De 111e Tour de France zit er weer op, volgend jaar nummer 112. De voorbeschouwingen op die editie begonnen al voor de huidige was afgelopen: misschien wordt het volgend jaar écht spannend als Jonas Vingegaard niet valt, Remco Evenepoel weer ietsje beter is, Primoz Roglic voor zijn aller- allerlaatste kans gaat en zich misschien opeens een supertalent aandient in de orde van grootte van Tadej Pogacar.
Wielerliefhebbers zijn oneindig optimistisch. Maar de kans dat Pogacar over een jaar gewoon zijn vierde Ronde van Frankrijk wint, is vrij aanzienlijk: Pogacar is dan 26 en hij nadert de leeftijd waarop wielrenners op hun sterkst zijn en coureurs als Indurain, Armstrong en Froome de eerste van hun reeks aan Tourzeges nog moesten boeken.
Het verschil met die drie illustere namen is, dat Pogacars overmacht op de een of andere manier drie weken lang boeide en dat je bijna zou vergeten dat deze Tour tot de meer voorspelbare edities behoorde. Pogacar is het soort renner dat bijna altijd op een opwindende manier wint.
Indurain en Froome wonnen hemeltergend saaie Tour de Frances, maar dat zit er bij Pogacar voorlopig niet in, hij weet niet eens hoe dat moet. Hij is verzot op spektakel en als er geen anderen zijn om er iets bijzonders van te maken, doet hij het in zijn eentje en begint hij halverwege de berg aan een inhaalrace – niet eerder, want dat vindt hij niet spannend.
Ook kondigt hij soms aan dat hij niet voor de zege zal gaan, waarna hij toch iedereen naar huis rijdt en er zodoende toch nog een verrassingselement in de etappe zit.
Zondag gaf hij onderweg een seintje naar zijn ploegleider: of de muziek uit de auto wat harder kon. Als zijn vriendin langs de kant staat, mag Pogacar haar graag even natspuiten. Ik vind dat innemende trekjes, er is meer dan winnen, vindt Pogi.
De discussie ging deze Ronde nog over de vraag of Pogacar valt te vergelijken met de legendarische Belg Eddy Merckx, die tussen 1969 en 1974 vijf keer de Tour won en die tot deze zomer algemeen werd gezien als de beste wielrenner aller tijden.
Dat debat kan worden gesloten, voor zover het al mogelijk is renners die in zulke andere tijden op de fiets zaten met elkaar te vergelijken. Wielrennen is bovendien gedurende de halve eeuw tussen Merckx en Pogacar een totaal andere sport geworden.
Toch kunnen we wel vaststellen dat er een nieuwe halfgod is opgestaan die Merckx eindelijk in een schim uit een ver verleden heeft veranderd – dat mocht ook wel eens. Pogacar viel even de eer te beurt Merckx’ bijnaam ‘De Kannibaal’ te mogen dragen, inmiddels is hij dat stadium voorbij. De afgelopen drie weken zag je hoe er manmoedige pogingen werden gedaan hem van een eigen alleszeggende bijnaam te voorzien.
Dat lukte niet. ‘Het Gele Beest’, ‘De Slokop’, ‘De Kuifje van Komenda’, ‘De Sloveense Veelvraat’: het blijft behelpen, mogelijk is de tijd van koddige bijnamen voorbij en hebben we gewoon geen zin meer in dat kinderachtige gedoe.
Pogacar won zondag natuurlijk ook de afsluitende tijdrit, hij vond het wel aardig om de laatste drie etappes op zijn naam te schrijven. Ik hoop dat hij binnenkort bekend maakt ook nog even de Vuelta te zullen gaan winnen.
Over de auteur
Bert Wagendorp is voormalig sportverslaggever van de Volkskrant, oprichter van wielertijdschrift De Muur en auteur van wielerroman Ventoux. Hij schrijft wekelijks een sportcolumn. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant