De zoektocht naar haar familiegeschiedenis bracht Hasna El Maroudi naar de Sahara, waar ze in de zinderende hitte de 250 kilometer van de beruchte Marathon des Sables aflegde. ‘Het dringt tot me door dat ook mijn stamouders deze hemel, deze uitgestrektheid, ooit hebben bewonderd.’
De Sahara is meedogenloos. Van alle kanten brandt de zon op mijn huid. Op mijn hoofd draag ik een wit petje, maar ik voel de stralen er dwars doorheen. Zonnestralen die door het mulle zand worden weerspiegeld en hun werk doen op mijn kuiten. Zo moet het binnenste van een heteluchtoven aanvoelen. ‘Waarom, in godsnaam, wilde ik zo graag door de woestijn rennen?’, vraag ik mezelf hardop af. ‘Wat heb ik aan wie te bewijzen?’
Het is april 2024 en ik doe mee aan de Marathon des Sables (MdS), de toughest footrace on earth. Het moet iets meer dan tien jaar geleden zijn geweest dat ik voor het eerst las over de MdS. Ik deed onderzoek naar het gebied waar mijn voorouders vandaan komen en kwam per toeval foto’s van de hardloopwedstrijd tegen. Het beeld van de deelnemers, die als een karavaan van kamelen in een sliert door het mulle zand lopen, ontroerde me direct. Het wakkerde ook een vreemd soort jaloezie aan. Dit is het land waar mijn stam-overgrootvader als nomade doorheen had getrokken. Ik had er nog nooit voet gezet, maar hier waren deze hardlopers met een tocht bezig, precies waar ik wilde zijn.
De Marathon des Sables werd in 1986 voor het eerst gehouden. De Fransman Patrick Bauer had twee jaar eerder helemaal in zijn eentje te voet 350 kilometer door de Sahara afgelegd, met op zijn rug een tas met al zijn benodigdheden. Die ervaring was zo magisch dat Bauer er een officieel evenement besloot te maken: de Marathon des Sables, de marathon van het zand.
Deelnemers aan de MdS leggen in zeven dagen, verdeeld over zes etappes, zo’n 250 kilometer af. Net als Bauer zijn ze volledig zelfvoorzienend. Wel regelt de organisatie berbertenten om in te slapen en iedere 15 kilometer checkpoints waar deelnemers van voldoende water worden voorzien. Alle andere benodigdheden dragen de hardlopers de hele week in een rugtas met zich mee. Wie geen honger wil hebben, heeft al snel 10 kilo op de rug. Ieder jaar melden zo’n duizend deelnemers zich aan voor de wedstrijd. Onder hen trailrunners, maar ook fanatieke snelwandelaars. De regel is: wie ingehaald wordt door de kamelen, die de bezemwagen vormen, ligt uit de race. Met een gemiddelde snelheid van 5,2 kilometer per uur en een minimumsnelheid van 3 kilometer per uur lijkt de MdS toegankelijk, maar de Sahara is onbarmhartig. Onverwachts en gruwelijk kun je door de hitte worden overvallen, met om je heen tot aan de horizon zandgevulde vlakten.
De wedstrijd wordt omgeven door afgrijselijke verhalen. Zo verdwaalde de Italiaanse Mauro Prosperi tijdens de marathon, toen hij werd overvallen door een zandstorm. Om te overleven at hij rauwe vleermuizen en dronk zijn eigen urine. Na dagen dwalen besloot hij zelfmoord te plegen. Hij sneed zijn polsen door en verloor het bewustzijn, maar werd de daaropvolgende dag weer wakker: hij was zo uitgedroogd dat het bloed bij zijn polsen vrijwel direct was gestold. Hij werd negen dagen later gered, lag een week op de intensive care, herstelde goed en deed drie jaar daarop toch weer mee aan de marathon.
Soms vertelde ik mensen over mijn plan om ‘ooit’ de MdS te lopen, alsof het om een droom ging. Een verlangen dat ik wellicht nooit zou verwezenlijken, zoals sommige mensen dromen van een verre reis, of een andere baan. Vaak (of eigenlijk altijd) werd ik voor gek versleten. Het was maar goed dat het om een onrealistische droom ging. Maar wat zijn dromen waard als je ze niet ten minste probeert te realiseren?
Wanneer me werd gevraagd waarom ik aan de MdS wilde deelnemen, was het antwoord vaak: omdat ik wil testen wat mijn lichaam kan. De afgelopen jaren liep ik twee marathons per jaar en in die trainingen was ik erachter gekomen dat snelheid niet mijn grootste kracht is, maar lange afstanden wel. Vanaf 30 kilometer krijg ik pas echt plezier in het rennen. Dat ik mijn lichaam wil testen is het makkelijke antwoord, waarmee ik een ingewikkeld gesprek over identiteit en ontheemding kan omzeilen. In werkelijkheid hoopte ik dat deelname me iets zou leren over mijn identiteit. Als Marokkaanse Nederlander weet ik wat het betekent om me ontheemd te voelen. Zowel Marokko als Nederland voelt soms wel en soms niet als thuis. Om dat gevoel een plek te kunnen geven was ik op zoek gegaan naar mijn familiegeschiedenis, om te achterhalen wie mijn voorouders waren, wat voor werk zij deden, maar ook hoe zij met elkaar samenleefden en waar de donkere huidskleur van mijn vader vandaan kwam. Ik hoopte in de verhalen van mijn voorouders beter te begrijpen wie of wat ik zelf ben.
Een half jaar na mijn vaders overlijden liet ik een dna-test doen. Dna-tests naar etniciteit zeggen eigenlijk niet zoveel, omdat je van iedere ouder slechts de helft van de genen erft, maar mijn verlangen naar antwoorden won het van mijn scepsis. De uitslag zou misschien geen antwoord geven op ál mijn vragen, maar me wellicht wel richting kunnen geven. Uit het onderzoek bleek dat mijn roots deels in West-Afrika (en Nigeria in het bijzonder) liggen, maar hoe de lijnen precies lopen bleef onduidelijk.
Tot ik naar Marokko afreisde om het gesprek over mijn familiegeschiedenis met familieleden daar aan te gaan en op het spoor kwam van een verhalende nomade wiens familie al generaties verbonden was aan de mijne. De man wist me te vertellen dat mijn stam-overgrootvader Selamna heette en vijf zoons had gehad. Volgens hem waren mijn voorouders ook nomaden geweest, die met een karavaan door de Sahara trokken en als vaste standplaats het dorp Igli hadden, op nog geen 60 kilometer van Merzouga, het bekende woestijndorp dat nabij de grens met Algerije ligt. Mijn voorouders trokken volgens hem door het onherbergzame gebied en handelden in allerlei producten, waaronder dadels.
Ik zag het al helemaal voor me. Met zijn pezige bouw was mijn vader altijd een sterke man geweest. Ik stelde me voor hoe zijn – en dus mijn – voorouders bepakt en bezakt met dromedarissen lange afstanden trotseerden om door het onherbergzame gebied te trekken en ik voelde een drang, of noodzaak, om mijn onderzoek lijfelijk te maken. Niet zoals Amerikanen de Amerikaanse Burgeroorlog soms naspelen in een zogenoemde re-enactment, maar door te zijn waar mijn voorouders ooit waren geweest. Door bijna letterlijk in hun voetsporen te treden, de verzengende zon op mijn huid te voelen branden en de Sahara tot in mijn diepste te ervaren.
De reis naar de Sahara begint in Ouarzazate, de stad die bekendstaat als de deur naar de woestijn. Vanuit hier rij je zo de droogte in. Het hele gebied ademt oudheid. Had ik niet beter geweten dan zou ik denken dat het een karikatuur van de Arabische wereld is, zo er al een eenduidige Arabische wereld is. De zandkleurige gebouwen, de minaretten die boven de stad uittorenen, de stadsmuren, gemaakt van rood leem, het woestijnlandschap, de brandende zon. De wereld lijkt hier stil te hebben gestaan.
Met tourbussen worden we vanuit Ouarzazate naar het eerste tentenkamp gebracht. In mijn tent, nummer negen, tref ik twee andere deelnemers aan. Gespannen wachten we tot de overige vijf zijn gearriveerd. De meeste tenten zijn ingedeeld naar nationaliteit, maar ik heb gekozen voor een vrouwentent omdat we met z’n achten als sardientjes in blik naast elkaar zullen liggen. Wanneer iedereen er is, doen we een voorstelrondje en geven we allemaal antwoord op de vraag der vragen: wat is jouw motivatie om mee te doen? Later zal blijken dat onze aanvankelijke antwoorden allemaal verdunde versies van de werkelijkheid zijn. De meesten van ons doen mee om onze grenzen te onderzoeken en verleggen, al dan niet gedreven door een vorm van trauma.
Aan de vooravond van de eerste etappe breng ik, op aanraden van vriend en schrijver Raoul de Jong, een plengoffer aan mijn voorouders. Raoul had zich in zijn onderzoek naar zijn familiegeschiedenis verdiept in Afro-Surinaamse rituelen zoals speciale baden en wierookceremonies, en dus ook plengoffers. Ik loop het tentenkamp uit om op gepaste afstand contact te leggen met mijn voorouders. Boven mij is niets anders dan oneindigheid. Een sterrenhemel zo licht dat het hallucinant is. Op de achtergrond het gemoedelijke rumoer van het tentenkamp.
Met de zool van mijn voet maak ik een cirkel in het zand en ga midden in de cirkel staan. Wanneer ik naar de hemel kijk en besef dat mijn voorouders hier ook hebben gestaan, naar dezelfde hemel hebben gekeken, moet ik onverwachts hard om mezelf lachen. Niet van de zenuwen, maar omdat het zo’n surreëel idee is dat ik hier nu sta. Toch prevel ik de shahada, de islamitische geloofsbelijdenis, sprenkel met mijn rechterhand water om de cirkel om me heen, en spreek mijn voorouders dan ongemakkelijk hardop toe:
‘Als jullie er zijn, hoi. Nou, ik ben Hasna, jullie achter-achter-kleinkind. Ik wil jullie bedanken voor alles wat jullie hebben gedaan. Dat hebben jullie natuurlijk niet voor mij gedaan, maar elke stap die jullie hebben gezet heeft wel mijn leven mogelijk gemaakt. Dus bedankt daarvoor. Ik wil jullie ook vragen me de komende dagen te helpen. Als het me te veel wordt, willen jullie me dan een duwtje in de rug geven? En me beschermen voor eventueel gevaar? Kunnen jullie me helpen het niet te warm te hebben? En goed te slapen? Bedankt. Als jullie er zijn.’
Ik haal een zakje gedroogde plantenblaadjes tevoorschijn die ik een half jaar eerder van het graf van mijn vader in Rabat had geplukt en strooi ze om me heen. ‘Zo ben je weer verbonden met je oorspronkelijke aarde, papa’, zeg ik terwijl ik mijn tranen wegslik. En ik voel dat het allemaal goed zal komen.
Dat ik juist wilde rennen door de Sahara is geen toeval. Ik kan me de vele keren herinneren dat ik met mijn vader op de Spinozaweg de hardlopers van de marathon in Rotterdam stond aan te moedigen. Nog voordat het startschot op de Coolsingel was gegaan, stonden we al zij aan zij klaar om te applaudisseren. Mijn vaders liefde voor hardlopen was ontstaan in zijn jongere jaren in Marokko, maar het werk in de fabrieken in Nederland had zijn lichaam toegetakeld. Een mooier eerbetoon aan mijn vader kon ik me niet voorstellen.
De eerste nacht in de tent is onwennig. De Hongaarse Zsuzsanna ligt naast me op een plastic slaapmatje, gekleed in een pyjama die ook van plastic gemaakt lijkt te zijn, waardoor ik van elke beweging die ze maakt wakker word. Dankzij haar plastic ultralichtgewicht gear weegt haar rugtas slechts 6,5 kilo, waar die van mij iets meer dan 10 weegt. Zsuzsanna is bovendien van plan om de hele week op droge crackers, noten en proteïnerepen te leven, terwijl mijn rugtas is gevuld met snacks en toetjes. Omdat ik ongesteld ben, weiger ik aan eten in te leveren.
We zullen deze week in totaal 252,8 kilometer afleggen, we beginnen vandaag met 31,1 kilometer. Het is loeiheet, de route bestaat uit zand, zand en nog eens zand, maar mijn training lijkt zijn vruchten af te werpen. In de maanden in aanloop naar de Marathon des Sables droeg ik tijdens het hardlopen laagjes kleding om te wennen aan de hitte. Ook wanneer de zon scheen, rende ik met een balaclava om mijn hoofd om extra warmte te genereren. De maand voordat ik naar Marokko afreisde voegde ik daar talloze sessies hot yoga aan toe, waarna ik direct mijn hardloopschoenen ombond en een lange afstand rende. Door nu niet te hard van stapel te lopen – ik ren waar ik kan en snelwandel meer dan me lief is – bereik ik de finish met relatief gemak.
Na een vrij moeiteloze eerste etappe sta ik op de tweede dag vol zelfvertrouwen aan de startlijn om 40,8 kilometer af te leggen. Al snel word ik geconfronteerd met het feit dat de Sahara onverbiddelijk is. De hitte, de afstand, het zand, ik weet niet waar ik het zoeken moet. Het alleen zijn – inmiddels zijn de lopers zo over het gebied uitgewaaierd dat in velden en wegen niemand om me heen te zien is – valt me zwaar. Een eindeloze hoeveelheid duinen ren ik op en af. Aan alles komt een einde, vertel ik mezelf optimistisch, tot ik ook van die gedachte moe word.
‘Horen jullie me?’, roep ik hardop tegen niemand in het bijzonder, maar stiekem vooral tegen mijn stam-overgrootvader. ‘Selamna, als je daar bent, help dan alsjeblieft. Een zuchtje wind zou geen kwaad kunnen!’ En dan voel ik het. Een warme bries in mijn rug, waar ik het nóg warmer van krijg. ‘Grappig hoor’, roep ik geërgerd alsof ik de hoofdrol in mijn eigen Truman Show speel. ‘Koude wind graag, want hier heb ik niets aan!’ In de verte zie ik prachtige windhozen met het zand spelen. ‘Desnoods een windhoos’, verzucht ik. En zowaar, de wind koelt af en geeft me vleugels.
De finish is van kilometers afstand al te zien en dat is een ware mindfuck: de eindstreep lijkt maar niet dichterbij te komen. Niet ver van de finish haalt de Nederlandse deelnemer Hanneke me in. We trekken samen op, blij dat ik eindelijk tegen een levend mens kan praten. Hanneke heeft een vastberadenheid in haar blik die verraadt dat ze deze etappe zo snel mogelijk achter de rug wil hebben. Ik laat me leiden door haar energie en ga in haar kielzog over de finish. Met een gigantische glimlach en de wind in de rug, blij dat het er weer op zit.
Vandaag is de gevreesde lange etappe van 85 kilometer, waar we 36 uur over mogen doen. Dat lijkt ruim voldoende, maar gezien de hitte, de accumulatie van vermoeidheid en de eindeloze hoeveelheid zand, is het nog maar de vraag hoeveel deelnemers de finish zullen halen. Bovendien moeten we de gevreesde Jebel El Otfal, de hoogste berg van het parcours, beteugelen met in totaal 1.154 hoogtemeters. De eerste kilometers houdt Zsuzsanna me nog gezelschap, maar al gauw moet ik haar laten gaan omdat ik door mijn hoogtevrees snelheid verlies.
Zo langzaam als ik naar de top klim, zo snel klimt de zon naar haar hoogste punt. Het wordt wederom een loeihete dag met temperaturen ver boven de 40 graden. In mijn eentje dwaal ik over de bergruggen, door het mulle zand en over een droog rivierbed. Daar wordt het me zo heet onder de voeten dat ik bij het vierde checkpoint besluit een pauze in te lassen om te wachten tot het heetste deel van de dag voorbij is. Het is druk bij het checkpoint, ik ben niet de enige die dankbaar de schaduw van de tenten opzoekt. Hier loop ik tentgenoot Saloua tegen het lijf en ik stel voor om de rest van de race samen te lopen, al is het maar om ervoor te zorgen dat we de nacht niet in ons eentje hoeven door te brengen, en we elkaar kunnen bijstaan in het geval dat de ander door vermoeidheid last krijgt van hallucinaties.
In Nederland zoek ik het liefst de stilte op en ren ik graag alleen, maar in dit geval is gezelschap meer dan welkom. Saloua vertelt me over haar jeugd, haar progressieve opvoeding en over haar kinderen. Ze woont in Rabat, de stad waar ik alle zomervakanties uit mijn jeugd heb doorgebracht, de stad die soms mijn tweede thuis is, de stad waarvan ik lange tijd dacht dat hij mijn oorsprong was. Saloua en ik bespreken hoe het is om als ouder doelen en dromen voor je kinderen te hebben, en tot welke offers we soms in staat zijn om het leven van onze kinderen aangenamer te maken, ook wanneer dat ten koste gaat van onszelf. Maar ook hoe moeilijk het soms is om zelf, op jouw beurt als kind van je ouders, je eigen pad te bewandelen.
Wanneer we midden in de nacht boven op de zoveelste berg staan, gaan we zitten en knippen onze hoofdlampjes uit om de sterrenhemel te bewonderen. Het is fenomenaal. Weer dringt tot me door dat ook mijn stamouders deze hemel, deze uitgestrektheid, ooit hebben bewonderd.
’s Ochtends bereiken Saloua en ik de finish en barsten in gezang uit. Het is ons gelukt, we hebben de langste etappe overleefd. Nu kan het niet meer misgaan. De rest van de dag hangen we in de tent, doen we hazenslaapjes en verwelkomen we de laatste deelnemers.
Het zwaarste hebben we achter de rug en ik voel me fit, vertel ik mezelf. Ik wil vandaag zoveel mogelijk hardlopen. We hoeven bovendien ‘maar’ 43 kilometer met 390 hoogtemeters af te leggen. Wanneer ik eenmaal start, voel ik me fenomenaal. ‘Right here, this is what you came for’, zing ik luid. Na het eerste checkpoint probeert Zsuzsanna mijn euforie te temperen. We hebben nog een lange weg te gaan, zegt ze wijselijk. Het parcours is weliswaar vlakker dan voorgaande dagen, maar er staan nog steeds een hoop duinen op het menu.
En wat voor een duinen... Ik dacht dat we het ergste achter de rug hadden, maar de combinatie van de eindeloze hoeveelheid zandhopen en het kwik dat is gestegen naar 50 graden, maakt van deze etappe een helse tocht. Door de hitte en het heen en weer slingeren van mijn armen zwellen mijn handen op tot kolenschoppen. Het huilen staat me nader dan het lachen, maar Zsuzsanna herinnert me: ‘This is what you came for’. Ik wilde ploeteren, dus ploeteren zal ik.
Wanneer de finish in zicht is, versnellen we en rennen samen de laatste kilometers. Het zit er wéér op. Nog maar 30 kilometer en een halve marathon te gaan, dan ben ik een ware Marathon des Sables-finisher. Ik kan de medaille al om mijn nek voelen hangen, dank je wel Rihanna.
Na een helse nacht vol zandstormen staan Zsuzsanna en ik ’s ochtends weer samen aan de startlijn. De anticipatie waarmee we eerder deze week van start gingen, is volledig verdwenen. Door te weinig slaap, te weinig eten en te weinig energie is de sfeer omgeslagen. Niet dat iemand chagrijnig is, maar het enthousiasme is eraf. We weten ook dat het wel heel gek moet lopen als we de eindstreep niet meer halen. Ik wil het allemaal vooral achter de rug hebben.
Het eerste deel van het parcours is vlak. Zsuzsanna en ik rennen daar waar de ondergrond het toelaat, en wandelen wanneer het nodig is. Om een flinke pas erin te houden probeert Zsuzsanna liederen op te rakelen uit de tijd dat ze nog diende in het Hongaarse leger.
Mijn gedachten dwalen af naar wat zich hier in de regio moet hebben afgespeeld. Waarom besloot mijn stam-overgrootvader Selamna naar de kust te trekken? Was het een oorlog of conflict? Of kwam het doordat de handel was opgedroogd? En: wat voor liederen zong hij, wanneer hij met zijn karavaan trok?
Na nog geen week in de Sahara weet ik dat het leven hier genadeloos moet zijn geweest. Wanneer ik langs kleine lemen huisjes loop, die ogenschijnlijk in het midden van niemandsland staan, vraag ik mezelf waarom mensen hier wonen. Natuurlijk wilde Selamna hier weg, al zal het niet makkelijk zijn geweest om het gebied, waar hij geworteld was, te verlaten. Ook mijn vader bleef, toen hij nog leefde, altijd dromen van terugkeren naar Marokko. Het was hem nooit gelukt om hier in Nederland wortel te schieten.
Na 30 kilometer gaan Zsuzsanna en ik samen rennend over de finish. Blij dat het er weer op zit, verheugd dat we nog maar een halve marathon hoeven, en met een voorproefje van weemoed, die nu al onderhuids kruipt.
De laatste dag voelt symbolisch. Het is de kortste afstand die we tot nu hebben afgelegd, met minimale hoogtemeters. Het geeft ruimte om contemplatief te rennen, alles nog één keer goed in me op te nemen, voordat ik weer op de bus naar de bewoonde wereld stap.
Iedereen in mijn tent is uitgelaten. De laatste avond konden we het over niets anders hebben dan wat we zouden gaan eten en drinken bij terugkomst in Ouarzazate, hoe vaak we onze haren zouden wassen en welke mooie, schone kleding we in onze koffers hadden. Het hardloopshirt dat ik al een week draag is door al het zoute zweet en vuil inmiddels zo hard als een wasbord, de vlekken in mijn onderbroeken ben ik maar gaan negeren.
In het startvak raak ik mijn tentgenoten kwijt. Wanneer ik Zsuzsanna op het parcours weer tegenkom, wil ze snelwandelen. Maar ik ruik stal (of vooral: een douche en schone kleren). In mijn eentje ga ik ervandoor. Een halve marathon is nog steeds een behoorlijke afstand, maar na de vorige etappes voelen deze 21 kilometer aan als een wandeling in het park. Wanneer ik de finish kan horen versnel ik, en ga met de grootste glimlach van trots over de eindstreep, met in gedachten niet mijn voorouders, maar mijn vader, wetende hoe ongelooflijk trots hij op me zou zijn geweest.
Hasna El Maroudi’s boek over de Marathon des Sables en haar zoektocht naar haar familiegeschiedenis komt in 2025 uit bij De Arbeiderspers.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant