Home

Een wetenschappelijke ‘match made in heaven’: kun je voorspellen wie een goed koppel vormen?

De wetenschapsredactie zoekt deze zomer antwoord op vragen van lezers. Vandaag: kan de wetenschap voorspellen of twee mensen een goed koppel vormen? Een spoedcursus dna-daten, synchroniserende hartslagen en dubieuze wetenschappelijke claims van matchmakers.

‘Veel plezier lady’s,’ zegt de goedlachse, 60-jarige blonde Anneke terwijl ze de eerste bal serveert. Ze staat op de tennisbaan met haar drie vriendinnen én een cameraploeg van Married at First Sight, om zich aan de kijker voor te stellen.

Waarom ze straks met een vreemde in het huwelijksbootje stapt? ‘Ik val op foute mannen, die mij keer op keer kwetsen. Goedgekleed, een vlotte babbel, een mooie auto, een leuke baan. Maar ze bedriegen me, of zijn getrouwd. (…) Het moet gewoon stoppen – laat de wetenschap er maar eens even naar kijken.’

Dat is precies wat het televisieprogramma belooft: de wetenschap raadplegen om een geschikte partner te vinden. Deelnemers zien elkaar voor het eerst bij het altaar – tussen het eerste contact en het jawoord zitten luttele momenten. Ze vallen vol vertrouwen in de armen van ‘de wetenschap’ en daarmee in die van elkaar.

Het is een aantrekkelijke belofte: in één keer ‘de ware’ vinden, geen blauwtjes meer lopen in de kroeg of met een gebroken hart achterblijven omdat na een paar maanden blijkt dat het tóch niet zo goed past. En misschien zou een wetenschappelijke formule voor succes in de liefde zelfs echtscheidingen voorkomen, denkt Rika van der Zee, die de Volkskrant deze vraag stuurde.

‘Overal om mij heen hoor ik over mensen die gaan scheiden’, schrijft Van der Zee. ‘Ik heb zelf een scheiding doorgemaakt en daar veel verdriet van gehad. Scheidingen ontwrichten mensenlevens, vooral bij kinderen. Het zou mooi zijn als je van te voren zou weten of je een stabiele relatie kunt hebben. Dat zou veel winst geven op welzijnsvlak, en daarmee veel kosten besparen voor de maatschappij.’

Bestaat er een formule voor gelukkige relaties? Voor de methodiek achter Married at First Sight verwijst een RTL-woordvoerder naar de laatste aflevering van het programma. Een matchmaker zegt daarin dat hij ‘seksuele wetenschap, psychologie, sociale wetenschappen, biologie en zelfs de geneeskunde’ raadpleegt om mensen aan elkaar te koppelen. Op de vraag op welke wetenschappelijke artikelen de matchmakers zich precies baseren, gaat de omroep niet in.

Hoe zit het met de prestaties van het programma? Is daaruit af te leiden dat de ‘Married’-matchmakers weten wat ze doen? Aan het einde van het laatste seizoen, in maart dit jaar, waren volgens RTL van de 50 stellen die sinds 2016 in het programma trouwden, nog 6 bij elkaar - een voorlopige successcore van 12 procent.

Van een leercurve lijkt geen sprake: 2 van de 6 huwelijken stammen nog uit de eerste twee seizoenen, daarna volgden vier seizoenen zonder succes, één seizoen met 3 doeltreffers en weer een seizoen zonder. Afgelopen seizoen bleef 1 stel bij elkaar.

Of 12 procent veel of weinig is, is lastig te zeggen. Vergelijk je het met het echte leven, dan is het weinig: 84 procent van de in 2010 getrouwde stellen was in 2020 nog bij elkaar, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Maar Married at First Sight is een geval apart: hoe vaak loopt een eerste ontmoeting met een potentiële partner nu uit op een huwelijk?

Dat lijkt niet te zijn onderzocht. Mogelijk is het minder dan 12 procent, maar dan is nog steeds niet zeker of dat relatieve succes aan ‘de wetenschap’ te wijten is: het kan ook zijn dat mensen meer hun best doen om een relatie op te bouwen als ze vanaf die eerste ontmoeting getrouwd zijn.

Gelijkenis

Ook datingsite Parship.nl, beweert te ‘weten welke aspecten belangrijk zijn voor relaties’. Nieuwe leden op het platform vullen een vragenlijst in, met vragen die variëren van ‘Waar zou je het liefste met jouw toekomstige partner willen wonen?’ en ‘Welke sport beoefen je?’ tot ‘Hoe reageer jij op liefdesverdriet?’ en ‘Drink je alcohol?’

In de vragenlijst zit ook een reeks abstracte afbeeldingen, waarbij de vraag steeds is: ‘Welke afbeelding spreekt jou gevoelsmatig het meeste aan?’ Na de test verschijnen potentiële partners in beeld, met een matchscore erbij: de mate waarin zij hun vragenlijst vergelijkbaar invulden.

Maar overeenkomstigheid of juist tegenstelling in karakters is niet wat een goede relatie maakt, zegt Esther Kluwer, hoogleraar duurzame relaties aan de Radboud Universiteit.

Kluwer werkte mee aan een in 2020 gepubliceerde analyse van 43 wetenschappelijke publicaties, waarin de eigenschappen van meer dan elfduizend koppels werden afgezet tegen hun tevredenheid over de relatie. Wat bleek: noch demografische kenmerken (zoals het soort opleiding of baan) noch interesses en voorkeuren (zoals politieke voorkeur) konden voorspellen of mensen gelukkig zijn in een relatie.

Uit ander onderzoek blijkt wel dat partners vaak op elkaar lijken: ze hebben bijvoorbeeld dezelfde politieke voorkeur, leeftijd en religie. ‘Dat komt enerzijds doordat we mensen ontmoeten in onze eigen kring, waardoor de kans groot is dat ze op ons lijken. En doordat we meer gaan lijken op mensen met wie we veel mee optrekken.’

Anderzijds vinden mensen gelijkenis ook echt aantrekkelijk, zegt Kluwer: ‘Soort zoekt soort. Het gevoel dat iets klikt, heeft veel te maken met het hebben van gelijke voorkeuren en interesses. Dat zegt alleen nog niks over de kwaliteit of het beloop van de relatie.’

Het beloop van relaties wordt vooral beïnvloed door andere factoren, zegt Kluwer. De eerste twee: context en individuele karaktereigenschappen. ‘We weten bijvoorbeeld dat relaties enorm lijden onder financiële stress. Of stel je voor: je bent net aan het daten en er breekt een pandemie uit. Dat kan ertoe leiden dat een relatie eindigt of juist in een stroomversnelling terechtkomt.’

‘Growth beliefs’

Karaktertrekken beïnvloeden hoe individuen binnen een relatie met dat soort gebeurtenissen omgaan, zegt Kluwer. Mensen die in hun jeugd ‘veilig gehecht’ zijn, zoals het in de psychologie heet als een kind een gezonde emotionele band ontwikkelt met een ouderfiguur, hebben bijvoorbeeld stabielere relaties.

Ook veerkracht, commitment en het hebben van ‘growth beliefs’, de overtuiging dat relaties groeien wanneer uitdagingen worden overwonnen, dragen bij aan stabiliteit. Kluwer: ‘Mensen met die eigenschappen zetten vaker door als het lastig wordt en komen relatiecrises vaker te boven.’

Best wel wat handvatten dus, voor wie vóór het beginnen van een serieuze relatie het kaf van het koren wil scheiden. Maar iemands jeugd onder de loep leggen op de eerste paar dates is nergens voor nodig, zegt Kluwer. ‘Als je na een paar maanden de eerste onenigheid hebt gehad, en merkt: daar zijn we goed uitgekomen, dan is dat een goed teken.’

Op eerste dates is het juist prima om te praten over Parship-achtige kenmerken, zoals interesses of hobby’s. Kluwer: ‘Niet omdat die zo bepalend zijn voor de relatie, maar gewoon om te zien of je iemands reactie leuk vindt.’

Want dat is de derde en belangrijkste component in een relatie, zegt Kluwer: interactie. ‘De manier waarop mensen op elkaar reageren, of ze goed kunnen praten en elkaar bijvoorbeeld grappig vinden, is niet te voorspellen op basis van karaktertrekken.’

Zweterige T-shirts

Wat voorspelt dan wél of twee mensen elkaar leuk vinden? Geur, vermoedden Zwitserse onderzoekers al in 1995. In hun beroemd geworden ‘zweterige-T-shirt-onderzoek’ kregen mannen de opdracht een aantal dagen hetzelfde T-shirt te dragen, waarna vrouwen die shirts in dozen kregen voorgezet, met de vraag: welk shirt ruikt het lekkerst?

Het idee hierachter: voor vrouwen is zwanger worden nogal een investering – het kan maar tijdens een beperkte periode in de maand, het is zwaar, risicovol en het duurt negen maanden. Mannen kunnen zich makkelijker voortplanten: die hoeven geen kind te dragen of te baren. Dus zouden vrouwen door de evolutie heen een extreem gevoelig reukorgaan hebben ontwikkeld, waarmee ze de meest geschikte partners opsnuffelen.

Daarbij zouden zij afgaan op de geur van mannen met een genenset die zoveel mogelijk van hen verschilt als het op de MHC-code aankomt, een set die betrokken is bij het afweersysteem. Handig, want als eventuele nakomelingen zoveel mogelijk verschillende afweergenen hebben, vergroot dat hun overlevingskans.

De onderzoekers vonden inderdaad dat vrouwen zich meer aangetrokken voelden door de geur van mannen met aan hen complementaire MHC-genen, en vonden dat later ook voor de aantrekkingskracht van vrouwengeuren op mannen.

‘Geen voorstander van dna-daten’

Jan Komdeur, hoogleraar evolutionaire biologie, die niet betrokken was bij het onderzoek: ‘Heel simpel gezegd: als iemand MHC 135 heeft, voelt die zich meer aangetrokken tot de geur van iemand met MHC 246 dan iemand met MHC 146, omdat die meer van elkaar verschillen.’

‘Dit effect werd niet gevonden bij vrouwen die hormonale anticonceptie gebruikten, zoals de pil,’ zegt Komdeur. ‘Je kunt je dus afvragen: kies je tijdens het gebruik van hormonale anticonceptie wel de juiste partner? Er zijn mensen die stoppen met de pil en zich daarna niet meer tot hun partner aangetrokken voelen.’

Dat MHC zo bepalend is, trekken andere wetenschappers in twijfel. Zo concluderen Tsjechische onderzoekers in een analyse uit 2020 dat er geen significant verband is tussen MHC-variatie en partnerkeuze. Er is meer onderzoek nodig, met grotere steekproeven, schrijven zij.

Komdeur ziet wel brood in de MHC-these – in elk geval in theorie. ‘Een nog ongepubliceerde heranalyse van die data door Claus Wedekind, de zweterige-T-shirt-onderzoeker, vindt wél een effect.’

Maar of mensen op basis van MHC-variatie ook succesvol gematcht kunnen worden? ‘Nog afgezien van de ethische bezwaren komt er bij een relatie natuurlijk veel meer kijken dan alleen een voordelige set genen. Dat iemand naar je luistert, bijvoorbeeld. Van dna-daten ben ik daarom geen voorstander.’

Op voorhand voorspellen of twee mensen bij elkaar passen, blijft dus lastig. Wat als mensen elkaar ontmoeten, of op een foto te zien krijgen? Valt er op basis van hun interactie iets te zeggen over de slagingskans als stel?

Mariska Kret, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, onderzocht die interactie met een speeddate-lab op Lowlands. Hartslag, elektrische huidgeleiding, oogbewegingen, glimlachen, hoe vaak deelnemers hun gezicht aanraakten – Kret en collega’s legden de kleinste interacties tussen datingpartners nauwlettend vast.

Verrassend genoeg zei de hoeveelheid glimlachen en het gevoel dat de ander je leuk vindt niets over de uitkomst van een date – of de partners bijvoorbeeld nummers uitwisselden.

Hartslag en huidgeleiding

Wat die uitkomst wél voorspelde: als de elektrische huidgeleiding en hartslag van datingpartners gelijk opliepen. ‘Denk aan de situatie waarbij de ene partner naar de ander glimlacht, en hun hartslag en huidgeleiding daarna ongeveer gelijk toenemen. Dat vergroot de slagingskans van de date’, zegt Kret.

‘Die bevinding impliceert dat de lichamen van datingpartners zich aan elkaar ‘koppelen’ en de sterkte van die koppeling de aantrekkingskracht beïnvloedt.’

Hoe die fysiologische tango in z’n werk gaat? ‘Dat weten we niet precies. Maar we vermoeden dat iets in het gezicht, zoals de pupilgrootte, blozen of minieme gezichtsuitdrukkingen, er onbewust toe leidt dat mensen op fysiologisch niveau synchroniseren’, zegt Kret. ‘Wanneer mensen elkaar niet konden zien, verdween het effect.’

Vooraf kregen sommige deelnemers een foto te zien van hun date, met de vraag: hoe aantrekkelijk vind je deze persoon? Wie z’n date op de foto wel zag zitten, vond diegene in het echt vaak ook aantrekkelijk. In die zin zijn datingapps als Tinder, waar het in eerste instantie om uiterlijk draait, dus best een goede manier om een partner te vinden, zegt Kret. ‘Als je elkaar hebt ‘geliket’ op Tinder, is de kans groot dat je elkaar in het echt ook aantrekkelijk vindt.’

Kret zou die apps willen verfijnen: ‘Voordat je iemand naar links of naar rechts swipet, zou je bijvoorbeeld in beeld zien verschijnen wat het zien van die persoon met jouw hartslag doet. Hoe meer van dat soort indicatoren, hoe makkelijker om een geslaagde date te organiseren.’

‘Dat is natuurlijk nog wel iets anders dan een gelukkig huwelijk’, zegt Kret. ‘Zoiets is niet te voorspellen, daarvoor spelen te veel factoren een rol.’

Maar iets van chemie is toch wel een randvoorwaarde, in ieder geval voor Anneke van Married at First Sight. Al tijdens de eerste ontmoeting met haar bruidegom – hun huwelijk – knapt ze af op zijn tanden. ‘Ik voel nul komma nul aantrekkingskracht’, zegt ze na de huwelijksnacht. Ze gaat nog wel met hem op huwelijksreis – die loopt uit op bonje. Niet veel later is de scheiding rond.

Hoe zit het met lhbti-relaties?

In de meeste deelnemersonderzoeken is één groep oververtegenwoordigd: witte, hoogopgeleide, heteroseksuele mensen uit rijke, democratische landen. Dat maakt bijvoorbeeld psychologisch onderzoek, dat vaak met deelnemers werkt, minder generaliseerbaar. Is de liefdeswetenschap ook van toepassing op lhbti-relaties?

‘Relatieonderzoek wordt gedomineerd door heterorelaties’, zegt Esther Kluwer, hoogleraar duurzame relaties aan de Radboud Universiteit. ‘Vaak zitten er wel een aantal niet-heterorelaties bij in een steekproef, maar zijn die groepen zo klein dat je op basis daarvan geen uitspraken kunt doen.’

Hoe klein of groot de groepen binnen een steekproef zijn, is in de meeste onderzoeken niet terug te zien: de woorden hetero- en homoseksueel worden in de aangehaalde onderzoeken in dit stuk bijvoorbeeld niet genoemd.

‘In de onderzoeken die er wél zijn, worden weinig verschillen in relatiedynamieken gevonden tussen hetero- en lhbti-relaties’, zegt Kluwer. Voor alle relaties geldt: niet zozeer de overeenkomstigheid tussen karakters en interesses is van belang, maar vooral individuele eigenschappen, de context en de interactie tussen mensen.

Bij die componenten spelen in lhbti-relaties wel vaak andere thema’s. Zo blijkt uit onderzoek dat een eigenschap als geïnternaliseerde homofobie bij een van de partners, en stress door het zijn van een minderheid negatieve invloed hebben op lhbti-relaties.

De geschiedenis van de zoen

Zoenen: wie heeft dat eigenlijk bedacht, eens even de lippen op die van een ander zetten, om verwikkeld te raken in een dynamische speekseluitwisseling?

In een onderzoek uit 2022, naar de mond-op-mondoverdracht van herpes in de bronstijd, suggereren de onderzoekers dat de zoen, die volgens hen rond 1500 voor Christus voor het eerst opdook in een Sanskriet manuscript, vanuit het noorden van India met de troepen van Alexander de Grote is meegereisd naar het Middellandse Zeegebied en zich zo heeft verspreid over verschillende culturen.

Maar een Deens koppel, beide wetenschappers, durfde te betwisten dat dit gebruik slechts één plaats van oorsprong heeft en ging op zoek naar sporen van de zoen in andere culturen. Die vonden ze: op een kleitablet uit Mesopotamië (tegenwoordig Irak en Syrië), zo’n duizend jaar ouder dan het manuscript uit India, speelt zich in spijkerschrift een seksscène af tussen twee Soemerische goden – Ninhursag en een onbekende mannelijke godheid. Ná de seks geeft hij haar een zoen.

‘Dat komt vaker voor in Soemerische teksten’, zegt een spijkerschriftonderzoeker, die allang wist dat de zoen geregeld voorkomt op kleitabletten uit Mesopotamië maar daar verder geen aandacht aan schonk, tegen The New York Times. ‘Het lijkt wel alsof het in die tijd een soort ‘naspel’ was, in plaats van voorspel.’

Het stel zoenonderzoekers ziet het kleitablet als een teken dat de zoen niet abrupt opdook, schrijven zij in Science, maar onderdeel is geweest van verschillende culturen door de geschiedenis heen. En misschien wel teruggaat naar heel verre, aapachtige voorouders. Chimpansees en bonobo’s, onze nauwste levende verwanten, zoenen namelijk ook.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next