Home

Een mens kan leven zonder voetbal, maar dan mis je wel een mooi partje van het leven

Aad de Mos bestaat gelukkig nog steeds, in tegenstelling tot Jimmy’s Bar in Bremen. Die is gesloten. Met enkele bevriende collega’s bracht ik lang geleden een bezoek aan de bar, na de wedstrijd Werder Bremen - PSV. Dat was op 5 december 1995.

In Jimmy’s Bar waren ook een paar spelers van PSV: René Eijkelkamp, Jan Wouters en Stan Valckx, de bierdrinkers in de selectie. Dat kon toen nog. De Mos, ook van de partij, stond bij de toiletten een tijdje te praten met twee Belgische journalisten. Hij was trainer van Werder Bremen.

Over de auteur
Paul Onkenhout was jarenlang voetbalverslaggever en is columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Opgewonden vertelden de Belgen dat De Mos Werder met de grond gelijk had gemaakt. De volgende dag zou hij zijn ontslag indienen. In Het Nieuwsblad en Het Laatste Nieuws verschenen twee dagen later stukken met die strekking.

Het werd pas een rel toen Der Spiegel de kwestie twee weken later – het ging allemaal nog niet zo snel in die dagen – oppikte. De Mos was woedend en spande een rechtszaak tegen het weekblad aan.

Hij ontkende alles. Hij had niet met de Belgische journalisten gesproken en die avond geen voet in Jimmy’s Bar gezet. De rechtszaak won hij. Aad de Mos bestaat niet, concludeerde ik twee jaar later in een column waarin ik deze schitterende reeks gebeurtenissen juichend reconstrueerde.

De overdrijving had ik van Jan Mulder geleerd, de meester van de onverwachte schijnbewegingen en de enige die een boek kon uitbrengen met de titel Opmars der strafschopgebieden. Ik probeerde intussen te kijken zoals Nico Scheepmaker, de publicist en dichter die schijnbaar onbeduidende details opblies en het voetbal zelf zo tot bijzaak maakte. Dat deed niemand voor hem.

De column over Aad de Mos in Jimmy’s Bar werd in 2002 opgenomen in Op zoek naar de rookmagiër. Ik pakte het deze week uit de kast, een tikje melancholiek. ‘Voetbal volgens de Twaalfde Man’, is de ondertitel. Het was een bundeling van de columns die ik sinds 1996 voor de Volkskrant had geschreven; de beginjaren.

Uit het boek dwarrelden foto’s van de boekpresentatie – Tom Egbers presenteerde, hij interviewde onder anderen mijn vader – en een paar krantenknipsels en recensies. Het was het exemplaar van mijn vader, hij had de stukjes uitgeknipt, onder meer uit Voetbal International.

De anonieme recensent, vermoedelijk Johan Derksen, opende zijn betoog met de enigszins misprijzende zin dat Paul Onkenhout geen verslaggever is die dicht op het nieuws zit. De columns werden zuinigjes ‘aardig’ genoemd en in de slotzin vergeleek hij mij met mijn voorganger: ‘Ben de Graaf had nergens een goed woord voor over, bij Paul Onkenhout staat de liefde voor het voetbal voorop.’

Dat laatste klopte in elk geval, al zijn het al die jaren vooral de verhalen geweest die mij hebben aangetrokken; anekdoten uit een vreemde wereld die niet al te ernstig moet worden genomen en die onophoudelijk voor verbazing zorgt. Neem alleen Louis van Gaal al. Of Aad de Mos in Jimmy’s Bar. Helemaal aan het andere einde van de tijdlijn: de haarband van Memphis Depay.

Een mens kan leven zonder voetbal, schreef Nico Scheepmaker lang geleden in Rembrandt heeft nooit gevoetbald – nog zo’n geweldige titel. Hij richtte zich tot mensen die niet om voetbal gaven. Dat begreep Scheepmaker wel, maar hij wees ze erop dat ze daardoor ‘een mooi partje van het leven missen’.

Meer dan een mooi partje is het voor mij nooit geweest, maar zeker niet minder. Dit was het, ik stop. Leve het voetbal en leve de lezers, ik heb het graag gedaan.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next