Er blijken grote verschillen te bestaan in de resultaten van de zes verschillende doorstroomtoetsen waar basisscholen dit jaar uit konden kiezen. Het ministerie stelt dat de toetsen betrouwbaar zijn. De PO-raad, belangenbehartiger van de basisscholen, noemt de verschillen ‘onacceptabel’.
De uitkomsten van de doorstroomtoets leidden dit voorjaar tot onrust op scholen. Die konden de resultaten lang niet altijd rijmen met het beeld dat zij van hun leerlingen hadden. Ook zagen ze grote verschillen in de uitkomsten tussen de zes verschillende toetsen waaruit scholen kunnen kiezen.
In een brief die staatssecretaris van Onderwijs Mariëlle Paul dinsdag aan de Tweede Kamer stuurde, bevestigt ze dat er ‘duidelijke verschillen’ bestaan tussen de doorstroomtoetsen. Scholen die bijvoorbeeld kozen voor aanbieder IEP behaalden andere resultaten dan scholen die de toets van aanbieder Route8 maakten.
‘Onacceptabel’
Het College voor Toetsen en Examens (CvTE), dat verantwoordelijk is voor de normering, stelt dat de toetsresultaten niettemin een goed beeld geven van wat leerlingen kunnen op het gebied van taal en rekenen. Ook zijn de toetsen onderling vergelijkbaar door het gebruik van zogenoemde ‘ankeropgaven’, die in elke toets terugkomen.
Dat er toch verschillen tussen de toetsen zijn, zou volgens de instantie kunnen komen doordat scholen met bepaalde leerlingenpopulaties een voorkeur hebben voor een bepaalde toets. Hier wordt nader onderzoek naar gedaan.
Volgens Freddy Heima, voorzitter van de PO-raad, maakt het voor de kansen die een leerling krijgt bij de overgang naar het voortgezet onderwijs wel degelijk uit welke van de zes toetsaanbieders het schoolbestuur heeft gekozen. Hij wijst erop dat het aandeel toetsadviezen vwo met een kwart is gedaald ten opzichte van vorig jaar, behalve bij aanbieder LIB. ‘Dit soort verschillen is onacceptabel. Het gaat om de toekomst van onze 11- en 12-jarigen.’
Kansrijk adviseren
De doorstroomtoets kwam dit jaar in de plaats van de centrale eindtoets. De resultaten laten zien wat het niveau is van een leerling, als een objectieve second opinion bij de inschatting van de school. De adviezen pakken dit jaar gemiddeld hoger uit dan voorgaande jaren: het aantal dubbele havo/vwo-adviezen nam toe (van 11,9 naar 15,8 procent) en op het vmbo is een verschuiving zichtbaar van de beroepsgerichte naar de theoretische leerweg.
Dit valt te verklaren doordat scholen dit jaar verplicht zijn om ‘kansrijk’ te adviseren: als een leerling de toets beter heeft gemaakt dan verwacht, dan moet een school het definitieve advies naar boven bijstellen. Een vmbo/havo-advies wordt dan dus een havo-advies, tenzij een school kan motiveren waarom dit geen goed idee is.
In driekwart van de gevallen is het schooladvies inderdaad bijgesteld. Vorig jaar - toen bijstellen nog niet verplicht was - gebeurde dat slechts bij een derde deel van de betreffende leerlingen. Staatssecretaris Paul van Onderwijs concludeert dat de doorstroomtoets ‘dit jaar een nog sterker instrument is voor gelijke kansen bij het schooladvies dan in eerdere jaren’.
Maar medewerkers van vmbo-scholen en het praktijkonderwijs (afgekort pro) vrezen dat het effect van de doorstroomtoetsen de andere kant op doorslaat: die van overadvisering. Beide schooltypes kampen door de doorstroomtoets met dalende leerlingenaantallen. Zo is het aandeel praktijkonderwijsadviezen met bijna 12 procent afgenomen.
Uitzondering
Voor het praktijkonderwijs geldt een uitzonderingsmaatregel: scholen hoeven voor dit type onderwijs niet verplicht kansrijk te adviseren. Toch blijkt uit de rapportage van het ministerie dat 62,6 procent van de leerlingen met een voorlopig schooladvies voor praktijkonderwijs alsnog een bijstelling kreeg, en dus naar het vmbo gaat. ‘Ik krijg signalen dat scholen door ouders onder druk zouden zijn gezet om, ondanks de uitzonderingsregel, schooladviezen voor het praktijkonderwijs bij te stellen’, geeft staatssecretaris Paul als mogelijke verklaring.
Nicole Teeuwen, voorzitter van de Sectorraad Praktijkonderwijs, vreest dat deze leerlingen binnen afzienbare tijd alsnog op het praktijkonderwijs terechtkomen, omdat ze het vmbo niet aankunnen. ‘Dit heeft grote gevolgen voor hun motivatie en zelfvertrouwen’, zegt ze. ‘Deze leerlingen hebben minder veerkracht om uit deze situatie te komen dan leerlingen die zijn ondergeadviseerd en kunnen ‘stijgen’.’
Over de auteurs
Irene de Zwaan is nieuwsverslaggever van de Volkskrant, met als specialisme onderwijs. Jurre van den Berg is regioverslaggever van de Volkskrant in Noord-Nederland.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant