De aanslag op Trump overschaduwt de verkiezingscampagne. Maar nu die hervat is, hoeven de Democraten niet te kiezen tussen meer economische gelijkheid óf de toekomst van de democratie. Deze twee zijn namelijk met elkaar verbonden.
Nu de verkiezingen in de VS in november snel naderen, debatteren de Democraten niet alleen over de geschiktheid van Joe Biden, maar ook over de vraag of ze campagne moeten voeren over de economie of over de toekomst van de democratie.
Uit ons onderzoek van het Chicago Center on Democracy blijkt nu dat die twee kwesties nauw met elkaar verbonden zijn: een hoge mate van economische ongelijkheid vergroot het risico dat een democratie afglijdt naar een autocratie.
Over dit artikel
Susan Stokes is hoogleraar politicologie en directeur van het Chicago Center on Democracy. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Ongeveer twintig landen in wereld ervaren verschillende vormen van democratische erosie of terugval. Vaak vergroten daar presidenten en premiers hun eigen macht door de pers en de rechterlijke macht aan te vallen, ambtenaren en maatschappelijke groeperingen in twijfel te trekken en het vertrouwen in verkiezingen te ondermijnen als ze deze verliezen.
Onze mondiale analyse van democratieën onthult een verrassende constante: hoe ongelijker een samenleving, zowel in termen van inkomen als vermogen, hoe groter het risico op zo’n democratische terugval. Het nationaal inkomen (bbp per hoofd van de bevolking) heeft een kleiner effect, terwijl de leeftijd van een democratie en de kracht van haar instituties geen waarneembare invloed hebben. Ongelijkheid is de belangrijkste factor.
Zweden, dat meer gelijk is dan de meeste andere democratieën, had in 2017 bijvoorbeeld een risico van ongeveer 4 procent op democratische erosie. Aan de andere kant van het spectrum liep Zuid-Afrika, de meest ongelijke democratie ter wereld, een risico van zo’n 30 procent. Wat de VS betreft, waar nog steeds meer ongelijkheid bestaat dan in 60 procent van de democratieën (ondanks de recente toename in welvaart aan de onderkant van de samenleving), bedroeg het risico toen al 9 procent, meer dan het dubbele van dat van Zweden.
Om te begrijpen hoe economische ongelijkheid de democratie uitholt, moeten de verschillen tussen de VS en Zweden nader worden bekeken. Het meest opvallend is dat beide landen een prominente rechts-nationalistische partij hebben. De Zweden Democraten – het Zweedse equivalent van de door Trumps Make America Great Again-beweging gedomineerde Republikeinse Partij in de VS – hebben de afgelopen twintig jaar steun gekregen door zich te verzetten tegen de relatieve openheid van het land ten aanzien van immigratie.
Ze spelen nu een belangrijke rol in de centrumrechtse regeringscoalitie nadat ze bij de parlementsverkiezingen van 2022 als tweede eindigden.
Desondanks vertoont Zweden niet de symptomen van democratische erosie die in de VS steeds duidelijker worden. Politici noemen de pers niet de ‘vijanden van het volk’, vallen rechters en aanklagers niet aan, dreigen niet het ambtenarenapparaat te zuiveren, en trekken de integriteit van verkiezingen niet in twijfel.
Vermoedelijk zou dergelijk gedrag geen weerklank vinden bij het Zweedse volk, omdat in een land met een relatief kleine kloof tussen arm en rijk het vertrouwen in openbare instellingen relatief hoog blijft. Zweden hebben over de hele linie geprofiteerd van de genereuze verzorgingsstaat van het land, die de ZwedenDemocraten hebben gesteund door aan te dringen op hogere sociale uitgaven op terreinen als volksgezondheid en onderwijs. Over het geheel genomen is Europa’s populistische rechterzijde doorgaans meer voorstander van sociaal beleid dan traditionele conservatieve partijen.
Het vreemde aan Trump is dat zijn populisme zo halfslachtig is. Hoewel hij mede-Republikeinen ontmoedigt om te bezuinigen op de sociale zekerheid en Medicare, zijn zijn uitspraken inconsistent en mist hij nooit een kans om op te roepen tot intrekking van de Affordable Care Act (die gezondheidszorg betaalbaarder moet maken, red.).
Erger nog: een tweede regering-Trump zou de inkomens- en welvaartskloof in de VS alleen maar groter maken. Als president heeft Trump belastingverlagingen doorgevoerd waar de rijken meer van profiteerden, en beloofd deze te zullen verlengen als hij terugkeert naar het Witte Huis. Hij opperde zelfs het idee om de inkomstenbelasting helemaal af te schaffen en te vervangen door importheffingen.
Als demagoog gebruikt Trump anti-elitaire retoriek om zijn electorale basis te verstevigen. Met die fervente steun zou Trump zich tijdens een tweede ambtstermijn gesterkt kunnen voelen om de democratie te ondermijnen en de ongelijkheid te vergroten.
Zolang hij zijn volgelingen een vast dieet van wrok en woede voorschotelt, zal Trump waarschijnlijk geen verwijten krijgen als hij er niet in slaagt beleid in te voeren dat een gelijkwaardiger samenleving zou kunnen creëren.
Maar als de Democraten de levens van Amerikanen met lage en middeninkomens bklijven verbeteren, kunnen ze helpen het land terug te trekken van de rand van het autoritarisme. Dat betekent dat de Democraten niet hoeven te kiezen tussen campagne voeren voor economische groei en gelijkheid óf voor de toekomst van de democratie. Deze twee zijn hetzelfde gevecht.
Copyright: Project Syndicate, 2024
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant