‘Blijf je?” vroeg een Zwitserse collega op een conferentie toen ik haar vertelde over ons nieuwe kabinet. „Ja, ik zal ten ondergaan met de rest”, zei ik zonder erover na te denken. Later vroeg ik me af waarom – ik kan niet zeggen dat ik me erg met Nederland identificeer, maar blijkbaar voel ik me toch verantwoordelijk. Er moeten mensen zijn die zich verzetten.
Verzet is ongrijpbaar. In onze samenleving is bijna alles een product geworden (zoals kennis, dieren en de natuur) en regeert de efficiëntie. Maar bij verzet weet je vaak niet of het zal slagen en soms zelfs zeker van niet. Toch moet het.
Hoewel verzet niet meetbaar is, moeten we wel nadenken over de verhouding tussen verzet en het systeem, om onderdrukkende machtsstructuren niet verder te versterken. Sommige vormen van verzet volgen het kapitalisme bijvoorbeeld naadloos – denk aan de discussies over de commercialisering van de Pride. En er is mensenverzet dat dieren verder onderdrukt. Veel schrijvende mensen voegen hun mening toe aan het debat, terwijl dat de logica van wij versus zij versterkt. Niet schrijven is geen oplossing, maar de vorm telt.
Er zijn verschillende soorten verzet. Sommige daarvan zijn langzaam, andere snel. Langzaam verzet richt zich op cultuurverandering. Denk aan wetenschappers die vanuit een feministische, dekoloniale of niet-antropocentrische houding onderzoek doen. Of aan schrijvers en kunstenaars die niet-menselijke wezens serieus nemen. Of aan rechtvaardige boeren. Zij bouwen een ander soort kennis op, en soms ook een ander soort gemeenschap, die hopelijk op een bepaald moment bestendig genoeg is om verandering te dragen. Snel verzet is dat van columns en snelwegbezettingen en sociale-mediahitjes – dat genereert woede en aandacht die snel vervliegt. Er kan natuurlijk ineens iets kantelen, maar snel verzet heeft het langzame verzet nodig om voet aan de grond te krijgen.
Zoals bij Thoreau – u kent hem van zijn hut in Walden. Thoreau betaalde geen belasting omdat hij de macht van een staat waarin slavernij legaal was niet erkende, en moest daarvoor de cel in. In Against Taxation schrijft hij dat de gevangenis de enige vrije plek is in een samenleving waar je niet voor hebt gekozen. Hij zat maar één dag gevangen, want zijn tante kwam langs om zijn boete te betalen. Dat vond hij jammer, maar hij zette zijn protest schrijvend voort, waardoor het anderen bereikte en inspireerde.
Er is ook een verschil tussen verzet en weigering. Wie zich verzet, biedt tegenstand binnen de bestaande maatschappelijk structuur; wie weigert keert zich af van de hele structuur. Denk aan mensen die in een commune gaan leven of een toevluchtsoord voor dieren opzetten. In A Feminist Theory of Refusal schrijft filosoof Bonnie Honig dat weigering en verzet samen een lus maken. Soms moet je je buiten de staat om organiseren om nieuwe manieren van samenleven uit te vinden, en dan moet je weer terug de maatschappij in om de strijd aan te gaan. Ik denk niet dat wie weigert altijd terug moet of kan keren. Niet iedereen overleeft dat (voor veel dieren is weigering hun beste kans). Maar uiteindelijk moeten we het met elkaar doen, daarin heeft Honig gelijk.
In elk geval is het niet genoeg om binnen het systeem verzet te bieden. Ik schreef hier eerder al dat een politiek systeem met vierjarige verkiezingen en partijen die vastomlijnde belangen en het grote geld vertegenwoordigen niet bestendig is, in een tijd van ecologische crisis en extreemrechtse macht. We hebben alternatieven nodig, zoals burgerberaden, luisterpraktijken en nieuwe publieke ruimtes. De taal kan ons hierin helpen, in gesprekken met elkaar en omdat we andere verhalen kunnen vertellen. Waarschijnlijk gaan we evengoed ten onder. Maar wel met opgeheven hoofd.
Source: NRC