Het moet maar weer. De hoofddoek. Alles wat erover te zeggen valt, is al gezegd. Maar de obsessie ermee van links tot rechts is onverzadigbaar. Alsof het woningtekort, de klimaatopwarming, armoede en het wantrouwen in de politiek spontaan verdwijnen als vrouwen hun hoofddoek afdoen. En, zoals radicale gelovigen denken, dat alles goedkomt als je de vrouw er maar onder bedekt houdt. Zolang iedereen zich op de vrouw richt, worden de daadwerkelijke problemen vergeten. De vrouw en haar kleding als eeuwige bliksemafleider.
De hoofddoek dragen is een privékeuze ingegeven door talloze overwegingen. Toch wordt van die persoonlijke, gelaagde beslissing een plat politieke gemaakt die de individualiteit van vrouwen negeert. Bijkomend probleem is dat mensen steeds vaker hun particuliere mening vertaald willen zien in beleid; je kunt prima tegen de hoofddoek zijn en toch voor het recht van vrouwen opkomen er één te dragen.
‘Je gaat voorbij aan vrouwen die gedwongen worden!’, klinkt het dan regelmatig op Twitter (ik blijf net als collega Carolina Trujillo Twitter zeggen: het is absurd ons te voegen naar de luimen van een overjarige baby met meer geld dan goed voor de wereld is). Dat komt meestal van mensen die elke dag op moslims schelden en betrokkenheid veinzen.
Maar je helpt vrouwen niet door hen te vernederen. Steeds wanneer een moslima zegt dat ze uit vrije wil een hoofddoek draagt, volgt er hoongelach en wordt er geschermd met vrouwen die ertoe gedwongen worden.
Natuurlijk zijn er vrouwen die gedwongen worden of dwang voelen om gesluierd te gaan. Niemand die dit ontkent. Velen van ons ageren er fel tegen zonder megafoon en zonder slachtoffers als instrument voor eigen gewin te misbruiken.
En dan heb je de zogenaamd progressieve columnisten, zoals Kustaw Bessems, die jammeren dat er geen ruimte is voor islamkritiek, omdat ze meteen op de PVV-hoop worden gegooid. Mijn hart huilt voor hen. Die islamkritiek komt doorgaans neer op moslims met insecten vergelijken, pleiten voor een ‘fokverbod’, en een onstilbare honger om met de ‘schaduwkanten’ van de islam te schermen.
Mag allemaal, hoor. Leef je uit. Maar beweren dat er binnen de islam geen debat of zelfkritiek is, is lachwekkend. Dat is er al vanaf het begin van de islam. In elk gezin, in elke familie, elke samenleving. Discussies vinden plaats tussen bekenden en vreemden. De successen die islamitische feministen boeken, hebben zij te danken aan hun kritiek op heersende normen.
Om me heen zie ik regelmatig vrouwen die uit eigen beweging besluiten een hoofddoek te dragen of juist af te doen, en ook steeds meer moslims met een stevige maatschappelijke en economische positie; hét teken van vooruitgang.
Ik ben opgevoed door een moeder met hoofddoek die me inprentte nooit afhankelijk te worden van een man en door een vader die openlijk kritisch was op geloofsgenoten die hun dochters kort hielden. Ik heb een oudste zus die na het overlijden van onze vader in stilte besloot een hoofddoek te dragen en een zus die ongesluierd is en gehecht aan haar spijkerbroek.
Kritiek en debat maken onlosmakelijk deel uit van onze levens en de keuzes die we maken. Buitenstaanders hebben geen idee van de levendige dynamiek binnen de islamitische gemeenschap. Maar dat zij er geen deel van uitmaken, betekent nog niet dat er geen debat is. Moslims hebben daar niet eerst een stempel van erkenning voor nodig van minachtende columnisten en politici.
Hassnae Bouazza is schrijver, journalist, columnist en programmamaker.
Source: NRC