Home

‘Om de veertien dagen haal ik mijn gehandicapte kleinzoon met de auto op en is hij een dag bij mij’

Georg Liefmann is 100 jaar. Hoe kijkt deze in Berlijn geboren denker en doener terug op de eeuw die achter hem ligt?

De in Berlijn geboren Georg Liefmann is een denker én een doener. In zijn garage staat een veertig jaar oude Volkswagenbus die hij eigenhandig heeft omgebouwd tot kampeerauto. Daarin rijdt hij nog geregeld naar een van zijn kinderen in Friesland. Elke ochtend na het ontwaken staat de 100-jarige bewust stil bij de gedachten die in hem opkomen.

Liefmann was 10 jaar jong toen zijn ouders besloten Hitler-Duitsland in te ruilen voor Nederland. Hij heeft nog levendige herinneringen aan de eerste jaren van het naziregime. Maar, zoals veel van zijn leeftijdgenoten, leeft hij volop in het heden. Hij bezoekt lezingen, wandelt graag alleen door het bos en is mantelzorger voor zijn kleinzoon.

In wat voor stemming staat u ’s ochtends op?

‘Als ik wakker word, hoor ik vaak muziek in mijn hoofd, een eenvoudig liedje uit mijn kindertijd of een passage uit de Matthäus Passion. Ik heb altijd zin in een nieuwe dag. Als ik niet zo veel fut heb, bedenk ik iets waar ik weer fut van krijg.

‘In de vroege ochtend ben ik vol gedachten, meestal zijn dat de meest wezenlijke. Tegen onzingedachten zeg ik: ‘Weg ermee.’ Ik vind het belangrijk na te denken over het leven. Dat moet je niet de hele dag doen, want dan word je een raar figuur.

‘Vanochtend dacht ik na over een probleem waar mijn 23-jarige gehandicapte kleinzoon mee kampt. Om de veertien dagen haal ik hem met de auto op en is hij een dag bij mij, dan doen we spelletjes en maakt hij fantastische objecten van lego. Al nadenkend kwam ik op een oplossing voor hem. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat je iets moet doen met belangrijke gedachten die in je opkomen.’

Wat is voor u persoonlijk zo’n belangrijke gedachte geweest?

‘Dat ik Elisabeth kon vragen of zij mijn vrouw wilde worden. Het was een rationele gedachte, ik was niet verliefd op haar. Ik woog de voors en tegens van een huwelijk af. De doorslag gaf dat ik haar kon helpen een gezin te stichten, ik wist dat zij dat heel graag wilde. Elisabeth had een tweeling gehad die te vroeg was geboren en maar kort in leven bleef. De vader haakte af. Ik trok het mij aan dat ze dit had meegemaakt. Ik kon er niet mee leven als ik haar niet ten huwelijk zou vragen.

‘We hadden elkaar leren kennen in het huis waar ik ging wonen toen ik besloot het een tijdje in Duitsland te proberen als leraar. Ik had in Leiden al vier jaar voor de klas gestaan. In 1959 zijn we, inmiddels getrouwd, naar Nederland verhuisd en besloot ik het roer om te gooien.

‘In de eerste huwelijksjaren groeide de liefde – we waren allebei blij met onze keuze voor elkaar. Waar ik Elisabeth dankbaar voor ben, is dat zij mij vaak voorlas, ze koos prachtige boeken uit, zoals In de Ban van de Ring. Door het voorlezen voelde ik mij verbonden met haar.’

Hoe ervaart u het ouder worden?

‘Je komt dichter bij je ware zelf. Misschien dat ook daardoor weer meer Duitse woorden naar boven komen, Duits is mijn kindertaal. Ten diepste ben ik het liefst alleen, dat had ik als kind al. Tot ik op mijn 35ste ging trouwen, had ik een vrij leven geleid, veel rondgereisd, een jaar economie gestudeerd – veel te abstract voor mij –, voor een aannemer gewerkt, in Stuttgart een cursus gevolgd bij antroposofen, een lerarenopleiding gedaan en voor de klas gestaan.

‘Mijn zoon merkte pas op: ‘Je leidt nu weer je vrije leven van vroeger.’ Zes weken na het overlijden van mijn vrouw in 2015 ben ik weer gaan reizen. In de camper trok ik door Scandinavië en genoot daar intens van de natuur.

‘Ik hecht er aan zo min mogelijk afhankelijk te zijn van anderen. Als onderweg in de camper de motor het laat afweten, probeer ik het eerst zelf te repareren. Alle benodigde gereedschap heb ik aan boord. Het is mogelijk dat ik door deze instelling het nog zo goed red op mijn leeftijd; ik doe bijna alles zelf, zoals de boodschappen en maaltijden bereiden. Ik heb alleen hulp in de huishouding.

‘Ik voel mij uitstekend en heb ontzettend geboft dat de natuur mij ervan weerhouden heeft genotsmiddelen te gebruiken die slecht zijn voor je gezondheid; van sigaretten en alcohol word ik misselijk.’

U vertelde dat u na uw huwelijk het roer omgooide.

‘Ik was tot het inzicht gekomen dat ik niet geschikt was om voor de klas te staan. Terug in Nederland had ik geen huis, geen werk en geen beroep meer: wat moest ik doen? Ineens herinnerde ik mij een uitspraak van de schoolarts in Den Haag: ‘Als die jongen met zijn handen werkt, is er niets aan de hand.’ Van nature ben ik handig, als kind haalde ik graag schakelaars uit elkaar, om ze daarna weer in elkaar te zetten.

‘Met financiële hulp van mijn familie kocht ik een huis in Zeist en bouwde in de tuin een werkplaats. Ik schafte een draaischijf en een pottenbakkersoven aan, een weefgetouw en allerhande gereedschap en ging cursussen handenarbeid geven aan kinderen en volwassenen. Na een jaar had ik een wachtlijst. Ik zei altijd: ‘Je mag alles maken, behalve luchtkastelen.’ 44 jaar lang gaf ik met veel plezier drie cursussen op een dag. Op mijn 80ste ben ik ermee gestopt.’

Hoe was uw jeugd in Berlijn?

‘Ik ben geboren in een harmonieus gezin midden in Berlijn. Mijn ouders waren uit Frankfurt naar de hoofdstad verhuisd om daar sociaal werk te doen. Mijn vader deed dat naast zijn werk bij een bank. In Berlijn was in de jaren twintig veel armoede en misdaad. We gingen wonen in een werkgemeenschap aan de rand van Berlijn. Daar leefden sociaal werkers en hun gezinnen samen met gezinnen en kinderen die het moeilijk hadden. Het was een heerlijke omgeving met veel ruimte en groen.

‘In het tweede jaar van de lagere school kreeg ik een meester die kinderen sloeg met een rietje. Daar kon ik niet tegen. Mijn ouders gingen op zoek naar een andere school en kwamen uit bij iets nieuws; de Vrije School, opgericht door Rudolf Steiner. Het is dus door mij dat mijn ouders zijn uitgekomen bij de antroposofie, ook ik ben mijn hele leven antroposoof gebleven. Wat mij daarin aanspreekt, is dat het een spirituele leer is zonder goeroes en leiders, die de individuele geestelijke ontwikkeling van de mens centraal stelt. Een sterk bewustzijn helpt je daarbij.

‘In 1933 zei mijn oom Adolf Freudenberg, die als diplomaat de machtsovername van Hitler van nabij had meegemaakt, tegen mijn vader: ‘Maak dat je wegkomt, het gaat hier helemaal mis.’ Mijn vader was Joods, mijn moeder niet. Ik was 10 jaar toen we naar Den Haag verhuisden, omdat daar een Vrije School was.’

Heeft u nog herinneringen aan de eerste jaren onder de nazi’s?

‘Van 1934 tot en met 1937 gingen we elke zomer naar Berlijn. Ik slenterde graag in mijn eentje door de straten. Op elke hoek stond een kiosk met tijdschriften vol gruwelverhalen over Joden, met afschuwelijke plaatjes erbij. Ik las ze omdat ik wilde weten wat er gaande was. Een kennis nam mij mee naar een stadion, waar denk ik een sportwedstrijd was. Iedereen ging staan, deed de Hitlergroet en riep: ‘Heil Hitler!’ Ik durfde niet níét mee te doen. Veel burgers in Duitsland dachten dat Hitler na twee jaar wel weer weg zou zijn. Toen ze in de gaten kregen wat hij van plan was, was het te laat.’

Hoe was de oorlogstijd in Nederland, als Duits gezin?

‘De tweede dag na de inval van het Duitse leger zijn we als ongewenste vreemdelingen opgepakt en vijf dagen in een kazerne in Amsterdam geïnterneerd. Na de capitulatie van Nederland zijn we vrijgelaten. Ik weet nog dat mijn vader zei: ‘Nu begint het pas.’

‘We woonden in het Benoordenhout Kwartier in Den Haag. Na een half jaar mochten er geen Joden meer in de kuststrook wonen. Mijn vader is naar Amsterdam gegaan, en bij vrienden ingetrokken. Hij heeft daar de hele oorlogstijd met een Jodenster rondgelopen, maar is nooit opgepakt. Ik denk dat hij door zijn gemengde huwelijk met rust is gelaten. Ik vermoed dat mijn oom ons gezin financieel steunde.

‘Ons huis stond vlak bij de kustverdedigingslinie, de Atlantikwall. Iedereen die in het Benoordenhout Kwartier woonde werd daarom geëvacueerd, wij mochten blijven omdat we Duitsers waren. Om in de winter de kachel te kunnen stoken, haalden we kastplanken uit lege huizen.

‘Mijn moeder werd midden in de oorlog opgeroepen. Een hoge Duitse officier zei dat ze moest scheiden van mijn Joodse vader. ‘Anders halen we je op, met je kinderen.’ Toen ze het gebouw verliet, fluisterde hij: ‘Tue es nicht!’ Ze heeft het niet gedaan, we hebben een week gebibberd, er gebeurde niks.

‘Tijdens de Hongerwinter van 1944-1945 heb ik voedseltochten gemaakt naar boeren in Ommen. Die tochten waren fantastisch; ik kon gewoon over de autobaan fietsen en vond het zalig om alleen te zijn. Ik bofte dat ik een Duits paspoort had, waardoor ik met gemak langs controles kwam, zoals op de brug over de IJssel bij Deventer. Die Hongerwinter heeft er ook voor gezorgd dat ik de rest van mijn hele leven darmklachten ben blijven houden. Veel voedsel kon ik niet verdragen. Ik ben er nooit achter gekomen waar dat precies aan lag. Het heeft een behoorlijke invloed gehad op mijn dagelijks leven – op mijn werk en in het sociale verkeer. Mijn baan als leraar op de Vrije School kon ik er niet door volhouden, en mijn vrouw kon bijvoorbeeld tijdens vakanties nooit met mij naar een restaurantje. De laatste jaren gaat het gelukkig beter.’

Hoe zou u uw levensinstelling omschrijven?

‘Goede herinneringen vervullen mij en maken mij enthousiast. Moeilijke herinneringen liggen niet als een schaduw over de mooie. Ik kijk terug op een fantastisch leven.’

Georg Liefmann

geboren: 16 mei 1924 in Berlijn

woont: zelfstandig, in Zeist

beroep: leraar handvaardigheid

familie: nog een zus (98), drie kinderen, elf kleinkinderen

weduwnaar: sinds 2015

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next