Home

‘Buitenspel!’, zegt de VAR. ‘Let op de foutmarges’, zegt de wiskundige

Behalve voetballers als Lamine Yamal en Jude Bellingham, speelde ook de arbitrage een hoofdrol dit Europese Kampioenschap. De videoscheidsrechter riep regelmatig buitenspel op basis van een minuscuul stukje lichaamsdeel. Maar kan dat eigenlijk wel? ‘Wees eerlijk over de foutmarges, richting spelers en kijkers.’

Arme Romelu Lukaku. De Belgische spits trapte de bal dit EK voetbal liefst drie keer in het net. En drie keer juichte hij voor niks, omdat de videoscheidsrechter (VAR) de goal alsnog afkeurde. Eén keer wegens een contact van de bal met de arm die alleen de bewegingssensor in de bal opmerkte. En in twee gevallen wegens buitenspel dat geen menselijk oog had kunnen waarnemen.

Zo zagen televisiekijkers bij de wedstrijd tegen Slowakije een computeranimatie waarbij Lukaku met zijn knieschijf en het puntje van zijn teen buitenspel stond. Bij het vormen van dat bewijsbeeld komt flink wat technologie kijken.

Zo zit er in de bal een bewegingssensor die vijfhonderd keer per seconde een signaal doorgeeft, om zo het moment van de pass vast te leggen. Ondertussen hangen er camera’s die van elke speler 29 lichaamsdelen in de gaten houden. Belangrijk, want je kunt volgens de regels alleen buitenspel staan met lichaamsdelen waarmee je een goal kunt maken. Dus niet je hand of je elleboog, maar wel het uiteinde van je neus, voet of knie.

Arme Lukaku. Want waar de VAR-animaties op tv absolute zekerheid suggereren, wijzen diverse wetenschappers erop dat de technologie bij lastige buitenspelsituaties nooit perfect werkt. In een sport waar teams vaak maar met één goal verschil winnen, kunnen buitenspelbeslissingen voor miljoenen fans het verschil bepalen tussen diepe rouw en uitzinnige vreugde, carrières van spelers en trainers maken of breken, en enorme financiële gevolgen hebben voor clubs en landen.

Wat kan er misgaan, met al die technologie? Om te beginnen: het trekken van de lijn die bepaalt of iemand buitenspel staat, zegt Gerard Sierksma, emeritus hoogleraar wiskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, met een fascinatie voor sport en statistiek.

Over de auteur

Tonie Mudde is chef van de wetenschapsredactie van de Volkskrant en presenteert onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos.

Iedereen die weleens heeft geprobeerd een ingelijste foto horizontaal aan de muur te hangen, weet: dat ding hangt nooit helemaal recht, er is een foutmarge. Het trekken van lijnen in sportsituaties gaat een stuk nauwkeuriger, maar ook daar geldt een niet te verwaarlozen foutmarge.

Sierksma wijst op de beruchte fotofinish van de Tour de France in 2017, waarbij Marcel Kittel tot winnaar werd uitgeroepen. En dat terwijl het wiel van ‘nummer 2’ Edvald Boasson Hagen vrijwel tegelijkertijd over de finishlijn gaat. ‘Daar is dus een lijn op het asfalt gekalkt, die vervolgens door een computerlijn wordt overgetekend. No way dat die computerlijn precies op dezelfde plek ligt, daar zit een foutmarge in. Leg de lijn een beetje anders en ineens heeft Hagen gewonnen.’

Iets vergelijkbaars gebeurde bij de finish van de Amstel Gold Race in 2021, waarbij Wout van Aert werd uitgeroepen tot winnaar terwijl Tom Piddock vrijwel gelijktijdig zijn fiets over de streep trapte. Ook hier was de foutmarge dermate groot dat er volgens Sierksma maar één echte juiste beslissing mogelijk was: beide renners uitroepen tot winnaar van de etappe.

Bij buitenspel bij voetbal is de foutmarge groter, omdat de getrokken lijn niet op een vaste plek ligt, maar meebeweegt met bepaalde lichaamsdelen van de voorlaatste verdediger.

Het moment van passen is daarbij cruciaal, en ook dat valt nooit exact vast te leggen. Wetenschappers van de Universiteit van Bath tuigden een experiment op vol camera’s en passende voetballers. Vervolgens moesten proefpersonen aan de hand van de videobeelden het moment inschatten dat de bal de beslissende pass kreeg. Uitkomst: de proefpersonen waren gemiddeld zo’n 132 milliseconden te laat.

Dat lijkt misschien weinig, maar is volgens hoofdonderzoeker Pooya Soltani toch van belang bij een spel waarbij spelers razendsnel bewegen. De Nederlandse verdediger Micky van de Ven – een van de snelste profvoetballers – rent op topsnelheid ruim 37 kilometer per uur. In 132 milliseconden verplaatst hij zich dan ruim een meter en dat is veel in buitenspelsituaties.

Camerabeelden

Natuurlijk: de komst van een sensor in de bal die het moment van passen vastlegt, maakt de foutmarge weer kleiner. Maar waar de spelers zich op het moment van passen bevinden, wordt nog steeds bepaald op basis van camerabeelden die maar een beperkt aantal beelden per seconde schieten. Dat zijn er nu zo’n vijftig per seconde, wat bij hoge snelheden niet altijd honderd procent scherpe beelden geeft. ‘Dezelfde camerasystemen die vage korrelige beelden maken, juist op kritieke momenten, worden nog steeds gebruikt’, laat Soltani in een e-mail weten. ‘Hoewel ze die beelden vervangen door avatars van hoge kwaliteit, zijn de computers nog steeds afhankelijk van de korrelige video’s voor informatie.’

Over die avatars. Met behulp van camera’s die de spelers volgen, maakt de computer een animatie van de positie en houding van de lichamen van de voetballers op het moment van passen. Soltani wijst op beelden waaruit blijkt dat ook die technologie niet honderd procent accuraat is. Zo verdwijnt bij een animatie van een buitenspelbeslissing de voet van een van de spelers onder het veld. Wat meteen de vraag oproept: was het stukje knie dat zou aantonen dat de speler naast hem buitenspel stond dan wél precies op de goede plek ingetekend?

Sierksma hekelt de avatars wegens de ‘onduidelijke relatie met het voetbalveld, vooral voor de toeschouwer. De techniek heeft de op-het-veldrealiteit volledig verbroken. Fout!’

Camera’s die meer beelden per seconde schieten, kunnen de nauwkeurigheid van buitenspelbeslissingen volgens Soltani verder vergroten, al hangt daar wel een stevig prijskaartje aan. En het lost ook niet het fundamentele probleem op, waarschuwt emeritus hoogleraar Sierksma: er blijft altijd een foutmarge. ‘Daar moet je gewoon eerlijk over zijn, richting spelers en kijkers.’

De Groningse wiskundige stelt voor bij VAR-beslissingen over buitenspel een soort gedoogzone in te voeren. Je hebt de buitenspellijn die de VAR trekt langs de voorlaatste verdediger, en dan nog een extra lijn die de foutmarge weergeeft. Begeeft de aanvaller zich binnen die ‘gedoogzone’? Dan krijgt hij het voordeel van de twijfel. Begeeft hij zich erbuiten? Dan stond hij zeker weten buitenspel.

De eerste VAR

Nederland speelde een hoofdrol bij de introductie van de VAR. Met het project arbitrage 2.0 introduceerde de KNVB vanaf 2010 experimenten met doellijntechnologie, videoscheidsrechters en veel andere technologie die later gemeengoed werd bij voetbal op het hoogste niveau. De VAR heeft de sport overduidelijk eerlijker gemaakt, blijkt uit diverse onderzoeken. Zo analyseerden onderzoekers van onder meer de KU Leuven 9.732 ‘wedstrijdbepalende VAR-momenten’ in dertien landen. Uitkomst: door de ingreep van de VAR steeg de kans op een juiste beslissing van de arbitrage van 92 naar 98 procent.

Vergelijk het met de manier van werken bij snelheidsboetes, zegt Sierksma. Op een weg waar je maximaal 50 kilometer per uur mag rijden, krijg je pas een bekeuring als je volgens de meetapparatuur van de politie 54 kilometer per uur rijdt. Pas dan staat vast dat je te hard reed en dat het niet lag aan een meetonzekerheid.

Gedoogzone

Sierksma: ‘Met die gedoogzone krijgt de aanvaller vaker het voordeel van de twijfel, dus het zal ook tot meer doelpunten leiden. Dat komt het voetbal alleen maar ten goede.’

Of de internationale voetbalbonden oren hebben naar zijn idee? Zowel de Fifa als de Uefa reageert niet op vragen over hoe de arbitrage omgaat met de foutmarges. Een woordvoerder van de KNVB laat weten dat de VAR in Nederland gebruikmaakt van een onzekerheidsmarge van 10 centimeter, ‘juist om discussies over buitenspel met een teennagel te voorkomen’. Wanneer een aanvaller zich binnen de onzekerheidsmarge bevindt, uit zich dat op de VAR-beelden doordat de getrokken buitenspellijnen bij de positie van de aanvaller en de verdediger elkaar raken.

De 30 centimeter die Sierksma voorstelt, vinden ze bij de KNVB erg veel. ‘Dat kan een hele voet zijn.’

Diezelfde KNVB begint komend seizoen bij de Toto KNVB Beker met een proef waarbij scheidsrechters bij VAR-beslissingen een korte uitleg geven, zodat iedereen live kan horen hoe de arbitrage tot het oordeel is gekomen.

Zou de onzekerheidsmarge daarbij ook onderdeel worden van de communicatie? En hoe zou dat dan klinken? Misschien zo: ‘Na VAR-check is gebleken dat de aanvaller zich binnen de onzekerheidsmarge van de meetapparatuur bevond. Het doelpunt is dus geldig.’

Hoe de harde kern van thuis- en uitpubliek hierop zou reageren, is voer voor vervolgonderzoek.

Met dank aan Eric Goff, gespecialiseerd in de wetenschap van sport aan de Universiteit van Lynchburg in de Verenigde Staten.

Buitenspel: de regels

DEFINITIE

Een speler wordt bestraft voor buitenspel als hij zich in buitenspelpositie bevindt op het moment dat de bal wordt gespeeld of geraakt (bewust of onbewust) door een medespeler.

BUITENSPELPOSITIE

Een speler bevindt zich in buitenspelpositie als enig deel van zijn lichaam*:

- Op de helft van de tegenpartij is (de middenlijn telt hierbij niet mee) en

- Dichter bij de doellijn van de tegenpartij is dan zowel:

-> De voorlaatste tegenstander, inclusief de doelverdediger en

-> De bal

* De handen en armen van alle spelers (inclusief de doelverdedigers) tellen niet mee in de beoordeling van een buitenspelpositie.

De positie van de speler wordt beoordeeld op het moment dat de bal wordt gespeeld/geraakt door een van zijn medespelers.

(Bron: KNVB, vereenvoudigde spelregels)

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next