Tot Gers verbazing lijkt Jacobien hem helemaal niet leuk te vinden wanneer ze elkaar ontmoeten op een reis naar Schotland. Toch trekken ze na verloop van tijd naar elkaar toe.
‘Ik zat tegenover haar op het dek van de veerboot naar Schotland, een blond meisje met prachtige, lange benen, zo introvert dat ze genoeg leek te hebben aan zichzelf. Het was 1981, ik was 19 en wist precies hoe ik meisjes aan het lachen moest maken. Maar dit mooie 17-jarige meisje lachte niet, hoe ik ook mijn best deed. Soms keek ze me aan alsof ze dacht: is dit grappig? Denk je echt dat je leuk bent? En dan was het of ze helemaal niet op deze klotsende boot wilde zijn, helemaal geen zin had in deze jongerengroep van wie de leiding bestond uit een hippie op leren sandalen en een humorloze vrouw die geen van beiden leken te begrijpen hoe je sfeer brengt in een groep onbekenden.
Zomerliefde is de zomerse rubriek van Corine Koole waarin door beide lovers herinneringen worden opgehaald aan een zomerse liefde van kort of langer geleden.
‘Na het klassieke namenspel verdween ze die eerste avond vroeg naar bed, ze had last van zeeziekte, een excuus dat ze met graagte aannam. Zelf zat ik daar met iets meer overtuiging. Ik had de maanden ervoor te ruig geleefd, met veel blowen en drank, en ik wilde de reis gebruiken om tot mezelf te komen; al deed ik met mijn hoge spijkerbroek, bretels en kistjes mijn uiterste best om mijn imago als antikampeerder veilig te stellen. De volgende dag, in de trein naar het noorden, zat ik opnieuw tegenover haar. Buiten veranderde het landschap en begon het te regenen. Maar tussen ons bleef alles zo’n beetje hetzelfde. Vind mij leuk, riep ik in gedachten, een beetje verbaasd en zelfs verontwaardigd dat het niet allang gebeurd was. Maar zij bleef haar koele zelf.
‘Eenmaal op onze eerste kampeerplek zetten we met z’n allen schots en scheef de tenten neer, boven op een kale, groene berg zoals je die alleen in Schotland hebt. Hoe het zo uitkwam, weet ik niet meer, maar zij en ik sliepen samen met iemand van de leiding in dezelfde tent. Niet dat ik daar ook maar enige opwindende verwachtingen bij had, ik wist allang dat er tussen haar en mij nooit iets romantisch zou gebeuren. Ze negeerde hooghartig ieder signaal, elke toenadering wees ze af. Maar gelijktijdig gebeurde er nog iets anders: we vonden elkaar in het observeren van de anderen, we maakten ons vrolijk over de andere jongeren die pochten over de afstanden die ze aflegden en vrijwillig nog een bergtopje namen als wij al lang voor de tent zaten. We lachten om de leiding, die ene hippie dus, met zijn bergschoenen bungelend aan zijn rugzak.
‘En ’s ochtends als de tenten weer moesten worden opgebroken en iedereen zich haastte, treuzelden wij net zolang tot de boodschappen al door anderen werden gedaan, en tegen de tijd dat we weer met z’n allen naar de volgende plek liepen, sjokten wij er als laatsten achteraan. Ze had dan weliswaar eerst niet om mijn grappen gelachen, maar ze had wel humor en op een of andere manier vond ik haar nabijheid kalmerend. Het was eigenlijk ook wel prettig om me niet te hoeven aanstellen om aardig gevonden te worden. Wij waren de buitenbeentjes binnen die groep, dat bond ons. En om het samen leuk te hebben, hoefde ik niks, alleen maar naast haar te lopen door de klamme hooglanden.
‘Op een nacht werd ik ziek van iets wat ik had gegeten, mijn slaapzak zat onder het braaksel. Zij bood mij een plekje aan naast haar in haar slaapzak, met een vanzelfsprekendheid die zo aanstekelijk was dat ik eigenlijk geen seconde verrast was. ‘Wil je bij mij liggen?’ ‘Ja, goed.’ Dat waren alle woorden die voorafgingen aan dat warme begerenswaardige plekje tegen haar aan. De Schotse nachten zijn ook in de zomer best koud, dus de rits ging dicht, wat betekende dat we niet alleen dicht tegen elkaar lagen, maar ook dat we ons allebei tegelijk moesten omdraaien. En als we even met onze gezichten de andere kant op wilden liggen, rolden we over elkaar heen. Ik wilde haar wel zoenen, maar deed het niet. Eén keer heb ik voorzichtig haar gezicht gekanteld, en haar mond naar de mijne gedraaid, onze lippen raakten elkaar vluchtig en daar bleef het bij. Ze was zo stellig in haar gereserveerdheid. Ik was bij haar in de buurt, dat was goed, daar moest ik het mee doen.
‘Pas later realiseerde ik me hoe weldadig dat gebrek aan begeerte was. Want juist omdat ons contact die geijkte jongen-meisjedynamiek miste, kon dit zich veel gelijkwaardiger ontwikkelen. Aan het einde van de vakantie, terug in Nederland, toen we op punt stonden om afscheid te nemen, zei ze ineens: je kunt vannacht ook bij mij blijven. Samen namen we de trein naar het huis waar zij met haar moeder en broers woonde. Toen we binnenkwamen zei ze: mam, dit is Ger, hij blijft slapen. Die nacht lagen we kuis in haar grenenhouten ledikant: het wonderlijke begin van een relatie die nu al meer dan veertig jaar duurt. Nog altijd vind ik het bijzonder dat wij er half onbewust op vertrouwden dat al die grote en kleine elementen waaruit een relatie uiteindelijk is opgebouwd, er niet allemaal meteen al hoeven te zijn. Ook in dat meisjesbed hadden we geen haast met seks en zoenen, het was alsof we begrepen dat we samen nog jaren de tijd hadden. Ik ben blij dat onze liefde stap voor stap mocht groeien en dat wij onszelf daarvoor de tijd hebben gegeven. Het is een stevige basis gebleken.’
‘In 1981 was ik 17 en intens onzeker over mijn veel te lange benen en mijn grote borsten. Mijn wereld thuis was gereformeerd en klein: mijn nichtjes waren tegelijk mijn beste vriendinnen en mijn oudere broers lachten om me. Toen ik na een tragische verliefdheid in de zomervakantie het huis niet uit te branden was, zei mijn moeder: hup, naar Schotland jij, op wandelvakantie met leeftijdgenoten zal je goed doen. Op het dek van de ferry van Hoek van Holland rook het zwaar naar teer, tussen alle anderen zag ik een jongen zitten met blonde krullen, een spijkerbroek, vreemde dikke zolen onder zijn schoenen en praatjes voor tien.
‘Geïrriteerd vroeg ik me af hoe iemand zich zo snel op zijn gemak kon voelen tussen allemaal wildvreemden. Voor mij was de week die komen ging een plicht en die eerste avond was ik blij dat ik misselijk van de zee vroeg naar bed kon gaan. In mijn hoofd was ik hem een aansteller gaan noemen, maar toen hij vertelde dat hij een opleiding deed tot groepsleider van een kindertehuis, begon het ijs te breken; ik deed zelf iets soortgelijks en langzaam trokken we naar elkaar toe. We maakten grappen over de incapabele chagrijnige leiding, het meisje met haar papieren wegwerponderbroeken en die ene jongen met zijn eeuwige gepuzzel aan zijn Rubiks kubus. We voelden ons verbonden.
‘Van verliefdheid was geen sprake, er gebeurde iets veel beters. Verliefdheid gaat gepaard met felle onrust, wat ik voelde was rust. Ik was verlegen, het soort meisje dat zich vaak had afgevraagd of er ooit iemand zou komen die haar om verkering zou vragen, dat zich voorstelde hoe het krijgen van verkering de poort naar een nieuwe wereld zou zijn. Ik had het hebben van een vriendje tot een haast onbereikbaar ideaal gemaakt, maar bij hem voelde ik al die spanning niet, bij hem was ik op mijn gemak, iets wat ik nog niet eens met mijn broers had meegemaakt. Ik vroeg me niks af, niet of hij mij goed genoeg zou vinden voor altijd, want er was geen altijd, na deze week zouden we elkaar nooit meer zien.
‘Na de zomer zou ik op kamers gaan wonen, de wijde wereld lonkte, al vond ik het ook eng. En nu was ik zomaar bevriend aan het worden met deze zelfverzekerde blaaskaak, die vertelde veel te hebben gedronken en geblowd en die moest lachen toen ik zei dat ik daar niks aan vond. Langzaam begon ik me trots te voelen op de aandacht die hij me gaf. Op een keer, tijdens een lunchpauze in het natte gras, pakte hij een van mijn groene kaplaarzen en begon er met een stift kleine poppetjes op te tekenen, want op die manier zou ik hem nooit vergeten. We sliepen met z’n drieën in een tent, hij, ik en iemand van de leiding, we frunnikten wat aan elkaar. Ik zal die avond dat hij als vanzelfsprekend in mijn slaapzak was komen liggen omdat die van hem besmeurd was met braaksel, best hebben gedacht: wat een leuke jongen heb ik nu naast me liggen, maar dat was niet het belangrijkst. Het belangrijkst was dat andere gevoel, veel minder duidelijk en snoeverig: dat ik me niet anders voor hoefde te doen dan ik was.
‘Aan de eerste zoen heb ik dan ook geen enkele herinnering, wel aan hoe hij steeds opnieuw mijn gezelschap zocht in de Schotse regen en mist. Tot op dat moment was ik alleen op vakantie geweest naar Zwitserland en Oostenrijk, alles was nieuw. Opgezweept door alle ervaringen samen, nam ik hem aan het einde van de week mee naar huis en stelde hem voor aan mijn moeder met de woorden: mam, dit is Ger, hij blijft vanavond slapen. Mijn moeders mond viel open, was dit het bedeesde kind dat ze een week eerder gedag had gezegd?
‘Ik realiseerde me natuurlijk het rebelse van mijn gebaar, maar tegelijk was het ook zo volkomen logisch. Het losweken was begonnen, of ze het leuk vond of niet. Deze Ger was de metafoor, de stap naar een bevrijding uit de wereld die ik spoedig achter me zou laten. En toen ik me op een van de eerste avonden op mijn kamer in Enschede wat alleen voelde, dacht ik weer aan Ger en belde hem op. Ik weet nog steeds niet hoe ik het heb gedurfd, maar hij kwam. We kookten samen en ’s avonds gingen we wat drinken in een café, iets wat ik nog nooit had gedaan. Er speelde een bandje en ik voelde me blij en licht worden, want het was zo bijzonder om me zo dicht bij iemand te kunnen voelen en zo met iemand te kunnen optrekken.
‘We hebben altijd gezegd: we blijven bij elkaar tot we iemand hebben gevonden die leuker is, en ik denk dat ik die grappende luchtigheid nodig had om mijn leven minder ernstig te maken. Jarenlang zagen we elkaar alleen in het weekend en vertelden dan wat we doordeweeks hadden meegemaakt, dat bood mij precies de juiste mate van veiligheid. Hij heeft me veranderd en me geleerd mezelf mooi te vinden, dat lange benen en grote borsten niks waren om me voor te schamen, integendeel. Samen zijn we volwassen geworden, maar in de kern zijn we nooit veranderd. Na bijna veertig jaar kan hij nog steeds een beetje blaaskakerig zijn en net als in Schotland, toen we de achterblijvers waren in die stoet wandelaars, doen we het beter met zijn tweeën dan in gezelschap.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant