niet. Het was aan of uit. We hadden geen idee hoe je het beste kunt herstellen en wisten weinig van de noodzaak om echt harde rustperioden in te lassen. In Atlanta hadden we bij verschillende sporten die wel succes hadden, kunnen zien hoe zij het aanpakten.

Op basis daarvan hebben we met Jacco een plan geschreven voor de vier komende jaren. We namen specialisten in de arm: een voedingsdeskundige, een stromingsgeleerde, een krachttrainer, een arts, een fysiotherapeut. Menigeen kwam uit een andere sport dan het zwemmen. We kopieerden goeddeels het Australisch model, dat zich al bewezen had. Het belangrijkste was het besef dat iedere topprestatie uiteindelijk een teamprestatie is.’

Wat hebben die vierde plaatsen je uiteindelijk opgeleverd?

‘Die hebben mijn leven verrijkt. Het was de inspiratie, de brandstof voor mijn successen in Sydney: twee wereldrecords, twee keer goud, twee keer brons. Op de estafette 4x100 wisselslag was er nog een vierde plaats – een prima prestatie, maar heel kansrijk waren we niet.

Wist je dat 70 procent van de atleten maar één keer de Spelen meemaakt? Maar in Atlanta stond voor mij al vast dat ik er over vier jaar weer bij kon zijn. Jacco hanteert vaak de slogan: you win or you learn. Die vierde plaatsen vormden een waanzinnig leermoment. Alleen heb je ze liever niet op de Spelen.’

Weet je al hoe je straks als chef de mission in Parijs atleten gaat opbeuren die vierde zijn geworden? Je bent ervaringsdeskundige bij uitstek.

‘Er is geen recept voor. Het is maatwerk. Je moet de verhalen kennen achter de prestatie. Wat hebben ze doorstaan? Wat is het perspectief? De een heeft een knuffel nodig, de ander kun je beter even met rust laten. Ik denk wel dat er meer energie in gaat zitten dan het begeleiden van degenen die medailles gaan winnen; die vinden hun weg wel. Dan helpt het zeker dat ik het allemaal heb meegemaakt.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next