Home

Achter het stuur zat ik te hopen dat het aanstaande ongeluk snel en pijnloos zou zijn

Er zijn van die zomers waarin je leven verandert; je gaat het huis uit, je begint aan je eerste (serieuze) baan, je wordt voor het eerst (echt) verliefd. Wat leest een mens, tijdens dat soort zomers?

Ik heb pas net voor het eerst Het gouden ei van Tim Krabbé gelezen. Het is officieel het meest gelezen boek voor de lijst, maar het trok me niet omdat ik dacht dat het voor jongens was.

Wie zich al te veel concentreert op de narigheden die erin voorkomen, zou over het hoofd kunnen zien dat Het gouden ei in de eerste plaats een boek is over hoe leuk en nuttig autorijden is. Frankrijk binnen handbereik, je hele leven achterin, kibbelen met een bijrijder – pure romantiek. Rex vindt het aanstellerij, maar zelfs Saskia’s wens om ‘de sleuteltjes’ vast te houden voordat ze gaat rijden, want ‘dat went vast een beetje’, vind ik volkomen begrijpelijk. Je móét ook wennen aan de auto en de auto aan jou, net als bij een paard.

Zelf deed ik er jaren over om een rijbewijs te halen. De man van wie ik les kreeg had een vriendje 50 euro cash beloofd voor elke nieuwe leerling, wat natuurlijk een veeg teken was. Hij rookte sjek in de auto en ik vond het te tuttig om te zeggen dat ik dat vies vond, dus ik loog dat ik astma had.

Over de auteur
Charlotte Remarque schrijft over literatuur voor de Volkskrant en de Groene Amsterdammer en presenteert de podcast Boeken FM.

Ook had hij de neiging om plotseling ‘hier d’r AF!’ te schreeuwen omdat hij een rode wouw of een torenvalk zag. Dan stopte ik op de vluchtstrook, haalde hij zijn telelens uit de achterbak en zat ik achter het stuur te hopen dat het aanstaande ongeluk snel en pijnloos zou zijn.

Een jaar ging voorbij, ik vorderde niet. In de stad toeterde hij naar vrouwen die voor onze auto overstaken, leunde hij uit het raam en riep hij: ‘Dat ze jou zomaar naar buiten laten!’

Ik moest ontspannen, anders zou ik het nooit leren. Op de snelweg trok hij mijn handen van het stuur zodat ik kon zien dat de auto niet zomaar van de weg zou rijden. Toen dat niet werkte, moest ik mijn ogen dichtdoen, eerst twee seconden, toen tien. ‘Kijk, we leven nog.’

Ik zakte voor mijn eerste examen en van wanhoop trapte ik tegen de band van zijn auto. Ik zakte voor mijn tweede examen en op de terugweg liet hij me twintig keer dezelfde rotonde doen.

Op wat mijn laatste poging zou zijn barstte ik in huilen uit voor het CBR, en besloot hij dat ik mocht afrijden in een automaat, schakelen zou weldra toch afgeschaft worden. Ik haalde het.

Dat van dat schakelen was natuurlijk onzin, dat moet je gewoon kunnen. Ik kocht zelf een auto en oefende in de buurt tot ik het kon.

Wat een godsgeschenk, een eigen auto. Je kunt er een nietsvermoedend meisje in ontvoeren, maar ook mindere misdaden in plegen, zoals bifiworstjes eten en de condooms die daaromheen zitten zich gewoon laten opstapelen op de bekleding.

Niet dat ik sympathie heb voor de kidnapper uit het boek, maar ik heb wel begrip voor de bedwelmende werking van de ongebreidelde vrijheid van een eigen auto. Een ruimteschip helemaal voor jezelf.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next