Je moet er in elk geval altijd bij zeggen dat je voor geen enkele wielrenner je hand in het vuur steekt. Dus: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Pogacar schoon tegen de bergen op rijdt, maar ik steek, etc.’ Veilig voorbehoud, sta je niet te kijk als naïeveling mocht op enig moment blijken dat Pogacar toch aan de versterkende medicijnen heeft gezeten. Tom Dumoulin zei zondagnacht in De avondetappe dat hij voor geen enkele wielrenner zijn hand in het vuur zou steken – dus ook niet voor zichzelf. Voor Tom zou ik dan weer wél mijn hand in het vuur steken, ik geloof graag in het goede.
Na de beklimming van het Plateau de Beille van zondag is het thema doping terug. Heeft nóg lang geduurd, gezien het buitenaardse fietsen van Tadej Pogacar. In het wielrennen was je heel lang al verdacht wanneer je een wedstrijd won – zomaar een wedstrijd winnen, dat kon niet. Heel lang was dat trouwens ook zo, omdat het halve peloton gebruikte was de kans klein dat de winnaar brandschoon was.
Over de auteur
Bert Wagendorp is voormalig sportverslaggever van de Volkskrant, oprichter van wielertijdschrift De Muur en auteur van wielerroman Ventoux. Hij schrijft wekelijks een sportcolumn. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Verslaggever Michael Boogerd had het zondag bij het zien van Pogacar en Vingegaard opeens over ‘le cyclisme à deux vitesses’ – een regelrechte verwijzing naar de epo-jaren waarin hij zelf tot de snelle groep behoorde.
Ik was wielerverslaggever in de tijd dat Miguel Induráin heerste in de Tour (1991-1995). Hoewel hij nooit is betrapt, was Induráin een renner die epo gebruikte onder toezicht van de Italiaanse fysioloog Michele Ferrari – een zeer kundig man die alle grote renners uit die tijd bijstond en die, omdat Lance Armstrong later ook tot zijn clientèle behoorde, in 2012 levenslang werd geschorst.
Het was een moeilijke tijd voor wielerverslaggevers, want je naam als kritisch journalist stond voortdurend onder druk. Daarom stelden wij voor de zekerheid aan elke winnaar de vraag of hij de zege eerlijk en schoon had weten te behalen. (Het antwoord luidde altijd: ‘Zeker, eerlijk en schoon als een baby.’) Meer kon je niet doen, er viel niks te bewijzen en bij de suggestie van dopinggebruik begonnen ze al met de rechter te dreigen. De wielrenners zelf hadden overigens ook geen andere keuze dan liegen, de waarheid betekende einde carrière.
Nu er in het peloton coureurs rondrijden die minuten sneller tegen een berg op fietsen dan de grootgebruikers uit die donkere periode, steekt het wantrouwen weer de kop op. Dione de Graaff fronste zondag haar wenkbrauwen. Terecht, vond Dumoulin, gezien het ‘slechte verleden’ en het feit dat renners tegenwoordig niet meer lijken te weten dat ze na 15 kilometer klimmen op z’n minst de indruk van vermoeidheid dienen te wekken. Daar móéten vragen bij worden gesteld, vond Dumoulin. Pogacar en Vingegaard hebben het idee van ‘afzien’ totaal veranderd. Zo’n Pogacar denkt dat lijden hetzelfde is als een beetje hijgen, een licht verhoogde hartslag en even knipperen met de ogen. Zo is het natuurlijk niet. Een half uur aan het zuurstofapparaat, hartmassage en janken om je moeder, dat is lijden.
Enfin, laat ze in het wielrennen eindelijk een keer ophouden met die eeuwige katholieke zelfgeseling. Nee, er wordt geen doping gebruikt zolang het niet is bewezen. Ik steek voor elke wielrenner mijn hand in het vuur, net als voor Femke Bol en Sifan Hassan en al die andere zuivere topsporters.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant