Eigenlijk wilde Nico Dros na Willem die Madoc maakte nóg een boek over de Middeleeuwen schrijven. Het liep anders: Eiland van gisteren is een bundel met montere, Texelse verhalen geworden. ‘Een trofee na een periode van misère’, vertelt hij dwalend over het eiland van zijn jeugd.
Het is een oerdrift, zegt schrijver Nico Dros. Altijd keert hij terug naar Texel, het eiland waar hij werd geboren, zijn jeugd doorbracht en dat het ruige en idyllische decor vormt van verschillende van zijn romans.
In een scène in zijn nieuwe boek Eiland van gisteren zie je hem lopen als jongen van een jaar of 7, 8, samen met zijn broer Jaap door de weilanden om de boerderij op Harkebuurt, onder de rook van Oosterend. ‘Er was die dag veel regen gevallen maar aan het einde van de middag was de zon eindelijk doorgebroken. Laat licht streek over het natte gras, oneindig veel druppels twinkelden in de ondergaande zon. Dit wonder van vage nevels, oplichtend gras en geurende veldbloemen had ons naar de weide gelokt, en daarover liepen we als in een droom.’
Over de auteur
Onno Blom schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
Verderop ligt, aan het uiteinde van een volgestroomde greppel, een kleine poel met een beweeglijke, zilverachtige waterspiegel. Nieuwsgierig buigen zij zich voorover en zien dat het er krioelt van het leven. Allemaal palingen. Niek wil thuis al emmers gaan halen om ze te vangen, maar Jaap wil daar niets van weten. Die palingen zijn over land op weg naar de Waddenzee, zegt hij. Vandaar ondernemen ze een trektocht over de oceaan. En in de diepzee vlak bij Cuba maken ze nieuwe aanwas. De larven komen weer met de oceaanstroming naar het eiland drijven. Daar zijn het kleine aaltjes geworden.
‘Ik heb er’, zegt Nico Dros (68), ‘laatst nog een paar gevonden op het Noordzeestrand, van die kleine glasaaltjes. Ik heb ze terug in zee gezet, anders verdrogen ze.’ Hij zet een paar dampende koppen koffie op de keukentafel in het huis van Vreni, de weduwe van zijn vorig jaar overleden broer Jaap, midden in een weelderige boomgaard. De schrijver neemt hier een paar weken de honneurs waar.
Nico Dros is historicus en schrijver van verhalen, romans, essays en historische non-fictie. Zijn vorige boek, Willem die Madoc maakte (2021), werd genomineerd voor De Boon, de Libris Literatuurprijs en de Prozaprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren. Tijdens het schrijven van Eiland van gisteren, dat deze week is verschenen, verkeerde hij in ‘deplorabele omstandigheden’, vertelt Dros: ‘Darmkanker, een operatie, uitzaaiing, chemotherapie.’
U keek de dood in de ogen.
‘Ik voelde Magere Hein aan me snuffelen. Ik was bezig met een nieuwe middeleeuwse roman. Niet eentje die speelde in de 13de eeuw, zoals Willem die Madoc maakte, maar omstreeks het jaar 700, donkere tijden zonder schrift. Dat was me te zwaar, dat trok ik gewoon niet meer.
‘Er waren Texelse verhalen die ik nog wilde schrijven. Dat lukte wel. Daar kon ik een paar uur per dag aan werken. Liggend op de bank bleef ik erover nadenken. Ik dacht eerst aan een lieflijk boekje van tachtig pagina’s, maar er kwam steeds een verhaal bij. Het is een monter, zomers boek geworden. Nu heb ik een kleine trofee, na deze periode van misère.’
Is het niet tijd om definitief terug te keren naar het eiland?
‘Nee, ik denk het niet. Ik ben hier vaak genoeg. Het eiland wordt een beetje onder de voet gelopen, net als Amsterdam overigens, waar ik al zo’n vijftig jaar woon. Het gevolg is dat je niet meer echt een plek hebt waar je je geborgen voelt. De boerderij op Harkebuurt vond ik een heel fijne plek om op te groeien. Ik speelde veel in het land, was de hele dag buiten. Ik ben niet naar de kleuterschool geweest. Dat hoefde allemaal niet.’
Heeft u altijd geweten hoe belangrijk Texel voor u was?
‘Het was 1965. Ik was 9. We hadden net voor het eerst televisie op de boerderij. Er kwam een familie in beeld, met zo’n tandpastaglimlach, en die scheepte zich in voor de emigratie naar Australië. Voor 100 gulden kon het hele gezin over. Mijn vader zag dat wel zitten, die werd er megalomaan van. Hij zag zichzelf al in een helikopter over zijn landerijen vliegen om te zien of er geen rund van de kudde was afgedwaald.
‘’s Nachts lag ik er wakker van, mijn broertjes ook. Dus wij gingen lobbyen bij mijn moeder. In die tijd betekende emigratie dat je nog maar één keer terugkwam, voor de begrafenis van je ouders, en dat was het. Mijn moeder Neeltje, een felle vrouw, zei tegen mijn vader: ‘Ga jee mâar allíen. Ik bluuf tuus met me kienders.’
Het ging niet door.
‘Gelukkig niet. Die ouwe was het type koelak. Die kon evengoed zijn ei wel kwijt, bouwde een groot bedrijf op. Hij verwierf bijna honderd bunder land, had loonarbeiders in dienst, begon een aannemersbedrijf. Hij zat flink in de handel, deed aan slopen. Er kwam iedere keer iets bij, maar de kern bleef de boerderij. Mijn broer Werner – nummer vier, de eerste drie waren ongeschikt – heeft het bedrijf nog groter gemaakt en onlangs heeft zijn zoon Sijb het overgenomen. Kom, we gaan erheen.’
We rijden tussen de uitgestrekte groene weiden noordoostwaarts richting Oosterend. Dan draaien we het erf op en parkeren tussen twee bedrijfswagens waarop staat te lezen: ‘Dros / Grondverzet’. ‘Mijn familie staat ook na de oorlog nog aan de goeie kant’, grinnikt de schrijver. Hij loopt een stal in en krabt een grote, vaalgrijze stier op zijn kop. ‘Schitterende beesten, mijn vader had al Piemontesers.’ Hij wijst op een nieuwe stal in aanbouw. ‘Ze krijgen wel meer stallen, maar niet meer koeien. Het zijn zoogkoeien, ze kunnen zo vanuit de stal met hun kalf het land op.’
Is er veel veranderd?
‘Ik kan me nog herinneren dat er naast het erf een hooiklamp stond. Al het hooi werd met de vork opgetast. Later kwamen die hooipakken van 25 kilo bestemd voor het hooivak in de schuur. Nu heb je hooipakken van 500 kilo. Zoek maar dekking als er een van de wagen rolt, want als je eronder komt, ben je hartstikke dood.
‘Als jongen van 17 was ik razend verliefd op een Indisch meisje in Den Helder, zo verliefd dat ik Den Helder ineens een fantastisch mooie stad vond die in een soort gloed gehuld was. Daar gloorde het. Een soort lichtnevel. Ik was gewoon een vervelende, verliefde ezel. Heb nooit met haar in het hooi gelegen.’
Waarom bent u vertrokken?
‘Op een gegeven moment gingen al mijn vrienden studeren. Zo ben ik op mijn 18de ook van het eiland af geraakt. In mijn eentje zou ik niet zijn gegaan. Ik dacht: als ik hier achterblijf, dan drink ik mezelf dood. Dan word ik een wous, een dwaas.’
Het komt ook voor dat je op het eiland niet kan aarden. Uit uw historische essay over de 19de-eeuwse dominee Jacob Huizinga blijkt dat hij zich op Texel altijd een vreemde is blijven voelen.
‘Haha ja, maar Huizinga maakte het er ook naar! De dominee wilde, zo blijkt uit zijn dagboek, zijn gemeenteleden stichten en opvoeden, van de drank afhouden, ontucht en strandroof tegengaan. Bij elke storm gingen de mannen naar de Noordzeekust, waar de schepen te barsten sloegen. Aangespoelde wrakken werden geplunderd. Dat mocht niet van de dominee, maar de mensen deden dat uit nood, ze waren doodarm. Het gewone volk liet zich niet vermanen, maar ook notabelen waren stroef met Huizinga.’
Hoe was het, toen u op de vaste wal ging studeren?
‘Ik had zin in de studie geschiedenis, maar ik voelde me in Amsterdam erg ontworteld. Juist dat zorgde ervoor dat ik met enorme kracht ging lezen en studeren, discussiëren tot diep in de nacht. Al die Texelse migranten zochten elkaar daar op. Je had in Amsterdam panden waarop stond: ‘onbewoonbaar verklaard’. Maar daar kon je dus heel goed wonen. En ze kostten niks.’
Waarom koos u voor geschiedenis?
‘We hadden op de lagere school een boekje in twee deeltjes van S. van der Werff en A.H. Woudstra dat heette Wat het hunebed vertelde. Een zwerver met een mooie viool gaat tegen een hunebed zitten om even uit te rusten. Dan valt hij in slaap en in zijn droom fluistert het hunebed hem het hele geschiedverhaal in, van de velden vol oerossen tot het heden.
‘Ik vond het prachtig, heb het boekje herlezen toen ik als student in een enorme crisis verkeerde, vanwege al die wetenschappelijke claims over het geschiedschrijven, al die diagrammen en grafieken, het leek wel of we rapporten voor het Sociaal Economisch Planbureau moesten produceren. Terwijl het mij ging om het verhaal.’
Dus besloot u schrijver te worden.
‘Ik zou eigenlijk carrière maken in het vak. Er was een professor die in mij geloofde, specialist in de geschiedenis van Zuidoost-Azië. Ik begon aan een promotieonderzoek, ging zelfs naar het koloniale archief in Jakarta, maar dat leverde niet op wat ik wilde. Uiteindelijk ben ik niet gepromoveerd. Jaren later heb ik over mijn onderwerp, het eiland Java tussen 1600 en 1950, de bundel Het angstzweet der kolonialen geschreven.
‘Rond 1990 botsten in mijn hoofd een paar elementen op elkaar. Ik had voor mijn doctoraal onderzoek gedaan naar geïsoleerde Drentse dorpjes. Ik stuitte in familiearchieven op de brieven van zonen en dochters uit aristocratische families, uitgewaaierd op grand tour door Europa, aan hun ouders. En ik las een boek van Carlo Levi over de verbanning van een politieke delinquent naar een Italiaans bergdorpje ten tijde van het fascisme.
‘Plotseling zag ik mijn verhaal voor me. Daar was Christiaan Boddaert, een aristocraat met een sprankelend gemoed, die na het schrijven van een opruiend pamflet tegen de Fransen in 1810 wordt verbannen naar een gehucht op Texel: Noorderburen. Op de kaart zul je het niet vinden, maar ik wist meteen hoe dat haveloze vissersdorpje met zijn armzalige inwoners eruit moest hebben gezien. Op de kop van het eiland, op een schiereilandje in zee, een uitloper van de Slufter.’
U vertrok van het eiland om te gaan studeren, maar de verbeelding voerde u terug naar Texel.
‘Mijn schrijverschap heeft met ontworteling te maken. Als jongen was ik wel vaardig met de pen, maar ik was nog niet gedreven. Je hebt wel schrijvers die beweren dat ze op hun 9de al Homerus hebben gelezen, maar ik had daar toen nog niet de rust voor. Toch was lezen en schrijven in ons boerengezin belangrijk. Dat kwam vooral van moeder Neeltje.’
Heeft u vanaf 1991, toen uitgeverij Van Oorschot uw debuut Noorderburen uitgaf, van de pen geleefd?
‘Ik heb in grote soberheid geleefd. Het voelde niet als armoede, want je kon in die tijd nog voor 9 gulden een aardige fles jenever kopen. Toch is het allemaal goed gekomen. Ik geef les aan de Schrijversvakschool en goddank hebben we het Letterenfonds. Ik had het geluk dat mijn vader en moeder hun kinderen tussentijds al wat geld gaven. Daar kocht ik mijn eerste kleine appartement van, in Amsterdam. Sinds 1996 woon ik ruimer, ook in Oud-West. En dan heb ik hier nog mijn schrijfhut.’
We rijden naar de stacaravan van Nico Dros op de Bremakker, tussen hei en bos. ’s Morgens om zes uur gaat hij daar dikwijls, in dat tussengebied, op een bankje zitten om in de stilte de nieuwe dag af te wachten. Schrijven doet hij tegenwoordig, na een paar handgeschreven notities in een schrift met harde kaft, ‘blinde paniek als het schrift kwijt is’, rechtstreeks op de laptop.
‘Vroeger schreef ik de eerste versie van manuscripten met de hand, maar sinds een potje voetbal op een Texels feestweekend ben ik daarmee gestopt. Ik stond in de goal en hield het kogelharde schot van een oud-AZ-speler tegen. Maar daarna hing mijn linkermiddelvinger er vreemd bij. Schrijven met de hand ging toen niet meer, tikken nog net wel.’
Grote delen van zijn romans schreef hij hier. Oorlogsparadijs, over het laatste slagveld van de Tweede Wereldoorlog dat op Texel woedde, toen een bataljon Georgiërs, krijgsgevangen en ingelijfd door het Duitse leger, in opstand kwam. En Willem die Madoc maakte, de wervelende roman over de Middeleeuwen, waarvoor hij het mysterieuze personage Madoc leven inblies. ‘Die had móéten bestaan’, zegt hij. ‘Voor een historicus is het ergerniswekkend als de bronnen zwijgen, maar voor mij als schrijver is het een zegen. Dan kan ik het verhaal kneden zoals ik wil.’
We gaan door de duinen naar zee en lopen ter hoogte van paal 12 een strekdam op. Meeuwen vliegen krijsend op. ‘Deze strekdam is nog door mijn familie aangelegd. Een zeer precies werk, met zinkstukken en grote stenen, door hijskranen neergelegd tijdens laag water, en daarna overgoten met gietasfalt. ‘Prachtwerk’, vond mijn broer Werner.’
In Willem die Madoc maakte wordt in het vroege voorjaar van 1196 een bijzondere vangst gedaan aan de Noordzeekust. Vissers op het strand zien een schip in de branding vergaan. Plotseling meent iemand een kind tussen de schuimkoppen te zien. ‘Hij zag toen ook wat er aan de hand was: een enorme bruinvis had het kind, dat de rugvin met zijn handjes krampachtig beethield, naar de kust gebracht.’
Nico Dros knijpt zijn ogen samen tegen de zon en speurt de zee af. ‘Ik zie het voor me’, zegt hij. En zwijgt.
Nico Dros: Eiland van gisteren – Verhalen over Texel. Van Oorschot; 174 pagina’s; € 21,50.
Nico Dros (Harkebuurt op Texel, 7 maart 1956) studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam en debuteerde in 1991 als schrijver met Noorderburen. Daarna schreef hij onder andere de romans Ter hoogte van het Salsa-paviljoen (1999), Oorlogsparadijs (2012) en Willem die Madoc maakte (2021). In 2002 was hij een van de oprichters van de Schrijversvakschool, waar hij sindsdien lesgeeft.
Zijn nieuwe boek, Eiland van gisteren, bevat weemoedige en zinnelijke Texelse verhalen, die de lezer terugbrengen naar een kleine rustieke samenleving zoals die ruim een halve eeuw geleden nog bestond.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant