Home

‘De linde is mijn lievelingsboom. Onverwoestbaar, ze wordt wel de levensboom genoemd’

Harm Detz is 100 jaar. Hoe kijkt deze bomenliefhebber aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

Harm Detz noemt zichzelf een geluksvogel. En dat terwijl de 100-jarige door keelkanker stemloos is geraakt. Hij praat via een apparaatje dat zijn stembanden versterkt. Voordat hij iets wil zeggen, drukt hij op een knopje in zijn hals. Met zijn mimiek en gebaren weet hij kleur en emotie toe te voegen aan zijn verhaal. Detz zou veel meer willen vertellen dan hem mogelijk wordt gemaakt, het spreken kost hem zichtbaar veel energie, maar hij wordt gedreven door zijn sterke wil zijn verhaal nog te doen.

Hoe is het voor u om uw stem kwijt te zijn?

‘Ik ben blij dat ik mij op deze manier nog kan uitdrukken. Zo praten kost mij wel veel inspanning.’

We doen het rustig aan, en kunnen pauzes inlassen.

‘Dat is goed.’

Bent u een geluksvogel of een pechvogel in het leven?

(Stralend:) ‘Een geluksvogel. Wat wil je, als je de leeftijd van 100 weet te bereiken. Dat is bijzonder en krijg je niet cadeau. Vroeger kwam je niemand tegen die zo oud was.

‘Ik heb altijd mijn verstand gebruikt: nooit meer dan één glaasje alcohol per dag gedronken en slechts af en toe een sigaar gerookt. Belangrijk in het leven vind ik samen met anderen optrekken, elkaar steunen en helpen in moeilijke tijden – en vreugde delen in goede tijden. Waar ik vandaan kom, deed je dat. Er zijn mensen die ervandoor gaan als het moeilijk wordt én mensen die ervoor kiezen er samen doorheen te gaan.

‘Ik heb de kansen gegrepen die ik kreeg aangereikt. Met mijn werk is het helemaal vanzelf gegaan. Mijn jaren tijdens de oorlog, die ik grotendeels in Duitsland doorbracht, zijn belangrijk voor mij geweest. Daardoor ben ik in de boomteelt terechtgekomen. Dat is een mooi vak.

‘Ook heb ik een lieve vrouw gehad en ben ik gezegend met zorgzame kinderen, die nu ik zo oud ben goed voor mij zijn. Mijn zoon die in de buurt woont, komt mij elke avond helpen met een maaltijd bereiden en dan eten we samen, terwijl hij nog een eigen bedrijf en gezin heeft waar hij druk mee is. Je kunt mij dus een echte geluksvogel noemen.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Ik ben geboren in het dorp Kolham, dat bij Slochteren hoorde, als oudste van vier kinderen. Na mij komen twee broers en een zus. Het onderlinge leeftijdsverschil was groot; mijn zus is onlangs op 76-jarige leeftijd overleden, ik ben de enige die over is.

‘Mijn ouders waren hardwerkende mensen, zelf heb ik ook altijd hard gewerkt. Mijn vader was lasser op een scheepswerf aan het Winschoterdiep in Foxhol, vlak bij Kolham, waar coasters van 500 ton werden gebouwd, die naar Engeland en Frankrijk voeren. Vanuit ons huis konden we de schepen voor onze neus gebouwd zien worden. Ik mocht soms met mijn vader mee naar de werf, dan stond je als jongetje op zo’n kolossaal schip in aanbouw. Gloeiend heet waren de klinknagels waarmee mijn vader onderdelen aan elkaar laste.

‘Mijn ouders stimuleerden hun kinderen zich te ontwikkelen en te studeren.’

Herinnert u zich nog een leraar of lerares uit uw jeugd, die indruk op u maakte?

‘Sam de Lange, mijn leraar Frans op de ulo. Hij rookte pijp in de klas. Iedereen had een 8 op zijn rapport voor Frans omdat hij zo bekwaam lesgaf. Een heel fijne man, die zijn leerlingen wilde helpen verder te komen. Hij gaf nooit strafwerk, dat vond hij zonde van je tijd. Hij was Joods, de Duitsers hebben hem opgepakt en vergast, in Birkenau.

‘Er was ook een NSB-leraar, die was niet te vertrouwen. Hij hield iedereen in de gaten, je moest uitkijken met je gesprekken, want kritiek op de Duitse bezetter briefde hij door. Hij verziekte de sfeer op school, ik vond het niet te harden en daarom ben ik met de ulo gestopt en bij een oom gaan werken die een groentekwekerij had. Daarnaast volgde ik avondonderwijs, want ik wilde leraar worden.’

U vertelde dat uw oorlogsjaren in Duitsland belangrijk voor u zijn geweest.

‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden jonge mannen opgeroepen voor tewerkstelling in Duitsland. Ze werden gekeurd bij het arbeidsbureau. In onze streek moesten ze zich melden bij het station van Groningen om vanuit daar naar een fabriek te worden gestuurd. Omdat ik op de groentekwekerij van mijn oom werkte, kreeg ik aanvankelijk uitstel voor tewerkstelling – zoals alle jonge mannen die in de voedselvoorziening werkten. Maar op mijn 18de kreeg ik toch ook een oproep. Ik dacht: ik moet zien te voorkomen dat de Duitsers mij tegen mijn zin ergens naartoe sturen, ik ga zelf een plek zoeken waar ik kan werken, net over de grens in Duitsland, zodat ik thuis kan blijven wonen. Kolham lag immers vlak bij de grens.

‘Van mijn oom wist ik dat er 15 kilometer over de grens een boomkweker was die iemand nodig had. Ik ging erheen en werd aangenomen. Ik werd er goed behandeld en kon elke dag met de trein op en neer naar huis. In Duitsland kocht ik brood en spek en nam dat eind van de week mee naar huis, daar was mijn moeder blij mee, want in Nederland was de voedselschaarste groter dan in Duitsland. Grenssoldaten zagen deze smokkel door de vingers, want op de terugweg nam ik voor hen tabak mee dat in Groningen werd geproduceerd, daarvan konden ze sjekkies draaien. In het begin smokkelde ik ook vaak briefjes de grens over van tewerkgestelde Nederlandse jongens, die ik via via kreeg, om zo de censuur te ontlopen. Maar toen de controles bij de grensovergang strenger werden, ben ik ermee opgehouden.’

Voelde het als dwangarbeid?

‘In feite wel, maar ik probeerde er iets van te maken. En leerde er het vak van boomkweker, zoals oculeren: het vermeerderen van planten op een onderstam. Ook leerde ik fruitbomen kweken, maar ik moest ook vaak schoffelen. Deze periode is belangrijk voor mij geweest, want dankzij dit werk werd uiteindelijk bedrijfstakdeskundige voor de boomteelt mijn beroep. Na de oorlog ging ik op een kwekerij in Zeeland werken, in de avonduren volgde ik de tuinbouwschool in Boskoop, ik was toen al getrouwd en had kinderen. Later kwam ik bij de NAKB, een keuringsdienst voor gewassen in de fruitteelt. De controles die ik deed, zoals op rassen en op ziekten, waren belangrijk voor de export. In de jaren vijftig werden steeds meer bestrijdingsmiddelen gebruikt, ook daar moest ik streng op controleren. Daarna ben ik bij het ministerie van Landbouw en Visserij gaan werken als voorlichter voor de boomteelt en in die functie groeide ik uit tot bedrijfstakdeskundige voor de boomteelt. Ik heb ook lesgegeven op de Middelbare Land- en Tuinbouwschool in Breda en de Boomteeltvakschool, ook in Brabant. Dus ben ik toch nog leraar geworden, mijn oorspronkelijke plan.’

Heeft u een lievelingsboom?

‘De lindeboom. Hij wordt levensboom genoemd en kan heel oud worden, wel 400 tot 500 jaar. Op boerderijen staan ze vaak afgebeeld boven de deur. Vroeger werd op pleinen onder de schaduw van deze boom recht gesproken. Linden zijn bijna onverwoestbaar en waardplanten, dus essentiële voedingsbronnen, voor bijen. Ook al zijn ze nog zo gehavend, ze blijven leven.’

Waar kunt u nog van genieten?

‘Van kleine dingen, van een vogel die ik zie langs vliegen, een paardenbloem in het gras. Dat uit een klein zaadje een prachtige bloem voortkomt, blijf ik zo wonderlijk mooi vinden. Ik volg het nieuws, lees het Brabants Dagblad en kijk naar de tv, ik weet dus wat er omgaat in de wereld. Het is een rare wereld, alles staat op zijn kop. Vaak denk ik: waar zijn we mee bezig, waarom doen mensen van die gekke dingen? Ik vermoed dat de meeste mensen niet in staat zijn te leren van het verleden omdat ze niet willen weten hoe het echt zit, de werkelijkheid niet aankunnen. Het is voor een samenleving belangrijk vertrouwen in elkaar te hebben, maar dat vertrouwen lijkt nu zoek.’

Wie was uw grote liefde?

‘Ik heb twee grote liefdes. Dirkje, de moeder van mijn vijf kinderen. En Jopie, met wie ik getrouwd ben na de dood van mijn vrouw. Ik was 86 toen we elkaar leerden kennen, Jopie 88 of 89, we waren dus flink op leeftijd.’

U was weer zo verliefd als een puber, vertelde uw zoon.

‘Ik ondervond dat verliefdheid nooit voorbijgaat. Ik kreeg weer dat echte pubergevoel van een eerste liefde; niet van elkaar af kunnen blijven en elkaar willen knuffelen en kusjes geven. Jopie en ik hadden ook mooie gesprekken. Op zo’n leeftijd heb je allebei veel levenservaring en een kijk op de wereld – dus veel om over te praten.

‘Mijn eerste vrouw Dirkje ontmoette ik in de jaren vijftig op de wandelclub in Breda. Het klikte meteen. Door de watersnood in Zeeland was ik uit Westkapelle vertrokken en naar Breda verhuisd, en woonde daar bij iemand in de kost. In Zeeland heb ik na de overstromingen veel land van telers onder water zien staan. De grond raakte verzilt, waardoor er geen gewassen meer op verbouwd konden worden. De overheid hielp met de ontzilting.’

Hoe bent u met tegenslagen in uw leven omgegaan?

(Hij spreidt zijn armen en kijkt voor het eerst ernstig:) ‘Het leven is niet altijd een lolletje. Eerlijk en betrouwbaar zijn, is het belangrijkste wat je kunt doen. Dat heb ik ook mijn vijf kinderen meegegeven – en die boodschap is volgens mij goed overgekomen.’

Harm Detz

geboren: 1 april 1924 in Kolham, Slochteren

woont: in een aanleunwoning in Moergestel

beroep: boomteeltdeskundige en docent boomteelt

familie: 5 kinderen, 4 kleinkinderen, 12 achterkleinkinderen

weduwnaar sinds: 2006 en 2014 (tweede huwelijk)

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next