Slechts een paar duizend zaadcellen bereiken de finish. Maar die zijn opmerkelijk genoeg wel allemaal nodig voor de bevruchting.
Zaadcellen zijn projectielen zonder richtingsgevoel en daarom helpen ze elkaar vooruit, als renners in een wielerpeloton. Het wijdverbreide idee dat er tussen spermacellen een hevige concurrentiestrijd woedt en dat de snelste en fitste cel de race om de eicel wint, blijkt niet te kloppen: zaadcellen trekken samen op, houden elkaar uit de wind en kunnen zo hun snelheid opvoeren.
Bij de zaadlozing zijn ze met een snelheid van 45 kilometer per uur voor de ingang van de baarmoeder afgezet. Tweehonderd tot driehonderd miljoen exemplaren moeten op de tast hun weg zien te vinden, naar boven, naar de eileider, waar een rijpe eicel wacht, maar welke kant is dat op en in welke van de twee eileiders moeten ze zijn? Kansloos zouden ze zijn, als de baarmoeder en de eicel niet te hulp zouden schieten.
In de rubriek Lichaamsgeheimen vragen we artsen en wetenschappers naar de laatste inzichten over het menselijk lichaam.
De baarmoeder fungeert als een soort verkeersregelaar en duwt de zaadcellen de juiste richting op. In de wand zitten pacemakercellen die onder invloed van hormonen prikkels afgeven en de binnenste spierlaag laten samentrekken. Niet synchroon maar aan één kant ietsje sterker, zodat het spermapeloton de afslag neemt naar de juiste eileider. In die smalle schacht zwemmen ze de eicel tegemoet die door de eierstok is losgelaten.
De eicel is crowdsurfend op reis gegaan, meegevoerd door het slijm dat boven op de trilharen in de eileider zit. Onderweg geeft de cel een stofje af, een lokroep waarmee de dolende zaadcellen de juiste kant op worden getrokken. Heel snel gaat dat niet: zaadcellen leggen een centimeter per uur af, ze zijn minstens een halve dag bezig voordat ze de eicel tegenkomen. Ze kunnen dagenlang overleven en onderweg uitrusten in de plooien van het baarmoederslijmvlies.
Heel lang is gedacht dat de bevruchting plaatsvindt in de eileider, maar het zou ook goed kunnen dat de zaadcellen doorzwemmen, de eileider uit, de buikholte in en pas daar de eicel treffen, in het kleine waterplasje tussen eileider en eierstok. Dat heet een aquatische bevruchting.
Slechts een paar duizend zaadcellen bereiken de finish. Het overgrote deel raakt de weg kwijt of is te zwak. Maar die duizenden zaadcellen zijn opmerkelijk genoeg wel allemaal nodig voor de bevruchting. In het topje van de zaadcel zit een stofje dat de schil van de eicel afbreekt en bij dat hak- en breekwerk wordt opnieuw samengewerkt, de spermacellen zijn gezamenlijk aan het bikken. Welke zaadcel uiteindelijk naar binnen glipt? Dat lijkt een kwestie van willekeur.
Daarna valt de deur hermetisch in het slot. Twee stukjes eiwit op de buitenkant van de eicel vormen onmiddellijk een chemische verbinding waardoor een soort ritssluiting ontstaat. Daarmee trekken ze het vlechtwerk samen dat om de eicel zit, waardoor de celwand verhardt en ondoordringbaar wordt.
Over de auteur
Ellen de Visser is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft over medische ontwikkelingen en nieuwe geneesmiddelen.
Die rits is cruciaal voor de overleving, als twee zaadcellen tegelijk binnendringen dan wordt dat de eicel noodlottig. Althans, meestal. De gangbare theorie was dat tweelingen alleen kunnen ontstaan als een bevruchte eicel zich deelt of als twee eicellen worden bevrucht.
Maar die theorie is gelogenstraft nu artsen de afgelopen jaren een paar keer een semi-identieke tweeling hebben ontdekt, twee kinderen die wel het dna van de moeder delen maar niet het dna van de vader. In zeldzame gevallen kan een eicel kennelijk toch door twee zaadcellen worden bevrucht.
Honderden miljoenen zaadcellen waarvan maar een enkeling de eindstreep haalt, en honderden rijpende eicellen waarvan er meestal maar één de overtocht waagt. En geen garantie dat die twee elkaar op het juiste moment tegenkomen. Geen wonder dat de kans op een zwangerschap per menstruatiecyclus maar 20 procent is. De bevruchting is een behoorlijk inefficiënt proces.
Met dank aan: hoogleraar gynaecologie Dick Schoot (Universiteit Gent), hoogleraar gynaecologie Marlies Bongers (MUMC), arts-embryoloog Bernadette de Bakker (Amsterdam UMC).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant