Het leven: wat dachten we, wie waren we en hoe is het allemaal zo gekomen? Presentatrice Natasja Gibbs (44) heeft veel moeten overwinnen om haar levenslust terug te vinden.
Naam: Natasja Gibbs
Leeftijd: 44
Is: Journalist en presentator
Bekend van: Radioprogramma De Nieuws BV, talkshow Op1 en podcast Wiels de moordzaak
‘Ik zag er tegen op om mijn albums uit de berging te halen. Welke gevoelens uit mijn pijnlijke jeugd zou ik daarmee oprakelen? Maar op mijn jeugdfoto’s – vooral die achter dat bureautje – zie ik nog een vrolijk, onbezorgd kind, dat van aandacht hield. Ik had een eigen willetje en speelde graag luistervinkje bij de volwassenen. Toen mijn zusje en broertje werden geboren, leerde ik dat ik die aandacht moest delen. Ik was ook zorgzaam en ‘hielp’ mijn moeder graag met huishoudelijke taakjes. Op een foto van mij in de kleuterklas zie je dat ik wat uiterlijk betreft wel opviel in Hilversum. Mijn beste vriendinnetje was Turks. Ik kreeg pas door dat ik anders was dan de rest toen de klas zich als Sinterklaas of Zwarte Piet mocht verkleden, en ik niet de Sint mocht zijn omdat ik daar niet op leek. Dus besloot ik maar een tekening te maken van Sinterklaas, waarop de juf zei: ‘Die kun je niet meenemen naar huis, want jullie mogen dat niet vieren.’ Mijn ouders waren namelijk lid van de Jehova’s getuigen.’
‘Ik kan nu zeggen dat ik in een sekte ben opgegroeid. Ik leerde dat de wereld snel zou vergaan, dat God altijd toekijkt en ik eigenlijk geen vriendjes mocht zijn met ongelovige klasgenoten. Het vlammetje dat ik als onbezorgd kind had, doofde daardoor uit. Aan die tijd heb ik weinig leuke herinneringen. Ik mocht niets, en ook nergens naar vragen of over discussiëren. Ik moest thuis constant de-escaleren, bang dat ik anders slaag kreeg. Nu is geweld niet vanzelfsprekend in een sektarische omgeving, maar er speelden meerdere dingen tegelijk. Er waren grote financiële zorgen. Mijn ouders voelden zich ook eenzaam, omdat ze van Curaçao naar Nederland waren verhuisd. Als de Jehova’s getuigen dan aan de deur komen, voelt dat als een nieuwe, warme familie. Maar mijn vader was er mentaal slecht aan toe, waardoor hij uit het niets kon exploderen. Toen ik 7 was, mijn zusje 5 en mijn broertje net was geboren, zijn we met mijn moeder op de trein gestapt en gevlucht. We gingen van opvang naar opvang, bang dat mijn vader ons zou vinden.’
‘We kregen uiteindelijk een flatje in Kerkelanden, dat mijn moeder helemaal had ingericht voordat we er introkken. Dat voelde echt als een luxe. School was een fijne afleiding, want daar hoefde ik het niet over familie te hebben. Mijn zus en ik zeiden ook dat we voor elkaar zouden opkomen als iemand ons zou lastigvallen. Ik lette altijd op de groepsdynamiek, paste me aan en droeg eigenlijk een masker. Op één klassenfoto ben ik 15 jaar en draag ik vlechtjes. Ik zie hoe ongelukkig ik was, eenzaam aan het overleven. Ik nam ook geen vriendjes of vriendinnetjes mee naar huis, omdat mijn moeder, na alles wat er was gebeurd, nog steeds bij de Jehova’s getuigen zat. Hoewel ik op één kinderfoto als piloot verkleed ben, durfde ik niet te dromen over later. De ouderlingen die thuis langskwamen, wilden vooral dat ik me liet dopen, zo snel mogelijk ging trouwen en als zuster langs de deuren ging. Maar mijn moeder, die als bejaardenverzorger werkte, stimuleerde me gelukkig om te studeren, misschien omdat haar dromen nooit helemaal waren uitgekomen.’
‘Ik schreef vroeger voor de schoolkrant, en hield van lezen. Daarom ben ik de school voor journalistiek gaan doen, en daarna een studie psychologie. Studeren was voor mij een uitweg; ik ben ook direct uit huis gegaan. Toen begon mijn ontwikkeling pas. Ik heb ruim een jaar geen contact gehad met mijn moeder, maar uiteindelijk is zij uit de gemeenschap gestapt, en mijn zus en broer ook. Mijn vader is nooit hersteld van zijn psychische problemen. Om zelf te kunnen helen, kan ik geen contact met hem hebben. Ik ben gelukkig wel close met de rest van het gezin, maar vanwege hun privacy wil ik geen foto’s van ze publiceren. Ik deel liever foto’s van een roadtrip door Frankrijk en mijn uitwisseling in Barcelona, want daar verbreedde ik verder mijn horizon. Maar als beginnend journalist kwam ik moeilijk aan de bak, waar chefs vage redenen voor gaven. Ik ging daarom aan de slag bij een bureau dat reclames bedacht voor kinderen, maar dat voelde fout. Dus ben ik op mijn 29ste naar Curaçao verhuisd, waar ik onder andere voor de Wereldomroep werkte en later Caribisch Netwerkvan de NTR coördineerde.’
‘Mijn ouders spraken altijd over Curaçao als het moederland, en het voelde voor mij ook als thuiskomen. Als journalist deed ik verslag van rampen, schandalen en kabinetten die vielen. Ik volgde politici door de hele Cariben en schreef zelfs voor The Economist. Maar toen ik na vijf jaar terugkwam in Hilversum, werd al die ervaring niet serieus genomen, omdat Nederlandse media de eilanden vooral zagen als een corrupt vakantieparadijs, met af en toe een orkaan. Dus ik begon weer onderaan, bij radiozender FunX. Dat is een superleuke zender, maar ik hunkerde naar een hoger journalistiek niveau. Dus ben ik maar vanuit Nederland voor Caribisch Netwerk gaan werken. In plaats van weg te lopen voor mijn wortels en expertise, ben ik die gaan omarmen. Journalisten van kleur die aandacht besteden aan racisme en ongelijkheid worden vaak bestempeld als activisten. Terwijl ieders identiteit kleurt hoe je naar de wereld kijkt. Naast mijn werk voor De Nieuws BV presenteerde ik vorig jaar Keti Koti in Concert, met Edsilia Rombley. Begin dit jaar ging ik terug naar Curaçao voor de podcast Wiels de moordzaak, over de moord op politicus Helmin Wiels. ’
‘Rond mijn 40ste ben ik begonnen met boksen. Ik hou van sporten die mij adrenaline geven, maar ben tegelijkertijd ook een beetje bang. In het begin durfde ik geen klap uit te delen, omdat ik dat met het geweld van vroeger associeerde, ik moest daar zelfs van huilen. Maar boksen gaat veel meer over contact maken en elkaar diep in de ogen kijken. Daarom deel ik daar ook een foto van, omdat boksen me enorm heeft geholpen om confrontaties aan te gaan. Verder kan ik genieten van de kleine dingen. Dan zeg ik tegen mijn vriend Wessel, die ook in de media werkt, hoe blij ik ben dat we alles in de supermarkt kunnen kopen en een gevulde koelkast hebben. Soms ben ik bang dat ik ons geluk vervloek door het uit te spreken. Ik had nooit gedacht dat ik later zo’n bevoorrecht leven zou hebben en comfortabel in Amsterdam zou wonen. We hebben het soms wel over onze toekomstdroom: een eigen stukje land op Curaçao. Ik ben dol op de natuur en Wessel wil met zijn handen werken. Dan maakt hij meubels en wroet ik lekker de hele dag in de tuin.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant