In literaire fictie speelt de zomer opvallend vaak een essentiële rol. Waarom zijn schrijvers zo dol op dit seizoen? En wat hebben al deze boeken met elkaar gemeen?
‘Uren brachten we door op het strand, door de warmte overweldigd en we kregen langzamerhand een gezonde, bronzen kleur.’ Aan het woord is Cécile, het 17-jarige meisje uit Bonjour tristesse, de klassieker uit 1954 van Françoise Sagan. Cécile brengt de zomer door in een afgelegen villa aan de Franse kust, samen met haar vader en zijn vriendinnen. ‘Ik strekte mij uit in het zand, nam er af en toe een handvol van en liet die dan weer in een zachte gele straal tussen mijn vingers door wegvloeien; tot mezelf zei ik, dat het vloeide als de tijd, dat zoiets als een nogal voor de hand liggende gedachte klonk en dat het prettig was, dergelijke voor de hand liggende gedachten te koesteren. Het was zomer.’
Die laatste woorden klinken omineus: ‘Het was zomer.’ Let op, lijken ze te zeggen, er kan nog van alles gebeuren. En misschien is dat wel de ultieme zomergedachte: er kan nog van alles gebeuren. In de zomer zijn we voor even losgezongen van het gewone leven. We zullen avonturen beleven, plannen smeden en verliefd worden. Dit seizoen, kortom, spreekt tot de verbeelding. Daarom zijn schrijvers er ook zo dol op; in veel literatuur speelt de zomer een essentiële en bijzondere rol.
Over de auteur
Bo van Houwelingen is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
Voorbeelden te over, neem The Great Gatsby (1925) van F. Scott Fitzgerald, waarin Jay Gatsby in één zomer zijn fortuin verbrast. En aan The Sun Also Rises (1926) van Ernest Hemingway, over de hete zomer waarin een groepje vrienden naar Pamplona afreist om het stierenvechten te zien. Of The Talented Mr. Ripley (1955) van Patricia Highsmith, over die fatale zomer aan de Italiaanse Rivièra.
En vergeet De vreemdeling van Albert Camus niet. In de roman uit 1942 raakt hoofdpersoon Meursault zó verhit door de brandende zon dat hij iemand neerschiet.
Recenter: Atonement (2001) van Ian McEwan, dat begint met een zinderende, allesbepalende dag in een landhuis. Of Call Me by Your Name (2007) van André Aciman over de perfecte zomerliefde tussen Elio en Oliver. Karl Ove Knausgård is in Zomer (2016) druk doende met tuinsproeiers en regenwormen terwijl hij terugblikt op de zomers uit zijn jeugd.
Ook in Nederland is het weleens zomer, in elk geval in de literatuur. Wie herinnert zich niet Panda, Mees en Boelie, wandelend door het Vondelpark, een vurrukkullukke zomerdag in het verschiet. Of die arme Willem Bleeker uit de debuutroman van Mensje van Keulen. Hij ontvlucht werk, vrouw en kind en beleeft een paar hete dagen in Amsterdam. En wat te denken van de roman met de zonnigste titel aller tijden: Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong?
Alleen al afgelopen jaar verscheen er een handvol Nederlandstalige boeken waarin de zomer een cruciale rol speelt: in Dans Panfilo dans van Kyrian Esser ontmoeten twee jongens elkaar tijdens een zomer aan de kust. Een kok probeert een restaurant draaiende te houden tijdens een hittegolf in Een tafel bij het raam van Mirthe van Doornik. In De zomer van onwaarheden van Nelleke Zandwijk valt een familie uit elkaar na een dramatische kampeervakantie.
Dieuwertje Mertens stuurt in Moeders. Heiligen haar hoofdpersonage Mercedes naar een zomerhuis in Frankrijk, alwaar ze met zichzelf in het reine moet komen. In maart verscheen De bewaring van Yael van der Wouden, waarin de zomer de bodem is waaruit de liefde tussen twee vrouwen ontkiemt. En nog recenter: Bechamel Mucho van Dimitri Verhulst, dat begint als ‘een zonnige diavoorstelling van een zorgeloze zomer’.
Wat opvalt, is dat het in al deze boeken nooit zomaar een zomertje is. Nee, het is die éne zomer; indrukwekkend, allesbepalend, gedenkwaardig. Zó dat er een hele roman omheen geschreven kan worden. Hoe doen schrijvers dat? Welke literaire functie vervult de zomer in fictie? Wat heeft de fictieve zomer dat de andere seizoenen niet hebben? Het antwoord vinden we in vijf elementen die in vrijwel elke roman over de zomer voorkomen:
Welke roman over de zomer je ook openslaat, altijd wordt er aandacht besteed aan het neerzetten van een typische zomersfeer. En reken maar dat de meeste schrijvers zich niet inhouden: wuivende korenvelden, blozende meisjes, zongebruinde schouders, kabbelende golfjes, sappige vruchten, gouden avondzon, enzovoort.
In Call Me By Your Name gaat het over ‘de geur van rozemarijn op een hete dag en het geratel van de cicaden in de middag’. In The Great Gatsby over ‘blauwe tuinen waarin meisjes fladderden als motten tussen het gefluister, de champagne en de sterren’. In de roman van Dieuwertje Mertens: ‘Er is geen ander geluid dan dat van de vogels, de krekels, de wind en de wespen. De lucht vibreert van vleugelslagen.’ Ook De bewaring bevat veel zomerzoetheid, à la: ‘De late middagzon dompelde de kamer onder in zacht licht en viel op het perzikdons op Eva’s kaak.’
Het kan ook de andere kant op gaan; de zomer als een drukkende, oververhitte toestand: zinderend asfalt, uitgestorven steden, stekende insecten, gloeiend zand, verblindende zon, naderend onweer.
Mensje van Keulen beschrijft een zomerse dag vol ingehouden dreiging: ‘Een dikke houtduif stapte de straat over. Naast een stapel kratten vol omgespoelde advocaatflessen pikte hij iets van de grond en verroerde zich nauwelijks toen een Volkswagen zo vlak langsreed dat de flessen rammelden. Verder was het stil. Mensen zaten te eten, vonden het te warm om naar buiten te gaan of lagen in Zandvoort. De zon broeide in de zolders. Boven de auto’s trilde de lucht.’
De zomer van Dimitri Verhulst is treurig felrealistisch: uitgebluste ouders dumpen hun kinderen bij het animatieteam van het all-in-resort en gaan wanhopig ‘aan de cocktail’, ‘de zonneklop’, ‘de chicklit aan het zwembad’ en ‘de wip in het hotelbed met de verkwikkende hoest van de airco op de kont’.
Camus spant de kroon: ‘De zee hijgde op het zand met haar snelle, gesmoorde adem van kleine golfjes. Ik liep langzaam naar de rotsen en voelde dat mijn voorhoofd was opgezet door de zon. Heel die hitte drukte op me en remde me in het gaan. En elke keer als ik haar enorme hete adem op mijn gezicht voelde, klemde ik mijn tanden op elkaar, balde mijn vuisten in mijn broekzakken en spande mijn lichaam om sterker te zijn dan de zon en de doffe bedwelming die hij over me uitgoot. Steeds als er een zwaard van licht opsprong uit het zand, vanaf een uitgebleekte schelp of een glasscherf, verstrakten mijn kaken. Ik ben lang blijven lopen.’
Dat kan niet anders dan slecht aflopen, dat voel je als lezer meteen. Het voorbeeld uit De vreemdeling laat goed zien dat die sfeerbeschrijvingen er niet voor de sier staan: ze bereiden de lezers voor op de actie die aanstaande is. Een moord, in Meursaults geval. En dat lieflijke perzikdons op Eva’s kaak móét natuurlijk gekust gaan worden.
‘Staand in de deuropening, met in elke hand een glas wijn, snuift Tobias de warme, dikke stadslucht op. Ik heb besloten verliefd te worden deze zomer, zegt hij.’ Wie eenmaal in die zomerse sferen verkeert – zoals dit personage uit de roman van Esser – staat open voor nieuwe ontmoetingen. Handig dus dat er ’s zomers meer mensen buiten zijn. Want dan is er meer gelegenheid voor een spontaan treffen, met name van mensen die zich ‘in het gewone leven’ vooral in hun eigen bubbel begeven.
In het park, op het stand of het bos komt iederéén, en kan het zomaar gebeuren dat een drietal jongeren in gesprek raakt met ‘een grijsaard’ – zoals in Remco Camperts Het leven is vurrukkulluk. ‘Panda zat in het midden op het korte gras. De zon scheen op het water, de eenden en de mensen, die om de vijver heen zaten of lagen of stonden, getweeën, gedrieën, gevieren, in grote gezelschappen of ook wel alleen, zonderlingen met baarden om en gymnastiekschoenen aan, tachtigers die naar ttwinkelen, trinkelen, en tblinkelen van twater keken. Ah, oh, wee, grijsaards die zagen hoe de zon de waterspiegel schoonwreef.’
Klassenverschillen spelen een minder grote rol op plekken waar veel verschillende soorten mensen hun vrije tijd doorbrengen. Zoals in het vakantieresort waar Alex uit Bechamel Mucho werkt. Als animator, ‘de laagste in rang’, ontmoet hij allerlei vrouwen.
Waar rangen en standen vervagen, worden ook de dagelijkse normen minder belangrijk: in de zomer kan en mag meer. Vrij van werk kleden we ons losser en schaarser, we houden siësta’s, eten later op de avond, halen nóg een ijsje en hengelen de laatste vruchtjes uit de sangria. In de zomer geven we vaker aan verlangens toe: het keurslijf mag uit, het ‘ware ik’ krijgt de ruimte. ‘Ik hou van Engeland in een hittegolf’, merkt iemand op in Atonement van McEwan. ‘Het wordt een heel ander land. Alle regels veranderen.’
Andere regels: perfect voor een schrijver, want daarmee kan een personage uit zijn gewone doen worden gehaald, waardoor er ruimte ontstaat voor karakterontwikkeling. ‘Maar godzijdank was het nu zomer. Hij zat niet meer in de banken met een stroeve natgeregende broek. Ze waren aan zee, en in de buurt van de zee heersen andere fatsoensnormen’, zo geeft Esser zijn personage Wouter de mogelijkheid om zijn gevoelens voor Tobias te onderzoeken.
Overigens kan de zomerse vrijheid ook averechts werken: Willem Bleeker raakt vreselijk geconstipeerd en ook Knausgård beschrijft de zomer als de ergste tijd van het jaar. ‘Terwijl de zon buiten scheen wist ik niet wat ik met mezelf aan moest. Het tekende me, niet alleen wie ik was in de ogen van anderen, maar ook wie ik was voor mezelf.’
Zodra er min of meer aan alle voorbereidende voorwaarden is voldaan (de juiste zomersfeer, een opmerkelijke ontmoeting, gebrek aan regels) kan de hoofdpersoon losgaan. Die hoeft nog maar één ding te doen: de zomer uitspelen. Jammer dat dit seizoen zo kort is, in het ergste geval duurt het maar een paar weken. Maar daar hebben schrijvers iets op gevonden: zij kunnen de zomer eindeloos laten voortduren. In boeken kruipen lome minuten tergend langzaam voorbij, nachten kennen geen eind, de tijd wordt stroperig.
‘Het was de heetste dag van het jaar, iedereen bewoog zich in slow motion, waardoor de uren zich eindeloos oprekten om zich pas op het laatste moment in de dag te knopen’, schrijft Mirthe van Doornik. En Kyrian Esser: ‘Daar klinken de stemmen van scholieren met zomerbaantjes. Ze hebben de radio aangezet en spetteren elkaar nat met afwaswater. Het voelt op zo’n ochtend alsof alles al eeuwen zo gaat.’ Zo verlengen schrijvers de zomer net zo lang tot hun personages alles beleefd hebben wat ze beleefd moeten hebben om de allerlaatste stap te zetten: die naar karakterverandering.
In een goede roman maakt het hoofdpersonage een ontwikkeling door. Na de beschreven gebeurtenissen is hij, op welke manier dan ook, een beetje (of heel erg) anders. De zomer is een karakterontwikkelingssnelkookpan.
Neem Call Me By Your Name: één lange analyse van hoe Elio ‘voor altijd gekleurd was door de gebeurtenissen van die ene zomer’. Of de zo onbewogen Meursault uit De vreemdeling. Aan het eind van het boek – de nacht voor zijn executie – verandert hij alsnog. ‘De wonderbaarlijke vrede van die slaperige zomernacht drong in mij door als een vloed. (…) Alsof die grote woede mij had gezuiverd van kwaad, ontdaan van hoop, ten overstaan van die nacht van tekens en sterren, stelde ik me voor het eerst open voor de tedere onverschilligheid van de wereld.’
In The Great Gatsby is de karakterverandering nogal rigoureus: Gatsby eindigt dood in het zwembad. En in The Talented Mr. Ripley wordt Tom letterlijk iemand anders als hij de identiteit van Dickie Greenleaf aanneemt. Ook Tobias, uit Dans Panfilo dans, verandert in een ander als hij beseft dat de zomerliefde echt voorbij is; hij zet een imaginair masker op en wordt Panfilo, een personage uit de Decamerone.
Het leven is vurrukkulluk eindigt met een huisfeest dat is bekostigd met geld dat Mees gestolen heeft van de grijsaard. Mees zit met die beroving in z’n maag. Maar dan ziet hij een jongen uit het zolderraam springen: hangend aan een paraplu (en kondigt die paraplu niet het eind van de zomer aan?) komt hij naar beneden zweven. ‘Een gevoel van geluk, zo hevig als hij het nog nooit had gekend’, stroomt door Mees heen ‘en verzoende hem met bijna alles’. Alex, de animator uit de roman van Verhulst, verzoent zich uiteindelijk met zijn betekenisloosheid: ‘Niets was hij. Niemand. Maar wat dan nog?’
***
En dan nadert, onherroepelijk, het einde van zomer. Een flinke storm luidt de herfst in. Bleekers zomer eindigt als hij door een gure wind naar huis gedreven wordt en met ‘dooie vingers’ bij zijn vrouw in bed kruipt. De kok uit Een tafel bij het raam rent op een stormachtige avond krankzinnig geworden zijn volle restaurant uit. Met de vrouw uit Moeders. Heiligen komt het goed. Maar niet voordat de wind ‘door de straten jankt’, ‘de kastanjeboom kreunt’ en ‘zijn groene bolsters neerregenen’.
Dan volgt de winter, pendant van de zomer, tijd van verstilling en bezinning. De twee geliefden die in De bewaring aan het eind van de zomer met knallende ruzie uit elkaar gingen, verzoenen zich – ouder, wijzer en rustiger – in de winter. De moestuin, het symbool voor hun zomerliefde, gaat verborgen onder een dik pak sneeuw.
Keren we terug naar Sagans Cécile. Pas als ’s winters de zomer een verre herinnering geworden is, leert zij haar ware emoties kennen. ‘Dan komt er iets in me boven dat ik begroet met zijn ware naam, de ogen gesloten: ‘welkom droefheid.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant